Het lintje van de koning

Willem vond het een lot; een tragedie. Hij sprak er zelden over. Welgeteld eenmaal uitte hij zijn diepste verlangen tegen zijn vrouw en kreeg daar meteen spijt van.
Ze had haar wenkbrauwen opgetrokken tot aan haar haargrens en gezegd: ‘Vrijwilligerswerk doe je toch omdat je er voldoening uit haalt?’
‘Ja, ja, ja,’ had hij haar direct verzekerd, ‘maar toch…een lintje geeft een bevestiging van je inzet. Het is, nou ja, het zou de kroon op mijn werk zijn.’
Zijn vrouw had hem laatdunkend aangekeken en Willem had zijn zucht binnengehouden.

Met hart en andere organen deed hij allerhande klussen voor het bejaardenhuis. Vervoeren van de bewoners naar het ziekenhuis; duo-fietsen; rondgaan met de broodkar of koffie schenken. Desnoods hield hij een paraplu boven iemands hoofd als het regende; áls hij maar iemand kon helpen.

Het was waar: in het diepst van zijn hart ambieerde hij een lintje van de majesteit. Een stuk lint met een kruis. Een koninklijke onderscheiding die zou aanvoelen als een ridderslag. Het stak hem als een likdoorn in zijn oog dat het Beatrix niet behaagd had. En hoe reëel was het dat de burgemeester het hem in naam van koning Willem-Alexander zou opspelden?

Helene staarde door het raam naar de tuin. Het glas besloeg, ze draaide zich om en ging weer aan de keukentafel zitten. Ze pulkte met haar nagels aan een velletje onder de nagelriem van haar duim. Net zolang tot ze het er afgetrokken had en het ging bloeden.
“Heb je nou je zin?” zou haar man gevraagd hebben. Maar Willem zou het nooit meer vragen en ook nooit meer opstaan om een pleister voor haar te pakken.
Tranen drupten op het papier dat voor haar op tafel lag.
Helene snoot haar neus in een tissue, depte het papier droog en sprak zichzelf streng toe. Ze moest nu een beslissing nemen!

Dit was het laatste wat ze voor haar man kon doen.
Ze bleef worstelen met de vraag in hoeverre ambtenaren – pennenlikkers die alleen op regels letten – verder lazen dan hun reukorgaan lang was. In hun vrije tijd.
Schamperend haalde ze haar neus op. Ineens liet het haar koud. Net zo koud als het lichaam van haar man nu was. Maar bij haar ging vanbinnen een vuurtje branden. In één ruk schreef ze de advertentie: 

Heden is uit ons midden gerukt,
mijn lieve zorgzame man,
Willem Vangoedewil,
Ridder in de orde van Oranje-Nassau.

Omvallen als een oude heer

Keek op de week (56)


Man zag blauwe flits: een ijsvogel. Hij wel!
‘Vogel vloog telkens langs pad stukje voor me uit,’ vertelde Joris trots. Alsof ijsvogel Man had uitverkoren om zich aan hem te openbaren.
‘Waar dan?’ vroeg ik. Ben principieel tegen jaloezie. Heb vaak last van principes. Luisterde met stijgende hunkering.
‘Langs pad van Dick. Ik kon ‘m goed zien, joh!’ wreef Joris er genotzuchtig in.
Wilde lelijke dingen roepen. Vragen: O ja? Had je je bril op?
Vond dat vals dus zweeg. Gun Man z’n verzetje. En mezelf zicht op fluorescerende visser.

Tijd is raar iets.
Zes jaar geleden overleed m’n schoonmoeder. Is lang geleden en lijkt tegelijkertijd gisteren.
Hoe blij we waren dat haar leed voorbij was.
Hoe bedroefd we naar huis reden.
Zwijgend. Donker was het; en mistig. Joris reed blindelings over dijk. Ineens gleed lichtstraal van boven voor ons uit over weg. Bocht voor bocht voor bocht.
Heb het gezien, zou het anders niet geloven…

Omgewaaide boom was oudste van dorp en stond op Monumentenlijst.
Ruim 150 jaar: beide wereldoorlogen en watersnoodramp overleefd. Was in goede conditie maar gaf onverwacht strijd tegen storm op. “Hij viel om als een rustige oude heer,” zei eigenaresse.
Boom was een hemelboom. Daar is-ie nu ook.

