Drie weken zonder slaap

sleep is the best meditation

In 2005 adviseerde de huisarts me over te stappen op een moderner antidepressiva. Omdat zij niet wist hoe ik de medicijnen het snelst kon af- en opbouwen, verwees ze me naar een psychiater.
De bijwerking van het stoppen van mijn oude middel was slapeloosheid, wat helaas toentertijd onbekend was.

In bed hield ik stug vol met ontspannings- en ademhalingsoefeningen. Ik voelde me na verloop van tijd wegzakken maar telkens kreeg mijn lichaam een schok en was ik weer klaar wakker. Inslapen lukte niet. Ook niet na het innemen van steeds zwaardere slaappillen.
De psychiater ging op vakantie en zei: “Ik weet het ook niet meer. Stop maar met alles.”

Heel gek, mijn hersenen waren murw maar mijn lijf ging gewoon door: het kookte, werkte, was leesmoeder, ging hardlopen… Op een gegeven moment stortte het natuurlijk in.
Mijn ouders deden alles voor me, maar ik was nog te moe om te eten.
De huisarts toonde geen enkel initiatief, dus moest ik zelf tot actie overgaan. Na drie slapeloze weken belde ik midden in de nacht over mijn toeren de huisartsenpost.
De volgende dag liet ik me opnemen in de GGZ. Het was het een-na-laatste wat ik wilde.

Ik wist niet wat me overkwam.
Mensen in isoleercellen schreeuwden als wilde dieren.
Drie mensen pleegden zelfmoord.
De verpleging ervoer de aanwezigheid van patiënten als storend.
Paracetamol werd me geweigerd.
“Maar dan moet ik overgeven, want mijn hoofdpijn wordt in de loop van de dag erger,” zei ik.
Daar hadden zij toch geen last van?
Na drie dagen spugen, wist ik de oplossing: Lief nam paracetamol voor me mee, en ik verstopte de strip achter de voorraaddozen koffie en thee in de bovenste kastjes van de bezoekersruimte. Kon ik ze wel eten zonder ze in mijn bezit te hebben.

Ik moest stapels psychologische testen invullen. Er kwam niets uit. De psychologen vonden me een raadsel. Ik voldeed niet aan de norm van een depressieve, want ik verzorgde mezelf. De zinnen die ik in een test had moeten aanvullen tot verhaaltjes, vonden ze komisch. Boven alles vonden ze dat ik verkeerd bezig was, want met mijn fleurige kleding en gevoel voor humor ontkende ik mijn depressie. Ik heb nog nooit zoveel onzin bij elkaar gehoord.

Er was ook goed nieuws:
Ik kwam er tot rust, kreeg mijn oude antidepressiva en kon na verloop van tijd weer slapen, al zijn de schokken nooit meer weggegaan.
Familie nam schone kleren, fruit, chocola, drop en gevulde koeken voor me mee.
Ik kreeg zákken post.
Het contact met de meeste patiënten – uit alle lagen van de bevolking, want depressie discrimineert niet –  was vriendschap op het eerste gezicht. Ik heb met ze gehuild en gelachen.
Deel 5 van Harry Potter kwam uit in het Engels.
Mijn vader bewaarde alle krantenartikelen van de Tour-de-France voor me.

Het moeilijkst was Roosje-in-de-knop achterlaten. Ze werd opgevangen door opa en de oma’s. Verwend met lekkers en aandacht. Lief ging korter werken en met Roos naar de manege, zwemles en dansles.

Bij mijn ontslag – na zeven weken- wist de verpleging nog steeds mijn naam niet. “Mevrouw…eh…Dingetje…ik kan even niet op uw naam komen.”
De GGZ aldaar heette de “Fleurie-stichting.” Zelfs na tien jaar weet ik nog niet wat daar nou zo fleurig was…

Kut

De maanden juli en augustus waren kut. Ik weet dat het geen net woord is, maar het is toevallig wel mijn privéplek, en ik ken geen woord dat de lading beter dekt.
Klazien uut Zalk – de homeopaat die me behandelt tegen slapeloosheid -stuurde me korrels om mijn chronische vermoeidheid aan te pakken. ‘Eerst wordt het erger,’ waarschuwde ze me nog.
‘Wie niet waagt, die niet wint,’ was mijn reactie.

