Een domme vraag?

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato met als thema: verdelen.
Het woord mag niet in het verhaal genoemd worden. 

zon breekt door de wolken

Languit ligt hij op de grond. Door de gekleurde ruitjes van het bovenraam, werpt zonlicht groene, gele en rode vlekken op het geblokte keukenzeil.
Gerard probeert de kleuren te pakken met zijn hand, en de stralen tussen zijn gespreide vingers door op zijn gezicht te laten vallen.
Hij verschuift zijn bovenlichaam zodat hij de wolken voorbij kan zien glijden door het kleurloze onderste raam. Hij vindt het net een bewegend schilderij: de zon speelt tikkertje met de wolken. Zo Blijft hij een tijdje naar buiten liggen kijken.

Hij tuit zijn lippen en laat er lucht uit ontsnappen terwijl hij nadenkt over een vraag waar hij op internet het antwoord niet van kan vinden. Raar; Google weet toch op alles raad? Of zou zijn vraag een domme vraag zijn?

Gerard voelt de vloer onder zich trillen en kijkt naar de deur waar elk moment zijn moeder naar binnen zal komen lopen.
Daar is ze!
Met een knie duwt ze de deurklink naar beneden. Ze loopt de keuken in en tilt twee volle boodschappentassen op het aanrecht.

Gerard zwaait en lacht naar haar. Dan springt hij overeind en geeft haar een zoen.
Zijn moeder dwarrelt met haar hand door zijn haar en wrijft hem over zijn koud geworden rug.

Samen ruimen ze de tassen leeg.
Gerard reikt haar de boodschappen aan die de koelkast in moeten. Ze voelen elkaar stilzwijgend aan.
Als alles is opgeruimd, pakt zijn moeder een stoel, gaat erop zitten en kruipt Gerard bij haar op schoot.
Met haar hand draait ze plagend rondjes over zijn buik. Heb je honger? vraagt ze.
Gerard giechelt. Een verse boterham met feesthageslag gaat er altijd in. Ineens wordt zijn gezicht ernstig. Hij kijkt zijn moeder recht aan en vraagt met monotone stem: ‘Mama, maakt het geluid als de zon door de wolken breekt?’

Moppies

Moppies

De wachtruimte is klein en dichtbevolkt. Er is welgeteld één lege stoel en die wil ik. ‘Kan ik hier zitten?’ vraag ik aan een mevrouw.
‘Natuurlijk,’ lacht ze, en haalt haar tas van de stoel.
Ik ga zitten maar dat valt niet mee. Als ik mijn linkerbil over mijn stoel laat hangen, past het net. Mijn buurvrouw heeft namelijk enorme billen en bovenbenen.
‘Hoeveel weeg je?’ vraagt ze.
Ik kijk haar verbaasd aan. Ze heeft een open, vriendelijk gezicht en sproeten op haar neus. Ik schat haar een jaar vijfendertig.
‘Sorry,’ zegt ze snel, ‘het floepte zomaar uit mijn mond.’
Ik lach, want dat laatste begrijp ik als geen ander.
‘Ik weeg 64 kilo,’ zeg ik, ‘ben 1 meter 81 lang en heb schoenmaat 40.’
Haar lach vult de ruimte en laat medewachters grinniken.

‘Wat is jouw gewicht?’ vraag ik. Oog om oog, tand om tand.
‘124 kilo,’ zegt ze met een zucht.
Ongelofelijk, denk ik, ik pas 2 x in haar.
‘Maar… ik ben al 30 kilo afgevallen,’ zegt ze trots. ‘Sinds november vorig jaar. En als er nog 24 af zijn, krijg ik een  maagverkleining en een maagband.’
Mijn bewondering steek ik niet onder mijn halve stoel.

Langzaam stroomt de wachtkamer leeg tot wij als laatste der Mohanikanen over blijven. Bil tegen bil blijven we zitten kletsen.

‘Dag moppies!’ klinkt het ineens onverwacht. ‘Mag ik tussen jullie in komen zitten?’

