Mentaliteit

Door het keukenraam kijk ik uit op een zijstraat. Midden op straat ligt een dode, zwarte vogel. Eén langgerekte poot steekt omhoog. Qua grootte schat ik dat het om een kauwtje gaat.
In ons dorp mag je maximaal 30 km/u rijden, hetzelfde geldt voor de Tiendweg, de aanrijroute naar het dorp. Dat neemt niet weg dat de weg regelmatig geplaveid ligt met dode egels, katten en eenden. Waarom nemen bestuurders niet de moeite te remmen?

Ik denk terug aan een gesprek dat ik vorige week bij de slager volgde.
Daar stond een vrouw met een deftig uiterlijk. Tegen een mevrouw naast haar vertelde ze dat ze haar rieten boodschappenmand niet zoals de meeste dames bij de drogist had gekocht, maar in de Provence. Het laatste woord sprak ze uit als: prrro-ván-ze, waarbij ze het zich even permitteerde een blik op mijn mand te werpen. Ik weerstond de aanvechting te roepen dat ik de mijne op de markt had gekocht. Dat plezier gunde ik de vrouw wel, maar het gesprek kabbelde alweer verder. Opeens hoorde ik de deftige dame ferm zeggen: ‘Als er eenden op de weg lopen, rijd ik er gewoon overheen. Moeten ze daar maar niet lopen. Eenden horen in de sloot.’
Ik dacht dat mijn oren er afvielen.
‘Wat is dan het volgende waar u overheen rijdt?’ kon ik niet nalaten te vragen. ‘Een poes?’
‘Eén pot nat,’ zei de vrouw terwijl ze haar schouders ophaalde.
Mijn hersenen konden het niet verwerken.
Een man naast me vroeg op scherpe toon: ‘Wat is dat nou voor mentaliteit?’
‘Een gebrèk aan mentaliteit,’ beantwoordde ik zijn vraag.
De man en ik keken beide naar de deftige dame maar de opmerkingen gleden van haar rug als water van een zeehondenvacht.

Een buurjongetje komt aanrijden op zijn crossfiets. Hij stopt naast de dode vogel.
Hij geeft het beest een zacht duwtje met zijn voet, dan een wat stevigere duw en hij begrijpt: deze vliegt niet meer. Met zijn voet schuift hij de dode vogel naar de kant, zo dicht mogelijk tegen de stoeprand aan. Hij blijft er even bij staan kijken. Kennelijk bevalt deze laatste rustplaats hem niet, want hij legt zijn fiets op de stoep en loopt terug naar de vogel.

Daar blijft hij aarzelend staan. Zou hij aan de waarschuwing van zijn moeder denken: ‘Denk erom! Nooit een dood dier met blote handen aanraken!’ Het zou kunnen, want hij trekt de mouw van zijn voetbalshirt over zijn hand, tilt daar de vogel mee op en legt ‘m verderop voorzichtig in de bosjes. Zo klein als-ie is, heeft-ie meer mentaliteit in zich, dan menig andere volwassene.

Foto van internet

Muzikale liefde

Bowie

Het leven is een reeks toevalligheden en dit is er een van.
In 1978 had een collega van een oom kaartjes voor een concert van David Bowie. Zelf kon hij die avond niet. Of mijn oom de kaartjes wilde hebben?

Zo toog ik op mijn zestiende met mijn favoriete nicht Sterretje naar Ahoy. Van opwinding werd ik draaierig in mijn maag. Van de beste zanger had ik nog nooit gehoord, maar dat vond ik een detail.
Eenmaal binnen, zittend op de tribune, verstarde ik ter plekke. Als keurig stadskind had ik nimmer zoveel vreemdsoortige types bij elkaar gezien: mensen met hanenkammen, fietskettingen, tatoeages en in leren pakken.