‘Wat heb jij een gave tas!’ gilde lieve kennis in bieb.
Alle gekken keken.
Hield tas omhoog voor m’n gezicht: iedereen blij. Vooral ik.
‘Moet dat zo hard?’ vroeg ik streng.
‘Sorry,’ antwoordde kennis schaterend. ‘Waar heb je die gekocht?’ vroeg ze hebberig.
‘Nergens.’
‘Heb je ‘m gehad?’
‘Nee, gekregen.’
‘Dat is hetzelfde.’
‘Dat is een wezenlijk verschil.’
Whatever. Mag ik ‘m vasthouden?’ bedelde kennis.
Vooruit dan.
Koket liep ze langs boekenplanken.
‘De tas is een plaatje,’ complimenteerde biebmedewerkster, en vroeg: ‘U bent een ouderwetse boek-o—fiel?’
‘Van kaft tot kaft,’ zei ik. En toen wilde ik m’n tas terug.

De 18-jarige Robbie (zoon van “Meer dan Mamma”) traint om in juni met schoolgenoten de Alpe d’Huez op te fietsen: Flevoland Fiets Tegen Kanker. Help jij hem?
Zijn moeder haakt kleurige inktvisjes die € 3,50 euro per stuk kosten.
2,50 € gaat naar KWF. Van het resterende bedrag wordt materiaal gekocht.
1e doel: 140 octopusjes. Score per 26-01-2018: 41.
Uiteraard zijn donaties ook zeer welkom. Klik hier voor info.
Ik verloot 3 octopusjes. Roept u maar!

Foto van Melody

Getracht pianofilmpje van Roos te maken. Vrees dat het blooper-filmpje wordt.
Als eerste moest rekje verwijderd worden. Dat staat om piano om te voorkomen dat Saar haar tandtekening in muziekinstrument achterlaat. Bleek bij terugkijken dat weggezette hekwerk er alsnog op stond. Wie heeft er nou groen rekje in woonkamer? Niet wij!
Klok op de achtergrond klonk luider dan piano.
Saartje liet hooibal deskundig alle tralies van haar hok zien.
Hond wilde NU aandacht en probeerde kop op Roos’ schoot te leggen. ‘Rosa, zout op!’ klinkt niet zuiver tussen klassieke klanken.
Wordt vervolgd…

Laad me met rust

‘Mevrouw, zou u even een paar meter verderop willen gaan staan? vraagt een studentiekoos type met een klembord in z’n hand.
‘Wie? Ik?’ vraag ik.
‘Ja, u.’
Verbijstering gaat met me op de loop maar ik houd stand.
‘Wil je erbij?’ vraag ik met een hoofdknik naar het schap met panty’s waar ik voor sta.
‘Nee, dat niet,’ antwoordt de jongeman met een raadselachtige glimlach. ‘U hoeft alleen maar even bij de rookworsten te gaan staan.’ Hij zegt het op zakelijke toon en gebaart met het klembord welke richting ik op moet lopen.
Hij is best leuk. Blauwe ogen. Een hoofd vol springerige krullen. Geen baard.

Ik begrijp er alleen geen hol van.
Je kan op dit moment een mitrailleur leegschieten in de Hema; de jongeman heeft geen belangstelling voor panty’s; er is geen brand; nergens een verstopping in een gangpad en het belangrijkste: ik blief geen worst.
Wat denkt deze leukerd? Dat ik een stakker met problemen ben? Wie mij weg wil jagen moet met steviger geschut komen. Een camera bijvoorbeeld; dan hól ik. Ik draai me om en concentreer me weer op mijn zoektocht naar nylons in de maat XXL. Kleiner hoef ik ze niet want dan hangt het kruis halverwege m’n schenen.