Verbaasd kijken we op.
Voor ons staat een man die zijn ogen ongegeneerd over ons laat glijden.
Ik kijk naar mijn buurvrouw. Heeft zij hetzelfde gehoord als ik?
Aan haar geirriteerde gezicht te zien wel.

Welk lot uit de loterij laat zijn licht op ons schijnen? Het beetje haar dat hij nog heeft is vet; het baardje onder zijn kin lijkt een verdwaald plukje shag; en hij zou mijn vader kunnen zijn, maar dat zou mijn moeder nooit gewild hebben.

‘Zullen we bovenop hem gaan zitten?’ stel ik mijn buurvrouw voor. ‘Jij een beetje meer dan ik?’
Haar lachsalvo klinkt als een mitrailleur. Een arts die net in zijn spreekkamer verdwijnt, komt terug en vraagt aan de secretaresse: ‘Heb ik iets gemist?’
‘Ik zal je straks alles vertellen,’ belooft ze.

Bij mijn buurvrouw rollen de tranen over haar gezicht. Ze blijft vegen.
De casanova heeft ons gebrek aan belangstelling als een afwijzing opgevat en is op de rij achter ons- met zijn rug naar ons toe – gaan zitten.
Hij heeft duidelijk zijn plaats gevonden.

De schrik van m’n leven

schrik

Ik hoor een alarmerend geschraap onder mijn auto.
Twee dames kijken naar mij en slaan hun handen voor hun mond. In hun ogen gaat een alarm af.
Mijn God, waar ben ik overheen gereden? Het zal toch geen driewielertje zijn? Misselijk bij de gedachte klim ik m’n auto uit. Door de stress vergeet ik de gordel los te maken en val ik half tuimelend naar buiten. Trillend van angst kijk ik onder de auto.
Oh…het is maar een paaltje! De auto kan dan wel niet voor- of achteruit, toch ben ik in staat het ding hartstochtelijk te omhelzen.

Een mevrouw zet me bij een garage af.
Binnen vertel ik als een betrapt kind mijn verhaal aan de garagehouder.
Alle monteurs kijken stoer voor zich uit. De garagehouder, een beer van een vent met een melancholische blik, heeft mijn onmiddellijk sympathie want hij lacht niet. Hij roept een collega en die regelt een auto.

Bij het instappen zie ik de brandstofmeter ver in het rood staan.
Met een blik van verstandhouding kijkt de chauffeur naar mij. Ik hoor ‘m denken: jammer dat u de net niet zo’n alziende blik had, mevrouwtje.
Het scenario zie ik al voor me: straks moeten we de auto naar de plaats van het ongeval duwen.

‘Oh,’ zegt de chauffeur, ik zie uw auto al staan.’
Klopt. Zoals het een goed ongeluk betaamt, blokkeert mijn bolide driekwart van de rijweg.
Een groep belangstellenden heeft zich als geroutineerde geraniumstaarders rond mijn vehikel verzameld. Door het open raam, hoor ik wat ze zeggen: ‘Goh, het zal je auto maar zijn, hè’ zegt eentje.
Een vrouw met een stem als een misthoorn vraagt: ‘Van wie is die auto?’
Op datzelfde moment stapt de chauffeur uit en houdt voor mij de deur open. Als een bezienswaardigheid stap ik naar buiten: dus zó ziet iemand eruit die over een betonnen paaltje heen rijdt.
Tanden op elkaar zetten en recht vooruit kijken.

Na tien minuten hannesen met een rijdende krik hebben beide mannen mijn auto over ‘t paaltje getild.
Meteen krijg ik mijn gevoel voor humor terug.
Op vriendelijke wijze sommeert de garagehouder mij achter hen aan naar de werkplaats te rijden.
Hikkend en stotend komt hun auto halverwege de ingang van de garage tot stilstand.
Binnen wordt mijn auto omhoog getakeld. De monteurs bekijken met een lamp elk hoekje en gaatje. Ze wisselen termen uit die klinken als aandoeningen. Gelukkig doorstaat mijn wagentje hun kritische blik.