Hoeveel moeheid kan een mens doorstaan? Ik kon alleen nog maar zitten op de bank. Normaal klim ik bij tegenslag in de pen óf in de gordijnen, maar zelfs daar had ik de energie niet voor.
Een ander middel was hetzelfde laken een pak. Als klap op de vuurpijl hielp mijn slaapkorrel kali-c niet meer. Waarom? Wist Klazien het maar.
We hadden een goed gesprek. Ze stuurde een nieuw middel op waarvan ik helaas nóg slechter ging slapen.
Slapeloosheid: je ergste vijand. Je stort in voor je het weet, opkrabbelen duurt een stuk langer. Deprimerende redeneringen lagen op de loer; ik zag het nut niet meer in van de pensioengerechtigde leeftijd halen. Ik had het liefst een paar weken van de radar willen verdwijnen. Maar opgeven? My ass! 

Ik kan je verklappen: de stemming zat er goed in. Ondanks dat ik me een oude jas aan een kapstok voelde, de sex-appeal van een haringkar bezat, en de neiging had bij elke opmerking van een huisgenoot mijn lip op te trekken en te grommen, hield Joris dagelijks hetzelfde gelijkmatige humeur. Hij werd niet boos, maar zei trots – alsof het mijn persoonlijke verdienste was- : ‘Schat, Jij bent mijn branding.’

Ik ben gestopt met de korrels. Langzaam trekt de vermoeidheid op naar “normale” proporties: ik kan weer met Rosa naar het koeienbos, fietsen met Joris en verder aan mijn boek.
Nu ben ik weer terug naar kali-c maar in een andere sterkte. De hoogste tijd voor wat meer lichtheid in mijn bestaan.

Toch, hoe donker het ’s nachts ook was, hoe zachtkens ik ook op mijn tenen naar Rosa’s bench sloop, onverklaarbaar hoorde ik alle keren: klop, klop, klop. Zoveel geluk in een hondenstaartje…

Geluk in een staartje

Het hondenvrouwtje

Meteen de eerste dag was het al raak.
‘Zo, heb je een pup?’ vroeg de vrouw aan Kind. ‘Dat wordt een grote hond, die moet veel eten, hebben jullie daar erg in? Alle honden in dit dorp zijn gek op me. Ik geef ze altijd iets lekkers maar alleen als ze iets kunnen.’ De vrouw kijkt nog eens naar Rosa die erbij is gaan liggen, en sluit haar monoloog af met: ‘Ik ken geen hond die mij niet aardig vindt.’
Nou, Roos anders wel.

Het hondenvrouwtje is niet slecht maar net een kapotte grammofoonplaat. Haar stakerige benen steken dun af in haar grove wandelschoenen, en ze gebruikt haar fiets als steun bij het lopen. Haar hondje Max – een morsig hondje; gered uit de binnenlanden van Spanje – sjokt landerig naast haar voort.
De vrouw woont vlak bij ons in de buurt en haar ontlopen is een kunst.

En elke keer heeft ze wel wat. ‘Loop je nou alweer buiten met die hond? Hij moet ook leren alleen thuis te zijn! Alle honden in het dorp houden van me omdat ik ze iets lekkers geef. Maar alleen als ze zijn opgevoed. Jouw hond kan nog niets.’

Kind weet wel beter. Rosa is zindelijk en kan al:
zit!
stop!
wacht!
volg!
spring!
zoek!
eet smakelijk!
verstoppertje spelen en – heel belangrijk –
bellenblazen in de sloot.
In zeven weken tijd! Dat is geen kattenpis. Bovendien, als je goed in Rosa’s ogen kijkt, kan je haar zieltje zien en dat is rein.