Ik liet me onderdompelen in wat komen ging en het gevolg was verpletterend: het was liefde op het eerste gehoor.
Wel bleek ik een totale beginneling.
‘Wat is dat voor apparaat?’ vroeg ik aan Ster. Het geluid dat Bowie uit een kastje voortbracht leek op dat van een trein.
‘Dat is een synthesizer,’ legde ze uit, ‘daar kan hij elk geluid uithalen wat-ie wil, van een stoomlocomotief tot een fluitketel.’
Ik mompelde instemmend.
Daarna vertelde ze dat onze zanger een glazen oog heeft. Overgehouden aan een vechtpartij op school. Ik slikte alles voor zoete koek.

Na het concert was ik voor eeuwig fan. Ik kocht zijn vinyl en hing posters van hem boven m’n bed. Mijn moeder dreef ik tot wanhoop door zijn naam met balpen op m’n spijkerbroeken te schrijven.
Op school liep ik uit de pas met zijn buttons op mijn jas, want de groepsstandaard was  “Grease. ”

Bowie stapte door de jaren heen als een kameleon van de ene muziekstijl over op de andere. Ik ging er gewillig in mee, al heb ik voorkeur voor zijn oude werk. Zijn stem raakt de randjes van mijn ziel en ik herken ‘m uit tienduizenden.
Ik ben naar veel concerten geweest, maar heb nooit overwogen flauw te vallen of een slipje naar z’n hoofd te gooien.

Voor ik Joris leerde kennen, had ik een vriendje dat een pesthekel aan Bowie had. Ik denk dat-ie nu nog nachtmerries krijgt als hij een nummer van ‘m  op de radio hoort.

Joris heeft Bowie gewoon geadopteerd. Toen hij in de krant las dat Bowie in Nijmegen zou optreden, stelde hij voor er een uitje van te maken. Lief is nooit hartstochtelijk fan geworden maar zingt de meeste teksten luidkeels mee. Zelfs Roos is besmet. Al vindt ze dat ik de enige ben met “zo’n achterlijke ringtone op mijn mobiel.” En dat is nou precies de bedoeling …

Wat was jouw eerste (pop)concert? 

Concertkaartje Bowie

Ik neem knollen voor Lief

-Taart uit eigen tuin

Onze achtertuin is een georganiseerde bende, en ik doe er alles aan die zo te houden. Door Liefs inspanningen staan de laurierboompjes, buxusbollen en halfronde beukenhaag er gelikt bij, en ik wil niet flauw doen, maar netter moet het niet worden.
De klusjes die over blijven doe ik. Zonder al teveel structuur zwaai ik de hark over de tuin. Kieskeurig ben ik niet: akelei, stokrozen, vingerhoedskruid, zonnebloemen, riddersporen, vrouwenmantel, zenegroen en (o, alleen die naam al) wildemanskruid.

In het voorjaar, als Man en ik samen onkruid rukken – daarbij zwaar in de weg gelopen door Saartje  –  vraagt hij, wijzend naar een bladrozet: ‘Is dat iets?’
‘Ja,’ zeg ik dan.
‘Dat worden toch niet van die lange stengels hè?’
‘Nee hoor.’ Bij “nee hoor” kruis ik mijn vingers, want dan telt de leugen niet.

Stokrozen en vingerhoedskruid, Lief gruwt ervan. Ik probeer hem hun schoonheid bij te brengen. ‘Hoor je de hommels bbzzztik-tik-tikken in de hoedjes van het vingerkruid? En als ze eruit komen, zien ze geel van het stuifmeel.’
Man denkt er het zijne van.
Klaprozen? Vindt-ie rommel.
‘Heb je hun zaaddoosjes weleens gezien? Als je met de stengel schudt – hoor dan! – zijn het net sambaballen.’
De blik van Lief, ik zal ‘m je besparen.