‘Mevrouw…’
Met een zucht draai ik me om. ‘Weet je moeder dat je hier bent?’ vraag ik vals maar op vriendelijk toon. ‘Ga bij haar koffie drinken of zo, maar laat mij alsjeblieft met rust. Oké?’
Kakel, Kakel, wat maak jij toch gemakkelijk vrienden…

Ik verwacht een teleurgestelde jongeman met een gezicht als een afdruiprek te zien, maar hij loopt met een grijns naar me toe, inclusief een uitgestrekte hand die ik negeer.
‘Gefeliciteerd, mevrouw. U bent een uitzondering! Ik zal het kort uitleggen: ik ben student psychologie aan de Erasmus universiteit en mag hier onderzoek doen in hoeverre mensen manipuleerbaar zijn, en dat bent u niet!
Sodeju! Iedereen maar zeggen dat ik dwars en eigengereid ben, terwijl ik gewoon niet-manipuleerbaar ben!

Mag ik u misschien enkele vragen stellen?’
‘Liever niet,’ houd ik vol.
‘Het antwoord op de eerste vraag weet ik al, hoor,’ zegt de student jolig.
‘Sorry,’ zeg ik, ‘vandaag heb ik geen goede dag.’ Het is nog waar ook. Ik zak bijna door m’n hoeven van vermoeidheid. Ik moest dringend naar de reformwinkel en sleepte me met m’n laatste restje energie naar de Hema, biddend dat ik onderweg geen bekenden zou tegenkomen. En thuis moet ik nog koken. ‘Als je wil, mag je de vragenlijst naar me mailen en vul ik ‘m thuis in,’ bied ik aan.
Hij wuift mijn aanbod weg. ‘Bedankt voor het meedenken, maar ik laat ik u verder met rust. Eén dingetje nog: in welke leeftijdscategorie valt u? Ik gok tussen de 20 en 30 jaar.’
Deze grap heeft hij ongetwijfeld honderd keer eerder gemaakt, maar ik vind ‘m geniaal. Mijn lach schalt door de lege winkel.
Werd het tóch nog gezellig.

Niet zo mooi!

Keek op de week (55)

Droomde dat ik zat opgesloten op politiebureau.
‘Weet u waarom u hier bent?’ vroeg agent. Hij ging zitten op enige stoel in vertrek.
Ik zei: ‘Zal weer te hard over de dijk gereden hebben.’
Er klonk een irritante zoemer. ‘Dat is fóut geantwoord,’ sprak agent.
‘Is het een quiz?’ hoonde ik. Stem in hoofd zei: Kakel, houd je waffel, zo kom je nooit op straat.
Agent zei: ‘Als u volgende vraag goed beantwoordt, mag u naar huis. Komt-ie: Noem iets waar u heel goed in bent’
Politieman sloeg mij met stomheid. Had er zichtbaar plezier in.
Begon lukraak dingen te roepen die niet waar waren: ‘Koken. Wielrennen. Hardlopen. Zingen. Voorlezen.’ Na elk antwoord klonk de zoemer. Steeds weer die zoemer.
‘Telefoneren!’ riep ik.
Zoemer. ‘Leugenaar!’ riep agent.
Liep naar het raam en zette tanden in tralies. Ze waren niet van chocola. Wilde mijn cowboylaarsje uittrekken om ermee te slaan maar liep ineens blootsvoets.
‘Eh…doorzetter? Kordaat? Aansteller?’ Telkens die zoemer. Wist opeens m’n eigen naam niet meer. Was malende. Begon door te draaien.
‘Word wakker’ schudde Man. ‘Je droomt.’
‘Ik mag niet naar huis want ik kan de vraag niet beantwoorden,’ snikte ik.
‘Wat voor vraag?’ vroeg Man verveeld.
‘Waar ik goed in ben.’
‘Je man uit z’n slaap houden,’ bromde hij.
Draaide me om en wist plots het antwoord: blind typen met tien vingers.