Roos is het ge-bemoei zat. De vrouw heeft het wel over háár hond! Uit ervaring weet ze dat de vrouw nu spoedig over stukjes kaas en worst zal beginnen.
‘…Alle honden houden van me omdat ik ze stukjes kaas of worst geef. Jij moet die hond opvoeden, anders krijgt-ie niets van me!’
‘O, maar dat geeft niet,’ zegt Roos beleefd. ‘Wij leren onze hond geen eten van vreemden aan te pakken.’
Ze draait zich om en Rosa loopt vrolijk achter haar aan. Kind weet het niet zeker, maar ze zou zweren dat Rosa’s lolmeter harder zwaait dan ooit tevoren.

imageedit_2_4030729841

Liebster award

Liebster-awarda Van je blogvrienden moet je het hebben: Awards.
Harrij van Gedacht en Gedicht nomineerde mij een paar dagen geleden voor de Liebster Award. Met wel 11 vragen! Ik begrijp niet waar ik dat aan te danken heb. Mijn reactie was zo klaar als een klontje: “Oh my god: een lijstje… En ik ben genomineerd. Ik schrik me de zenuwen, want ik doe niet aan stokjes mee.”

Dezelfde dag kreeg ik van Trees van Iris Papilio The 3 things tag. Met 13 vragen nog al liefst! Ook fijn.
Meestal ontkom ik aan Awards door net te doen alsof ik gek ben (dat kost me totaal geen moeite) maar deze keer waag ik een poging.
Ik lap wel alle award-regels aan mijn laars en kies 11 vragen uit. Nummer 5 sla ik over; dat valt toch niemand op.

  1. Ben je trouw aan een partner of neem je het niet zo nauw?
    Ik ben zo monogaam als de neten.
  1. Waarom volg ik Harrijs blog?
    Hij heeft een scherpe punt aan zijn pen en ik houd wel van een eigen mening.
  1. Drie dingen in mijn tas.
    Portemonnee, een notitieboekje en een stapel pennen.

4. Drie favoriete fruitsoorten.
    Frambozen, ananas, en (Elstar) appels.

6. Waarom blog je?
    Schrijven en gelezen worden. Een dag niet geschreven, is een dag niet geleefd. Ik publiceer nog geen tiende van wat ik schrijf. Mijn schrijfschriften zijn een mengeling tussen een schatkist en een vuilnisvat.

7. Bespeel je een muziekinstrument of zing je?
Ik speel geen muziekinstrument meer. Ooit ga ik nog sax leren spelen. Zingen in huis is me door Man en Kind ten strengste verboden. Ik zing alleen nog tijdens solo-expedities in de auto.

8. Drie favoriete vakantiebestemmingen.
Noorwegen – Zweden – Corsica

9.Drie favoriete sporten.
    Wielrennen/Toerfietsen: als ik mijn fiets over zijn zadel aai, begint mijn hart meteen sneller te kloppen.
Hardlopen: het liefst samen met buufhond Billie, maar die is niet meer…
Zwemmen: ooit heb ik voor de triatlon getraind. Aan zwemmen heb ik een haat-liefde verhouding overgehouden.

10. Drie favoriete boeken:
– The deathly hallows – J.K. Rowling. alle afzonderlijke delen van Harry Potter     komen samen in dit laatste boek. Een ongelofelijke prestatie.
– Ik ben Pelgrim – Terry Hayes. Een vlijmscherpe thriller met talloze plots en wendingen. Ik zeg niet snel dat iemand iets moet lezen, maar deze mag je echt niet missen.
– Het evenwicht – Martin Bril. De meesterlijke observator en columnist die een persoonlijk verslag schrijft als hij voor de tweede keer getroffen wordt door kanker. Nederlands beste columnist van   zijn generatie. Hij overleed in 2009.
–  Simone van der Vlugt – Rode sneeuw in december. Een historische roman tegen de achtergrond van de Tachtigjarige Oorlog

11. Favoriete quotes:
– Don’t panic! The worst is yet to come.
– You can only be young once, but you can be immature forever.
– Never underestimate the power of an extremely pissed of woman.
– Eentje die je Donald Trump niet aan zijn verstand kan brengen: voor geld is alles    te koop, behalve het kwispelen van een hondenstaart.
– En de aller belangrijkste: Love is all you need!