Joris houdt van dahlia’s en gladiolen. Gladiolen, nou vráág ik je… Maar goed, uit liefde poot ik de bollen – die ik minzaam knollen noem – op een door mij uitgezochte geschikte locatie. Je ziet ze alleen niet vanuit de woonkamer…
Als ik geen zin  tijd heb gehad de uitgebloeide stengels uit de vrouwenmantel te knippen, geef ik ze toch water.
‘Waarom geef jij dat dooie gras water?’ wil Man weten.
‘Omdat daar kikkers onder wonen, plus nog een grote dikke pad met bulten. Die vinden dat vochtige klimaat fijn,’ zeg ik naar waarheid.
‘Heb je soms van het papaverzaad gegeten?’ vraagt-ie achterdochtig.
Daar ben ik dan mee getrouwd, mensen…

In de herfst: ‘Graaf jij die lange stengels even uit? Weg met die bende!’
‘Oké.’
Lief is onder de indruk dat ik doe wat hij zegt, en knikt tevreden. Ik graaf de stengels uit en zodra Joris zich heeft omgedraaid, schud ik kwistig het zaad in het rond, gelijk een pastoor met een wierookvat. Zo, met die lange stengels komt het volgend jaar weer goed.

Tuinieren, je kunt het een beetje vergelijken met een huwelijk: het blijft geven en nemen.

De oude koelkast

De oude koelkast

De telefoon gaat. Het is Bettie; een vage kennis van vroeger die naar Frankrijk is geëmigreerd. Meestal belt ze Greet alleen als ze een klankbord nodig heeft. Ruim een jaar geleden alweer dat ze elkaar voor het laatst gesproken hebben. Bettie weet niet eens dat Nelis chemokuren heeft gehad en sinds een week morsdood is.

Hij was geen fijne man geweest.
Toen ze nog jong was had Greet gehoopt dat het leven hem milder zou stemmen, tot ze begreep dat mensen niet veranderen. Ze had het geaccepteerd, net zoals ze het stoppen van het vieren van hun trouwdag had geaccepteerd. Uitgerekend toen zij een scheiding overwoog, kreeg Nelis slecht nieuws te horen.

Bettie wauwelt aan één stuk door.
Net als Nelis, die zeurde ook onafgebroken. Ook wanneer zij net een goed boek zat te lezen. Goh, denkt Greet verheugd, daar kom ik nu weer aan toe!

Ze hoort een luid gebrom uit de keuken komen. Het is weer eens zover! Ze loopt de keuken in en gaat met haar kont naar de koelkast toe staan. Ze maakt met haar onderlijf een beweging naar voren, gevolgd door een naar achteren, en ramt haar billen keihard tegen het oude kreng. Onmiddellijk stopt het gebrom.
Greet knikt tevreden: ze het apparaat het zwijgen opgelegd. Het wordt tijd dat ding te vervangen en ze heeft er niemands goedkeuring voor nodig!

‘Hoe gaat het met Nelis?’ vraagt Bettie.
Het is alsof Greet wakker wordt geschud. Ze weet dat Bettie geen uitgebreid antwoord verwacht; ze stelt de vraag alleen voor de vorm, ter afronding van het gesprek.
Ze bedankt er voor Bettie te vertellen van de hoed en de rand. Dat ze na het overlijden van Nelis alleen hun naaste familie heeft gebeld, en in plaats van rouwkaarten te versturen een advertentie in de krant heeft geplaatst.
Wat haar betreft spreekt ze Bettie nooit meer! Ze heeft genoeg van haar eenzijdige gesprekken.
Greet kan niet wachten met de rest van haar leven te beginnen.
Haar oog valt op de oude koelkast, en het is alsof op datzelfde moment haar de juiste woorden in de mond worden gelegd.
‘Goed,’ antwoordt ze, en ze hoort de overtuiging en tevredenheid in haar eigen stem. ‘Goed,’ herhaalt ze weer, ‘je hóórt ‘m niet!’