Met de hete adem van de garagehouder in mijn nek, rijd ik in z’n achteruit de garage uit, slalom  kriskras tussen gepareerde auto’s door, en akelig dicht langs de definitief tot stilstand gekomen garageauto.
Ongeschonden.
Waar is het bewonderende publiek als je het nodig hebt?

Boos!

Op de lagere school zat bij Roos het meisje Thirza in de klas wiens ouders uit Roemenie kwamen. Thirza had nog een jonger zusje Sarah en een peuterbroertje Rico.
Thirza was stevig, had een grote mond en was niet te intimideren. Sarah was haar tegenpool: een stil en teruggetrokken meisje dat in gezelschap niet opviel.

De ouders waren asociale lui.
Ik liep een keer als hulpmoeder met Thirza langs haar huis om haar badpak voor schoolzwemmen op te halen. Ik belde aan en de moeder deed open. Ze had een gebit als een afgebrand kerkhof, twee onderkinnen en rommelig haar. Ze maakte met haar hoofd het gebaar: wat mot je?
Ik vroeg om het badpak.
Haar man die op de achtergrond een zitzak nadeed, riep iets tegen zijn vrouw, die zonder iets te zeggen de deur voor mijn gezicht dichtgooide.

Het gezin ging buiten de schoolperiodes op vakantie. Schoolplicht? Daar hadden ze schijt aan.

De zusjes kwamen meestal te laat op school. Na lang aandringen van de juf bleek dat dat kwam omdat pa en ma geen zin hadden vroeg uit bed te komen voor hun dochters. De school loste dat op door Thirza een wekker te geven.

Vanaf het moment dat broertje Rico naar groep één ging, werd hij met de auto gebracht, want hij was een jongen. Zelfs als het regende mochten zijn zusjes niet meerijden.

Bij de afscheidsmusical van groep 8 schitterden de ouders door afwezigheid. Het was de eerste en enige keer dat ik Thirza heb zien huilen. Sarah was er wel; teruggetrokken als altijd.

Van de week hoorde ik dat Sarah is uitgehuwelijkt aan een oom die tweemaal zo oud is als zij.
Op 16-jarige leeftijd is ze “gewoon” van school geplukt. Dat ze niet wilde trouwen, deed er niet toe.  Haar man heeft haar meegenomen naar Roemenie, het land dat Sarah alleen van vakanties kent. Ze woont nu ongetwijfeld in een of ander gehucht waar ze honderd jaar terug leven in de tijd. Waar de mening van een meisje of vrouw er niet toe doet.
Waar Sarah’s man dingen met Sarah doet die zij niet wil.

Ik snap dat je dit tussen het daverende wereldnieuws met glazige ogen zit te lezen, maar ik heb een hysterisch gewortelde afkeer van dwingelandij. Het gaat mijn gevoelstemperatuur te boven dat meisjes in 2015 in Europa worden uitgehuwelijkt alsof ze verhandelbare accessoires of gadgets zijn.

Ik hoop dat Sarah een beetje liefde en waardering krijgt, en vooral dat ze een chronisch optimisme ontwikkelt. Ze zal het hard nodig hebben.

De schildersmossel

Uit de oude doos: 

In mijn spiegeltje zie ik hem steeds dichterbij komen. Hoofd voorover en de handen onderin de beugels. Hij doet verwoede pogingen het gat tussen hem en mij dicht te rijden. Als ie vlakbij is, kan ik hem amechtig horen hijgen. Ik wacht op het moment dat de fietser me triomfantelijk voorbij zal rijden, maar dat gebeurt niet. Tevreden gaat hij in mijn achterwiel hangen. Bah, een vreemde seigneur aan mijn billen. Ik pas altijd op dat ik als nette vrouw mijn keurige reputatie niet te grabbel gooi, dus houd ik mijn benen stil. Hup, er voorbij jij!

Chagrijnig rijdt hij langs; zijn benen wagenwijd uit elkaar. Er hangt iets groots geschapens tussen. Ja, zijn buik, hè? We houden het hier wel netjes. Hij gromt. ‘Gvd, je bent een wijf!’
(Een persoon van het vrouwelijk geslacht, heet zo iemand. Heeft die man geen opvoeding gehad?) Ik vat het maar op als een compliment.