Het is de bedoeling dat ik 8 medebloggers nomineer, maar daar zie ik vanaf. Ik houd ze namelijk graag te vriend. Wie het leuk vindt, mag zich uitleven!

Kleine wasjes, grote wasjes

handwringer

Mijn moeders trots stond wegens plaatsgebrek niet in huis, maar tweehoog achter op ons balkon. Een enorme joekel van een wasautomaat, waar mijn vader een houten bekisting omheen timmerde, zodat het apparaat de echte Hollandse winters kon trotseren. Tevreden draaide mijn moeder kleine en grote wasjes in haar wasmachien.

In mijn kinderogen was dat apparaat maar een saaie doos. Nee, dan dat ding dat er naast stond: een handwringer! Je stopte een natte lap wasgoed tussen twee rollers, draaide aan een grote hendel en al het water stroomde eruit. Als je niet uitkeek, liep het water in een stroompje langs je arm naar beneden en via je benen zo je schoenen in. Maar ja, ik mocht er alleen maar naar kijken en aankomen niet. Je begrijpt: die droger móest en zou ik uitproberen.

Eindelijk: toen mijn moeder stond  te kletsen met een buurvrouw, glipte ik het balkon op. Nee hè, zag ik mijn kans schoon, viel er niets te wringen… Nergens wasgoed of een vieze, oude dweil te zien.
Oh, maar wacht eens, daar hingen mijn moeders rubberen sophandschoenen. Gretig graaide ik er eentje van de drooglijn en hield ‘m tegen de rollers van de wringer.
Het draaien viel nog best tegen; ik had allebei mijn handen nodig om dat ding op gang te krijgen.

Vreemd, wat zag die handschoen er raar uit. Opzwellen, niet normaal! Maar nu ik eenmaal aan het wringer was, zou ik blijven draaien ook. Steeds groter en boller werd de handschoen totdat hij PANG! uit elkaar knalde. Eén blauw stukje vinger bleef slap tussen de rollers hangen.
Van schrik zette ik het op een brullen. Mijn moeder gooide met een ruk de deur open en aanschouwde wat voor vreselijks ik had gedaan. Ik kreeg een pak voor mijn broek en moest voor straf op mijn ijskoude kamertje gaan zitten.
Ik mo-hocht ook nooi-hooit wat.

Wat me tevreden stemde, was dat mijn broertje, de arme stakker, ook niets mocht. Op een mooie dag deed hij zijn uiterste best op hetzelfde balkon onze zinken vuilnisemmer in de brand te steken. Hij was er na veel moeite eindelijk in geslaagd dat ding flink aan het walmen te krijgen, toen mijn moeder onraad rook en polshoogte kwam nemen.
Nou, de afdruk van mijn moeders pantoffel staat NU nog op mijn broer zijn billen. Terwijl die degelijke vuilnisbak amper wilde branden en alleen maar wat lullig rookte. Dat hoefde mijn moeder toch niet zo op te blazen? Maar mijn broer heeft het in ieder geval geprobeerd, dat pakt niemand hem meer af!

De minnares

de minnares

‘Hij is een heel goede minnaar,’ zegt de vrouw.
Ik blaas bijna de cacao van mijn cappuccino.
Haar vriendin knikt alsof ze de uitspraak al te vaak heeft moeten aanhoren.
De twee vrouwen zitten links van me aan een tafeltje. Ik schat ze begin dertig. Hun mobiel onder duimbereik en hun tas op schoot. Leuke types, blond en goed in de verf. Toon Hermans zou zeggen: “En onder hun ogen de betere kringen.”
Met volle tevredenheid stoeien ze met een gebakje.