Natte hond

Het nadeel van een hond is dat-ie naar natte hond kan ruiken.
Mij zal het intussen worst zijn.
Maar dan Man.
‘Ze stinkt als ik zo doe,’ zegt hij, en bij “zo” houdt hij zijn neus vlak boven Rosa en snift.
‘Dan moet je niet zo doen,’ zeg ik. ‘Als jij thuiskomt uit je werk en je schoenen uittrekt, ruik ik toch ook niet aan je voeten?’
‘Nee, pap!’ doet Roos een duit in het zakje. ‘En je hoeft ook nooit te vragen of jij naar de wc geweest bent, want dan liggen de muggen dood op de vloer.’
‘Is het weer de jongen tegen de meisjes?’ fulmineert Joris een tikkeltje beledigd. ‘We kunnen Rosa toch wassen?’
‘Dat is niet goed voor de natuurlijke vetlaag van de huid,’ zeg ik.
‘Wel voor mijn neus,’ houdt Joris stand, ‘en daarom zijn er hondenshampoos.’

Iets zegt me dat ik deze strijd ga verliezen, maar ik geef het nog niet op.
‘Oké. Stel: we wassen Rosa vandaag. Morgen sjeest ze weer met volle kracht door de regenplassen, en ruikt ze weer hetzelfde: naar natte hond. Wen er nou maar aan!’

Zwijgend trekt Joris het plaatselijke suffertje naar zich toe. Op zijn gezicht verschijnt een grote grijns. ‘Dit is het!’ zegt hij. Met zijn wijsvinger zwaait hij triomfantelijk naar mij en hardop leest hij de aankondiging voor. We zijn meteen óm.

Die zaterdag is het bitter koud. Het waait en het regent, maar dat kan Roos er niet van weerhouden in bikini te verschijnen. Rillend spring ze het water in.
Nu Rosa nog. Bellenblazen aan de slootkant is één ding, in het zwembad springen een ander. Met zoete woordjes verleidt Roos haar het bad in.
‘Ze kan zwemmen!’ roept ze trots naar de waterkant.
Joris fotografeert als een bezetene.
Na een half uur, en na het in ontvangst nemen van een heuse Oorkonde baas-hond-zwemmen,” wordt de stop uit het buitenbad getrokken.

Weer thuis, opgedroogd en wel, ruikt Rosa he-le-maal nergens naar!
Ik check teletekst: voor de hele komende week worden buien opgegeven. Jammer, hè?

Circus

Voor het eerst sinds mijn heugenis streek er in ons dorp gisteren een circus neer.
Met een verkreukeld slaaphoofd hield ik bij het uitlaten van Rosa het plaatsen van de tent, caravans en dierverblijven in de gaten.
Ik vraag me altijd af wat er werkelijk schuilgaat achter de mannen met spierballen en honkbalpetjes, en de hoogblonde vrouwen van eind veertig die in petticoats de dubbele flikflak op een galopperend paard maken alsof slijtageverschijnselen aan hen voorbijgaan.
Mijn eerste impuls was dan ook te blijven staan tot het hele circus overeind stond maar de wind schuurde te veel tegen mijn wangen.
Ik nam me voor ’s middags terug te komen om persoonlijk kennis maken met een paar olifanten die ergens achter een dun draadje groenvoer zouden staan vreten. Met een beetje geluk geflankeerd door een stel spugende lama’s. Wat spektakel in het leven is altijd goed voor een mens.

Voor het gemak had ik buiten de nieuwe wet gerekend.
Met ingang van 15 september (gisteren, wat een toeval!) is er een optreedverbod van wilde dieren in Nederland. Ook het vervoer ten behoeve van optredens is verboden.

Nou had ik al regelmatig mijn bedenkingen over circussen. De kooien van tijgers zijn ijsberend klein en de penetrante lucht van pis eeuwig aanwezig.
Olifanten treffen het beter. Ze zijn toegankelijker in de omgang en zullen zich door trainingen en optredens minder snel vervelen dan soortgenoten in een dierentuin.