Twee meter vóór me duikt hij ineens in elkaar en hangt hij vol in zijn remmen. Welja! Gaat ie met zijn fiets dwars op de weg staant! Tierend kijkt ie naar mij. Hij is boos.
‘Stom wijf!’ zegt ie, ‘dat doe je toch niet! Ik zou je een klap op je bek moeten geven!’
Totale verbijstering bij mij; waar heeft die man het over? Hij briest van nijd; zijn hoofd ziet zo rood als een tomaat; en woedend boren zijn ogen zich in de mijne.

‘Je gooit wat naar mijn harses! Ja, kijk maar niet zo schijnheilig! Wie doet nou zoiets?’
‘Nou ík niet!’ zeg ik.
‘Nee, ze komen uit de lucht vallen, nou goed?’
‘Waar zou ik dan mee moeten gooien?’
Hij wijst naar iets wat op de weg ligt.
Ik kijk. Daar ligt een kapotte mossel. Een schildersmossel.
‘Die heb ík niet gegooid,’ zeg ik, ‘ze komen echt uit de lucht vallen!’
De man kijkt me aan met een blik van: mij maak je niks wijs. Hij is toch zeker niet van Lotje getikt?

‘Nee, ik neem u niet in de maling. Meeuwen eten die schildersmossels graag, maar ze krijgen zelf de schelp niet open. Daarom laten ze die vanuit de lucht naar beneden op iets hards vallen. Kijk, kijk, daar!’ wijs ik.
We kijken omhoog naar een kraai met een mossel in zijn bek; even hangt de vogel stil en opent zijn bek. PATS! knalt de schelp op het fietspad. Een levensechte powerpointpresentatie door een kraai. De vogel zit al op de schelp en vreet de inhoud op.
Ongelovig kijkt Lotje van de lucht, naar de kraai op de grond, en naar de kapotte mossel voor zijn voeten. Hij weet zich met zijn houding geen raad. Hij hakkelt, stamelt, stuntelt en krabt op zijn hoofd.

Schoorvoetend bekent hij schuld.
‘Mevrouw, echt, het spijt me heel erg. Ik dacht echt dat  u het was die iets naar mijn hoofd gooide (zoveel spijt hoeft ie nou ook weer niet te hebben; ik heb er anders wel het lef voor, hè?)
‘Ach, het geeft niks,’ zeg ik. Zelf ben ik ook zo impulsief als de pest, dus ja… Lotje reikt mij de hand.
Die schud ik.
‘Goh, ik moest maar weer eens gaan,’ zeg ik.
‘Mevrouw, nogmaals sorry. U ziet er bij nader inzien best aardig uit. Kan ik u verderop misschien op een kop koffie trakteren?’
Dat wijs ik van de hand. Zó’n aardige vrouw ben ik nou ook weer niet.

Saartje

Mijn smartphone gaat: het is Roos. Ik neem op, zeg: ‘Hej liefie,’ en de verbinding is weg. De tweede keer idem. De derde, vierde en vijfde keer denk ik: ja, da-hag.
Een straf is het niet om naar de intro op sax van mijn favoriete muzikale liefde te luisteren. Ik fluit zachtjes me, wat niet gewaardeerd wordt door het biebpersoneel. Ik onderdruk de neiging het geluid van mijn mobiel nog wat harder te zetten.

De zesde keer neem ik weer op.
‘Mam…ik bel niet zómaar, hoor!’
Ik hoor de paniek in Roos’ stem.
‘Ik heb papa ook al gebeld…’
‘Wattizzer?’ vraag ik.
‘Nou…Saartje is achter de vaatwasser gekropen en ligt nu tussen de elektriciteitskabels en ik krijg haar daar niet weg.’
‘Wat zei papa?’
‘Zie haar daar maar achter vandaag te krijgen,’ imiteert Roos zijn stem.