‘Weet je dat zijn moeder nog bij hem schoonmaakt?’ vraagt de minnares.
‘Waaat!’ zegt de vriendin. Ze is duidelijk blij dit nieuwtje te horen.
‘Uhuh. Elke week komt ze bij ‘m soppen. En ze neemt haar eigen stofzuiger mee want hij heeft er geen.’
‘Dat méén je niet!’ zegt de vriendin. ‘Hoe oud is die gozer eigenlijk?’
‘Nog steeds 24,’ klinkt het afgemeten.
‘Komt er eigenlijk nog iets van?’ vraagt de vriendin.
‘Waarvan?’
‘Nou…wordt het serieus? Ga je weg bij Mark?’
‘Nee, natuurlijk niet!,’ klinkt het bitst ze. ‘Teveel gedoe voor de kinderen. Ik houd Thijs gewoon voor erbij.’

De vriendin twijfelt. Zal ze iets zeggen of haar laatste hap gebak naar binnen schuiven? Ze stopt toch maar het vorkje in haar mond en trekt het stukje taart er met haar tanden af. Zo beschadigt ze haar lippenstift niet. Ze kauwt, en als haar mond leeg is, zwijgt ze.
‘Wat,’ vraagt de minnares geirriteerd, ‘jij hebt er ook twee tegelijk gehad.’
‘Dat was in de vakantie!’ neemt de vriendin het voor zichzelf op, ‘En toen wist ik nog niet dat ik in verwachting van Jasmijn was,’ giechelt ze er achteraan. Terwijl ze het zegt, kijkt ze schichtig om zich heen.
Ik bestudeer net op tijd de menukaart.
‘Ben je niet bang dat Mark erachter komt?’
‘Jij bent de enige die het weet,’ zegt de minnares veelbetekenend.
De vriendin zegt op beschuldigende toon: ‘Je hebt wel drie kinderen, Mar.’
’Zodra ze het gekwetst gezicht van haar vriendin ziet, zegt ze ‘Sorry,’ maar ze meent het niet.

De mond van de minnares beweegt maar ik hoor niet wat ze zegt. Iemand heeft waarschijnlijk een ijs-koffie besteld want een machine hakt ijsblokjes in stukken. Als het apparaat stilvalt, staat de minnares op, en zegt: ‘Ik wil het er niet meer over hebben. Ik ga Mirre van het dagverblijf halen.’ Ze zet haar mok en gebaksschoteltje op het dienblad, pakt haar tas en mobiel, en loopt op hoge hakken naar buiten, de Hema-restauratie uit.

Haar vriendin gaat het allemaal te snel. Ze veert op en beweegt haar handen nerveus boven het  gebruikte serviesgoed. Ze kijkt waar de kast staat om het dienblad in te schuiven maar ziet er van af.  Ze smijt haar telefoon in haar tas en wringt zich haastig tussen tafeltjes door in de richting van de uitgang. Haar vriendin achterna.

Een bejaarde vrouw rechts van me, die het geheel net als ik van een afstand heeft zitten volgen, zegt glimlachend tegen mij: ‘Wat een leuke meiden, hè? En zo keurig!’
Ik knik welwillend. Ze moest eens weten!

Postcrossing

Postcrossing

Ik ontvang graag post. (Mits het geen rekeningen of blauwe enveloppen zijn.)
Daarom ben ik gaan meedoen met Postcrossing.
In bijna twee jaar tijd heb ik iets meer dan driehonderd kaarten ontvangen en verstuurd. Het is leuk en relatief goedkoop, maar vooral heel nostalgisch om via de post ansichtkaarten met onbekenden van over heel de wereld uit te wisselen.

Elke keer als de brievenbus kleppert en er een ansichtkaart in de bus valt, is het of ik een cadeautje krijg. De ene keer uit Belarus, de andere keer uit Finland of Japan.
Postcrossing combineert oude en nieuwe media met elkaar. De registratie en de aanmaak gaat via de website; de kaarten worden bezorgd via de post.