Toch had het optreden van de tijgers wel wat.
Je hoorde en rook ze fantastisch en ook de vraag of ze al dan niet zouden ontsnappen hield de gemoederen flink bezig. Er zat steevast een tijger tussen die niet deed wat de dompteur wilde, en dan dacht je: hoort dit bij de act of gaan we straks echt iets beleven?

De nieuwe wetgeving zal een totale omslag in de circuswereld zijn maar ik sta voorop als het om dierenwelzijn gaat. Als de verzorging van de uitgeprocedeerde circusdieren maar wel voorop staat.
Mij lijkt een optreden van varkens amusant. Dat zijn heel intelligente beesten. En zodra ze klaar zijn met hun optreden kunnen ze lekker naar buiten en door de modder rollen.
Geef toe: waar heb je dat de afgelopen decennia in Nederland nog kunnen zien?

varken in de modder

Dementors

Wat me bij de zelfmoord van Joost Zwagerman raakte, was dat niemand – op een enkele uitzondering na – wist dat hij depressief was.

Zijn alle depressieve mensen zo, vroeg ik me af.
Ik kan natuurlijk alleen mezelf als voorbeeld nemen. Wat je ziet is doorgaans wat je krijgt. Ben ik boos – wat zelden voorkomt – of blij dan kan je dat humeur van m’n gezicht schrapen.
Gaat het een paar dagen minder dan kan ik mezelf nog motiveren. Het is een kwestie van afleiding zoeken, mezelf een schop onder mijn kont geven en muziek opzetten. Vooral dat laatste werkt: voor ik het weet, neurie of zing ik mee.
Slaat de depressie op volle kracht toe, dan trek ik me als een slak bij droog weer terug in mijn huisje. Heb ik geen behoefte aan contact en laat de telefoon voor wat-ie is. Spreek ik onverwacht een bekende, dan negeer ik elke vraag in de richting van: hoe gaat het? De krant en het journaal sla ik over. Noem het struisvogelpolitiek, ik noem het kiezen voor mezelf.

Wanneer Roos slecht in haar vel zit, zeg ik: ‘Als je mag lachen, mag je ook huilen.’ Uiteraard zijn adviezen altijd voor een ander want met mijn eigen verdriet weet ik geen raad. Het zal wel te maken hebben met dat ik elke situatie in de hand wil hebben; vooral mezelf.

Je hebt depressieve mensen die heel de dag hun bed niet uitkomen. Dat heb ik nooit gehad. Sport was mijn uitlaatklep. Zes dagen per week stapte ik op m’n racefiets of trok m’n hardloopschoenen aan. Zondag was een rustdag en wandelde ik met Man en Kind tien kilometer. Door mijn chronische vermoeidheid loop ik vast. Het is een vieze cirkel.

Depressiviteit is geen kwestie van flink zijn en je schouders eronder zetten. Dat gaat ook moeilijk als je het gevoel hebt dat je met een rugzak vol stenen tegen een berghelling oploopt terwijl Dementors het leven uit je wegzuigen.
En chronisch ziek zijn is zwaar, want het vraagt om chronisch optimisme.

Slechts ter uitzondering wil ik erover praten. Ik zie er het nut niet van in want over depressief zijn valt niets nieuws te vertellen.
Je moet zelf de dag zien door te komen; je eigen lichtpuntjes zoeken.
Het zijn kleine dingen: een kaartje (of cadeautje) per post of opstaan met een wijsje in je hoofd. Soms bel ik m’n  vriendin die aan een half woord genoeg heeft omdat de klank van mijn stem boekdelen spreekt.

Hoe erg ik het ook vind voor de nabestaanden van Joost Zwagerman, ik kan zijn beslissing begrijpen. Soms is het leven angstaanjagender dan de dood.