Thuis zit Roos in een emotioneel wak. Met roodomrande ogen vertelt ze: ‘Als Saar in een van die kabels bijt, wordt ze…wordt ze…’
‘Geëlektrocuteerd,’ vul ik aan. Als je uitgaat van het ergste kan het alleen maar meevallen.
Roos schijnt met de zaklamp van haar mobiel in het gat waar tot voor gisteren onze (kapotte) vaatwasser stond. Achter dat gat is een ruimte tussen de keukenkastjes en de muur. Kabels liggen voor het opeten.

Ondergronds

Ergens halverwege ligt Saar in de chill-stand. Ze ziet er zielsvergenoegd uit. Nog niet eerder heeft ze in zo’n aantrekkelijke, donkere gang gelegen. Veilig voor alle leeuwen en beren op de weg. Wat je noemt een strategische locatie.

Roos heeft twee dikke stukken elektriciteitsdraad aan elkaar geknoopt en een stuk appel op een  uiteinde gespietst. Ze zwaait de vitaminerijke lekkernij voor Saars neus heen en weer, maar ons knaagdier verrekt geen snorhaar. Geen trek ik appel? Wat een mirakel.
Ik kruip dichter naar het gat en roep met omfloerste stem: ‘Saartje…Saaaar-tje…’
Ze komt overeind en hobbelt doodkalm naar me toe. Twee wonderen op één dag!
Zodra Saar uit het donkere gat stapt, neemt Roos haar in de houdgreep en scheldt ze naar hartenlust: ‘Vuil gemeen pestloeder!’

Zou je niet zeggen als je haar zo ziet zitten, hè?

Saartje het loedertje

Uitzonderlijk

Uitzonderlijk

Tevreden loopt hij over het klinkerpad. Dit heeft hij nou altijd gewild: een tweede huis waar hij omheen kan lopen. Door hard te werken hebben hij en zijn vrouw deze mate van welstand bereikt, en dankzij de vergrijzing gaan de zaken voorspoedig.

Jij gaat vast zonder plezier naar je werk, hoort hij mensen vaak informeren. ‘Ik zou jouw werk pas kunnen doen na een spectaculaire alcoholinname,’ had een kennis eens gezegd.
Johan snapt het wel, maar ook weer niet. Hij vindt zijn werk een ambacht.
Wanneer een medemens getroffen wordt door een huizenhoog verdriet en de waarheid zich opdringt als een hoge golf, juist als de nabestaande bijna uitdooft van verdriet, kan hij ze bijstaan.

Als overledenverzorger wast hij de dode lichamen. Hij wast hun haren met droogshampoo; knipt nagels en scheert baarden.
Hij maakt doden toonbaar. Geen hoogstaand werk maar het geeft hem voldoening.

Met zijn handen in zijn broekzakken gestoken, leunt hij nonchalant tegen één van de vier leilinden. Hij kijkt naar de lege plek aan de voorkant van het huis waar een naam op moet komen  te staan. Tot nu toe heeft hij alleen nog geen gepaste kunnen verzinnen. Het moet een naam zijn die alles in zich heeft. Een naam die je met een glimlach leest, maar tegelijkertijd verband houdt met zijn beroep. Het mag best een tikkeltje ongepast zijn zodat lezers beseffen dat begrafenisondernemers óók humor hebben.

Hij zuigt zijn longen vol met frisse zeelucht.
Dit huis staat op zo’n uitzonderlijk mooie locatie…
‘Uitzonderlijk,’ mompelt hij en laat het woord langzaam over zijn lippen rollen: ‘Uit-zon-der-lijk…’
Abrupt houdt hij zijn mond, en zijn hart maakt een sprongetje. “Uitzonderlijk” is uitermate geschikt. Als je er op de juiste plaatsen twee spaties tussen denkt, staat er precies waar het in zijn vakantie om gaat!

Saartje

Klein, klein Saartje, wat doe je in mijn hof? 
Je vreet er alle bloempjes op en maakt het veel te grof… 

Uit betrouwbare bron kan ik je melden dat ons huiskonijn ook toe was aan de eerste warme lentedag.