In je profiel kan je je voorkeur voor een bepaald thema aangeven. Ik vraag om kaarten met fietsen, oude gebouwen, Scandinavische huizen, vuurtorens, iets blauws of David Bowie. Van de laatste heb ik er helaas nog geen ontvangen. Ik vraag of mensen iets persoonlijks over zichzelf willen schrijven, of hun favoriete quote, gedicht of muziek.

Wat me is opgevallen aan al die kaarten is dat:
* Taiwanezen en Chinezen uitermate trots zijn op hun land en de ontvanger proberen over te halen tot een bezoek. Ze schrijven een wervende propaganda in uiterst secuur geschreven regels met een zwarte inktpen.

* Duitsers sturen graag kaarten uit landen waar ze op vakantie zijn geweest. Krijg ik een kaart uit IJsland – leuk, mijn eerste! denk ik dan – blijkt hij afkomstig van onze oosterbuur. Het minst leuk vind ik hun kaarten met een postzegel met: “Deutschland fussball weltmaister 2014.” 🙂

* Russen sturen veel kaarten met een foto van een fruitcorporatie uit lang vervlogen tijden. Velen kennen geen Engels en krabbelen iets in het Russisch.
De dames heten óf Olga óf Anastacia.

* Sommige afzenders hebben zo’n slordig handschrift dat hun hanenpoten in het Engels nog grotere hiërogliefen zijn dan de Russische groeten.

Roos en ik hebben van een foto van molens in Kinderdijk ansichtkaarten laten drukken. Duizend stuks. Kunnen we even vooruit.
Ongeacht naar wie ik een kaart stuur: ik plak de postzegel op zijn kop. Een vleugje anarchie in de geordende postwereld!

Postcrossinga

BlonT

 

DieselaHet stoplicht springt op groen en meteen drukt Dirk op de claxon. Sinds hij in een sportauto rijdt, reageert en rijdt iedereen te langzaam.
De bestuurder in de auto voor hem kijkt hem via de achteruitkijkspiegel aan en wappert vrolijk met haar vingers.
Verrek…dat lijkt zijn ex Thea wel… Hoe komt zij aan zo’n dure auto? Hij heeft ervoor gezorgd dat haar na de scheiding niets restte dan een schamele fooi. Had ze maar niet zoveel stampei moeten maken toen ze erachter kwam dat hij diverse scharrels had. Ze was nog preuts geweest ook; hij had niet eens naaktfoto’s van haar mogen maken. Behalve dat was op haar niets aan te merken geweest en juist dat had hem zo geirriteerd.

Dirk zet de achtervolging in op de inmiddels rijdende auto voor hem en als deze halt houdt bij een tankstation, parkeert Dirk impulsief zijn auto erachter.
Bulkend van het zelfvertrouwen stapt hij uit en zijn merkzonnebril bovenop zijn hoofd.
Aan de passagierskant stapt de nieuwe vriend uit. Dirk ziet het meteen: een patser in een duur pak. En blond, net als Thea. Twee lichten die elkaar hebben gevonden! Hij ziet geen enkele reden de “goedenmiddag” te beantwoorden en hij focust zich op de bestuurderskant waar Thea uitstapt.

Eerst verschijnen twee pumps , dan een stel ranke, bruine benen, gevolgd door een elegante vrouw in een flatterend zomerjurkje. Wat ziet ze er goed uit! Koket, dát is het juiste woord.
Thea lacht uitdagend naar hem.
Dirk kan zijn ogen niet van haar afhouden. Met zijn aandacht op zijn ex, pakt hij een benzineslang uit de houder en hangt deze in zijn tank.
Terwijl Thea tankt, loopt de patser het tankstation binnen.

Thea zegt weinig. Niets eigenlijk. Ze glimlacht flauwtjes maar krijgt het gaandeweg steeds beter naar haar zin en lacht breeduit naar hem.
Té breeduit. Zou zijn haarlok verkeerd zitten? Dirk kan het zich nauwelijks voorstellen. Omdat hij in een cabrio rijdt, heeft hij er uit voorzorg een flinke berg haarlak opgespoten.