Niki Lauda

Ik rijd in een auto van 65.000.
Op de teller.
Ze is blauw, heeft geen spatje roest en is altijd gretig te vertrekken. Op een enkel incidentje na is ze zo betrouwbaar als een hond. Wanneer ik de achterbank neerklap, past mijn racefiets achterin. Een airco heb ik niet nodig want alle ramen kunnen open. Per jaar komt er ongeveer 10 duizend kilometers bij, dus ze kan nog decennia mee.
Geen centje pijn.
Op één dingetje na.

Ik rijd graag op de snelweg (met uitzondering van de stukken waar je maar 80 km/uur mag.) Mijn auto rijdt alleen niet graag harder dan 120 km per uur te. Dan begint ze lawaai te maken en het stuur te trillen. Jammer, want ik houd van gassen. Lief noemt me dan ook Niki Lauda. Nee, met mij loopt het beter af dan met hem…

De rit van mijn leven had ik vijf jaar geleden vanuit de Ardennen.
Joris had in de vakantie een slippertje gemaakt, zijn voet gebroken en moest in het gips.
Hij zuchtte diep maar kon niets anders verzinnen dan dat ik in zijn auto naar huis zou rijden.
Op de terugweg zat hij met knikkende knieën naast me. Hij mocht geen commentaar leveren, want dat kon-ie op de trekhaak gaan zitten.

De fietsendrager zat achterop de auto en het waaide hard. Zoevend reden we heuveltje op en heuveltje af en raasden met 140 km/uur over de snelweg. Ik trapte het gas nog een beetje verder in.
‘Wanneer stijgen we op?’ vroeg Lief met een hoog stemmetje.
In Antwerpen bemoeide hij zich één keer met de navigatie en prompt reden we verkeerd.

Dit jaar wilde ik Lief een slipcursus als verjaardagscadeau geven. Gewoon, voor de leut. En dan zou ik voor de gezelligheid meegaan. Hij vond het maar een vreemde geste. Ik heb nog geprobeerd Roos over te halen, maar zij vindt het eng. Onbegrijpelijk…

Dit voorjaar zat er een plastic kaartje onder mijn ruitenwisser: of ik –  wanneer ik mijn auto wil verkopen –  eerst contact met ondergetekende wil opnemen. Meteen het kaartje in stukken geknipt. Wat denkt-ie wel niet? Ik rijd straks in een klassieker! Hoeveel mensen kunnen dat nou zeggen?

Volvo katterug

 

Straatgevecht

‘Ben jij nog steeds bij dezelfde man?’
Ik vind het zo’n absurde vraag dat ik peins of ik ‘m wel goed verstaan heb.
De vrouw echter herhaalt de vraag.
Ik ben vandaag in een jolige bui, dus houd ik het vriendelijk. Besefte ze het maar.
‘Ja hoor,’ zeg ik ‘en ook nog met plezier.’
‘Geen klachten over je man?’ informeert ze vrijpostig.
‘Als ik klachten heb over m’n man zeg ik het tegen hem en niet tegen jou.’
Dat moet de vrouw even laten bezinken.

Ik ken haar vaag van gezicht van sporten na de zwangerschap. Ze kreunde meer dan dat ze bewoog. Toen al had ze een borstenpartij, een maag, buik en professioneel vet haar en in die situatie is geen verandering gekomen.
Hoe ze heette ben ik vergeten.