Onwennig hobbelde Saartje over het tuinpaadje en huppelde even later verheugd tegen de zinken emmer met viooltjes aan. Afgelopen weekend heeft Lief ze met zorg en toewijding verpot.
Mevrouw Konijn heeft twee minuten staan schrokken en schransen, en toen waren álle bloemetjes weg. Op! Nu staan er alleen kale steeltjes in de emmer. Zielig hè?
Daarna deed Hare Koninklijke Konijnigheid zich te goed aan ander lekkers.

Grazen

Zie je Saartjes “antennes” bovenop haar kop staan?

Uitbuiken

Na overdadig eten is het goed uitbuiken!

Ik houd van je

Ik houd van je

Sinds de kleuterschool was ze mijn moeders beste vriendin, en ik wist niet beter dan dat ze mijn biologische tante was. Ze was een stevig dame, die levenslang aan de slanke lijn deed; had een royale boezem; een bril met jampotglazen en altijd knollen in haar kousen. Zette ze koffie dan vergat ze water in het apparaat te doen, en melk kookte bij haar eeuwig over. Overal waar zij kwam, ontstond vanzelf een lichte chaos.
‘Van jou komt weinig terecht,’ beloofde haar godsdienstleraar op de lagere school, ‘want jij bent een rotte appel.’
Die belediging droeg ze met trots.

Haar levenswerk was het vullen en leegeten van een vriezer die de helft van haar keuken in beslag nam. Ze was de grootste afneemster van ’t IJsboerke; de beste klant van de bakker en het “trouwste” lid van de Weight Watchers. Ze rookte als een open haard, en scheurde rond in een rood koekblik, waarin ze rustig midden op de trambaan stil bleef staan.
‘Ik doe een goede daad,’ zei ze dan, ‘mensen halen door mij de tram nog.’
Mijn moeder probeerde ze dronken te voeren door een longdrinkglas voor meer dan de helft met rum te vullen, en er een flutbeetje cola in te doen…
Liepen we samen over de markt dan stootte ze me aan en zei ze: ‘Mir, moet jij eens opletten hoeveel mannen er Piet heten,’en dan riep ze uit volle borst:’Pie-hieiet!’ Hoe meer mannen er omkeken, hoe harder zij het uitgilde. Jammer voor haar dat de Tena Lady’s nog niet waren uitgevonden.

Haar leven was verre van gemakkelijk, maar ze bleef vrolijk. Zelfs toen ze kanker kreeg, was haar humor niet te vernielen. Toen ik huilde omdat haar haar bij bosjes uitviel, troostte zij mij door te zeggen: ‘Geeft niks griet, die groeien wel weer aan, en tot die tijd neem ik gewoon een pruik. Ik dacht zelf aan een hanenkam. Denk je dat die me staat?’

Haar kille en egoïstische man, vond dat ook doodzieke vrouwen hun taak in de huishouding niet mochten verkwanselen en hun man, kostte wat kost, moesten blijven behagen. Zelfs toen ze op het laatst niets meer kon, vond hij het teveel moeite een kopje thee voor haar te zetten. Wat moet ze eenzaam zijn geweest…

Tijd heelt veel wonden, zeggen ze. Dat ze zoveel jaar na haar overlijden, nog steeds gemist wordt, wil zeggen dat ze een bijzonder mens is geweest.
Ze mocht dan vol grappen en grollen zitten, ze stond als eerste op de stoep als iemand hulp nodig had.
Ik vond haar net een grote bloemkool: ze had voor iedereen een stronkje.
Vele keren heb ik aan haar graf gestaan. De laatste keer was vlak voordat haar man erin bijgezet zou worden. “Op bezoek gaan” vond ik daarna teveel eer voor hem.

Al vierentwintig jaar heb ik spijt. Spijt als haar op mijn hoofd dat ik nooit vier simpele woorden tegen haar gezegd heb. Waarom heb ik wel met haar gelachen, gehuild, gezongen en gegeten, maar heb ik nooit gezegd hoeveel ik voor haar voelde?
Daarom: doe het zolang het (nog) kan:
Schrijf het. Fluister het. Zeg het. Schreeuw het!