De patser komt alweer bij de auto met een kassabon in een hand. Thea maakt met haar hoofd een gebaar naar de pomp en geeft haar vriend een samenzweerderige knipoog. De patser werpt een snelle blik op de pomp en ook hij lacht.
Dan giert Thea het werkelijk uit.
Dirk realiseert zich dat zijn tank allang vol is, haalt de slang eruit en hangt ‘m terug aan de pomp.
Nog net niet hikkend van de lach wijst Thea er geamuseerd naar.
Dirk volgt haar handbeweging. De klap komt loeihard bij hem binnen. Hier kan zijn doortastende charme niets aan veranderen. Eén woord verandert alles.
Diesel.

Hij heeft het gevoel dat hij nooit meer zal kunnen bewegen. Hij begrijpt zelf niet waar hij zijn oplettendheid vandaan haalt, maar zijn oog valt op een regel tekst onder het nummerbord van de optrekkende auto: “Blond en intelligent. De schrik van elke vent.”

Is dit alles?

Eten is helemaal Rosa’s ding is.
Ze eet niet, ze vreet niet, ze schrokt, en ze boert met verve na iedere voeding.

Omdat wij geen hond met een Bourgondische buikomvang willen maar eentje met een taille, krijgt ze driemaal daags een gebalanceerde hoeveelheid brokjes. In no time schrokt ze die naar binnen alsof ze elke dag haar eigen PR probeert te verbeteren. Zijn de brokjes op dan kijkt ze je aan met de blik: is dit alles, oehoehoehoe, is dit alles, wat er is?

Rosa1aTussendoor krijgt ze alleen een snoepje als ze gaat slapen in haar bench. Verder niets. Zielig, hè?
Dat vindt Rosa ook. Zie die blik:

Ter aanvulling op haar “dieet,” jat ze stukken winterpeen uit Saartjes etensbak en de uienschillen uit de afvalbak. Zodra Mevrouw Konijn haar hard brood in de keuken heeft opgevreten en haar hielen licht, snelt Rosa dichterbij om de kruimels op te likken. En maar aan die konijnenkont snuffelen in de hoop dat Saar net een keutel produceert.

Zo’n pup gun je toch een Fanta?

Omdat het vakantie was, het al drie dagen regende en we ergens overdekt mét hond wilden recreëren, besloten we naar een hondenwalhalla te gaan. (In wiens auto denk je? Tip: niet in die van Joris.) Dat was niet de ballenbak voor kleuters maar een tuincentrum waar het personeel “van-je-a-ja-jippie-jippie-jeeh” zingt.
We pakten een boodschappenwagentje, legden er een meegenomen mat in, zetten Rosa erbovenop, zetten koers naar de afdeling waar je zelf hondenbrokken mag scheppen, en maakten er een proeverij van.

Van elk soort mocht Rosa er eentje proeven. Er ging een wereld voor haar open: mini mergpijpjes, grote mergpijpen, kauwbrokken, ronde brokken, mini kluiven, grote kluiven, knoopbrokken, ordinaire hondenbrokken, dinerbrokken, beloningsbrokken…Zoiets durf je niet te hardop te zeggen  in landen waar mensen weinig te eten hebben.
Fatsoensrakkers zijnde hebben we voor de opgevreten brokken betaald.

Rosa had de middag van haar leven en ging met een kogelrond buikje naar huis. En buiten mocht ze doen wat ze het liefste doet:

Rosa2a

Over de rooie

verwend nest

Het gebeurt in de vakantie.

De deur van het winkeltje gaat open en er stapt een mevrouw binnen.
Net op dat moment vis ik een jurkje uit een rek met kleding, en onderga een aanval van koopzucht. Het jurkje is zó hemelsblauw, het hier al die tijd op mij liggen wachten. Wat een juweeltje, en voor zó weinig!