‘Ben jij nog bij je man?’ aap ik haar na.
Ze maakt een snurkend geluid. ‘Ikke niet,’ zegt ze. Met haar hand maakt ze een wegwerpgebaar. ‘Hij was schoonmaker…van plan zijn eigen schoonmaakbedrijf te beginnen…huh! Verder dan de gedachte is het nooit gekomen.’
‘Had je hem geen handje kunnen helpen?’
Ze negeert mijn vraag en schalt onverstoorbaar: ‘Mijn tweede man was boekhouder. Dát verdiende goed!’ Even glimmen haar ogen, dan: ‘Maar hij was dodelijk saai. De vriend die ik nu heb is leuk…maar ja…hij heeft vier kinderen. En ik haat kinderen,’ zegt ze vol overgave. In één adem vervolgt ze: ‘Hoe jij het uithoudt met één man, is me een raadsel. Verandering van spijs doet eten. Jij hebt vast nog keus,’ knipoogt ze.
‘Mijn man heeft meer pit in één teen dan die drie kerels van jou bij elkaar. En ik ben veel kieskeuriger dan jij,’ kaats ik.
Ze is verbluft door deze onverwachte wending en valt stil.
‘Ben je altijd zo brutaal of alleen vandaag?’ informeer ik.
‘Ik hoor wel vaker dat ik brutaal ben, ja,’ zegt ze aarzelend. Ineens verandert ze van onderwerp en vraagt: ‘Jouw dochter…die woont toch nog thuis?’
Ik knik stilzwijgend. Hoe komt zij aan die wijsheid?
‘Je moet haar loslaten!’ roept ze fel.
Ik ben in de stemming haar keihard om de oren te slaan. Of minstens luidkeels foei! te roepen, zoals bij Rosa. Maar om mijn goede bui te bederven is meer nodig.
Koeltjes zeg ik: ‘Moeten doe ik alleen op de wc.’
Aan de vrouws ogen zie ik dat het muntje niet valt.
Ik verbeeld me dat mijn ogen de lopen van een kanon zijn en schiet.
Het is een voltreffer. IJlings maakt ze zich uit de voeten.

Geheim exportproduct

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor de maand september met als thema: “Handelen.”

Een lange colonne vrachtwagens rijdt richting de Syrische grens.
Tijdens het gebruik van de gezamenlijke maaltijd speculeren de chauffeurs over wat ze vervoeren.
Ondanks het lage gewicht, wordt er door alle overheden bijzonder zwaarwichtig over gedaan.
Jules-  een lange, magere man met baard- zegt: ‘Alle Schengenlanden leveren een bijdrage, maar niemand weet wat.’
Een kerel met een aanzienlijke buik antwoordt: ‘Gisteren sprak ik een Vlaamse collega; hij is ook niet verwittigd. Hij zei dat het gewicht van zijn camion ná de weging exact hetzelfde was als ervoor.’ De spreker  – Jean – trekt betekenisvol zijn wenkbrauwen op. Zijn vermoeide ogen worden even de helft groter. Hij vervolgt: ‘Is het jullie opgevallen dat de lading nergens gecontroleerd mag worden? Niets van binnen schijnt zich te mogen mengen met buiten. Wat kan dat voor buitengewoons zijn?’

Aan de grens
Het is bladstil. De middaghitte is moordend.
Alle hoogwaardigheidsbekleders zitten opgesteld onder een witte tent.
De vrachtwagens staan in het gelid met hun achterste naar Servië gekeerd.
Diverse tolken spreken om beurt in de microfoon.
‘Idioot circus,’ mompelt Jules in zijn baard. Hij is het geleuter beu. In de verte klinkt het geluid van artillerievuur en beschietingen. Zo dicht bij de oorlog is hij nog nooit geweest. Je zal er wonen met je kindertjes, peinst hij. Ondanks de hitte voelt hij een rilling.

‘Wat u vervoerd heeft…’ spreekt de generaal, ‘is gratis en tegelijkertijd ons kostbaarste exportproduct. Mannen en vrouwen… het moment van de waarheid! Open de vrachtwagens en laat de inhoud verwaaien met de wind!’
Er stáát geen wind, denkt Jules terwijl hij de grendels verschuift en de deur opent. Hij kijkt en kan zijn ogen niet geloven: zijn wagen is leeg.
Om hem heen gonst het van verontwaardiging. Wat hebben zij vervoerd? Iedereen kijkt verward naar de generaal die met zijn beide handen het V-teken maakt.

vrede