Er ontstaat een gesprek in mijn hoofd.
Wat moet ik nou met een júrk? Die draag ik nooit, want een jurk tocht. En de laatste keer dat ik een jurk droeg, was dat niet meer dan twintig jaar geleden?
Maar dit is niet echt een jurk. Ik kan er toch zo’n geval onder dragen, een legging?
Zo’n broek die ze in de winkel een 7/8 model noemen, maar bij mij altijd net over de knie valt, omdat mijn benen zo’n eind doorlopen naar boven?
Ja maar, wat zal Lief dit leuk vinden!
Volgens mij schrikt-ie zich eerder te pletter.
Nou en? Ik wil ‘m, ik wil ‘m, ik wil ‘m! Punt.
Hopelijk is de maat goed, want hij hing eenzaam en verlaten tussen de rest van de jurkjes.

Een mevrouw met wel vier, vijf, zes jurkjes over haar arm, loopt naar me toe en zegt: ‘Pardon, waar heeft u dat jurkje vandaan?’
Althans ik vermoed dat ze dat vraagt, want zij spreekt Frans en ik minimaal.
‘Plus,’ zeg ik, met een handgebaar van: jammer, maar helaas, dit is de enige.
Zou ze het jurkje even mogen bekijken?
Kijken? Ja hoor. Maar met de ogen dan, hè, niet met de handjes.
Haar hand met duur gemanicuurde nagels, probeert het hangertje uit de mijn hand te trekken, maar ik houd het stevig vast.

De mevrouw draait zich om naar de verkoopster, en vraagt iets.
Op dat moment ben ik afgeleid, de madam rukt het jurkje uit mijn handen, en verdwijnt er mee in het pashokje. Met een ruk trekt ze het gordijn dicht.
Wat een lef, zeg! Is ze nou helemaal van de pot gerukt? Ik loop naar het gordijn en ruk het met dezelfde snelheid weer open. De madam slaakt een gil.
‘Stel je eigen niet zo aan,’ zeg ik, ruk de blauwe jurk van het haakje en loop naar de verkoopster. Die jurk zal ik hebben. Al is de maat niet goed en moet ik er thuis de glazen mee afdrogen, hij is van mij!
Ik pak mijn pinpas uit m’n portemonnee.

Nee, zegt de verkoopster, ik kan hier niet pinnen, alleen contant betalen. Daar aan de overkant, wijst ze, kan ik geld opnemen.
Oké, dan doe ik dat.
De verkoopster stopt de jurk in een plastic tasje en legt het onder de toonbank.

Ik loop naar de betaalautomaat, neem geld op, steek weer over en word bijna ondersteboven  gereden door een rode auto. Een Ferrari. Ik ben totaal niet autogevoelig, maar deze auto herken ik. De persoon achter het stuur heeft iets vaag bekends, maar wat?

Terug in de winkel loop ik naar de verkoopster achter de toonbank en geef haar het biljet.
‘Plus,’ zegt ze.
Plu? Hoezo plu? Oh…plus? Heeft ze het jurkje niet meer?
Non.
Hoe kan dat dan? Wát! Verkocht? Echt waar?

Aan die… ah…nu valt het kwartje… Aan die bekakte badmuts in de Ferrari, natuurlijk. Ik moet me beheersen om niet te gaan schreeuwen. Verkocht aan die kakmadam, omdat ik maar een luizig toeristje ben.

De verkoopster zegt dat ze nog wel genoeg andere leuke jurkjes heeft.
Veeg daar maar je mond aan af.
Ik wens haar een afzichtelijke bult van hard werken toe en verlaat de winkel.

Stel, dat jij nu in België bent, en je ziet een blonde troela in een hemelsblauw jurkje voorbij scheuren in een vreselijk lelijke, rooie Ferrari, dan weet je dat ze mijn jurkje aan heeft. Het inhalige, achterbakse, grofstoffelijke, verwende pestloeder. Zo, lekker, dat is eruit.