‘Heeft u voor mij navulling voor mijn vulpen rollerpen? Een blauwe, graag,’
‘Blauw is slecht leverbaar, mevrouw. We hebben alleen zwart.’
‘Ik houd niet van zwart,’ sprak ik stellig doch herstelde snel. ‘Niet van zwart schrijvende pénnen bedoel ik.’
Verkoopster sprak begripvol: ‘Tegenwoordig mag je ook niets meer zeggen, hè?’
Ga dat toch doen: negerzoenen, jodekoeken, Haarlemse meisjes, Moriaantje zo zwart als roet, blanke vla, Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht!

Roos ging naar bijleskind. Stuurde snapchat van nieuw aangeschafte pontkaart: “Ticket to hell. Oh nee, naar bijles.”
Thuis vertelde ze: ‘Halverwege overtocht viel enorme hagelbui. Chinese toeristen vingen korrels op in handen. Riepen: What is this? Raining ice!
Oude man riep: Hagel!
‘What?
HA-GOL!
Nimmer van gehoord of gezien. Stakkers in China missen daar echt wat.’

Was waaibomendag.
Tweede westerstorm van het jaar. Vogels deinden zeeziek in de bomen. Vrachtwagens kantelden. Huizen raakten dak kwijt. Treinen vielen stil maar pont voer gewoon door. Water in Lek stond hoog! Auto’s hoefden vanaf dijk niet kade naar beneden af te rijden maar konden rechtstreeks pont op.

Niet zo mooi was dat boom op m’n favoriete kledingwinkel “O zo mooi” waaide. Haalde zelfs voorpagina van AD.
Vervelend: moet ik ze binnenkort bezoekje brengen ter financiële ondersteuning.

De dag die ik wist dat zou komen.”
Ben weer jaar wijzer.
Zou gaan lunchen met Roos maar had energie-dip. Maakte Kind onze favoriete clubsandwich gewoon thuis: geroosterd boerenbruinbrood, reepjes gebakken kipfilet en ontbijtspek, gekookt ei en sla. Daarna samen wel buitenshuis cappuccino gedronken.
Bedankt voor alle lieve kaarten, WhatsAppsberichten, cadeautjes via Tante Post en felicitaties op fb ♥

HEPL en Recht

Roos werkt als een wervelwind sinds ze in september begonnen is aan een dubbele Master aan het Erasmus. Ze volgt “HEPL” (Health, Economics, Policy and Law) een logisch vervolg op de bachelor die ze vorig jaar gehaald heeft.
En “Premaster recht.” Dit is een bachelor van drie jaar die in één jaar wordt gepropt. Alle inleidende vakken zijn geschrapt en docenten veronderstellen dat in studenten de kennis van derdejaars vakken zit. ‘De slavendrijvers,’ foetert Roos.
Slaagt Kind voor de Premaster dan kan ze volgend studiejaar haar definitieve Master “Zorgrecht” gaan volgen.

Dat ze twee studies tegelijk doet, is Roos’ eigen voorstel en heeft vooral een financiële reden. De overheid subsidieert namelijk één Masterstudie: je betaalt 2.000 euro in plaats van 10.000.
Nu zit er een joekel van een Maas in de wet. Of een Lek, waar wij aan wonen.
Wanneer je voor één vak van je eerste Master zakt, dan kan je aan een tweede Master beginnen met hetzelfde lage tarief.
Een kronkel van jewelste, maar je bent een dief van je portemonnee als je het laat.
Er is wel een probleem: zakken voor een vak zit niet in Roos’ systeem. Het cijfer zes vindt ze lelijk en een zeven te min. Mij zie je niet trillen van jaloezie met zo’n instelling; ze heeft het dan ook van een vreemde.

Een gedachte die knelde als een zwerfkei in haar schoen was dat beide studies volgen te zwaar zou zijn. 

‘What if I fail?’
‘Oh, my darling, what if you fly?’

‘Dan heb je het geprobeerd en dat vind ik dapper,’ zei ik. ‘Meer dan je best kan je niet doen. Kijk het aan tot kerst.’
Het waren intense maanden en ze is er nog niet…
Joris en ik spreken haar zelden: ze zit op de EUR of is onderweg.
Roos moet het nodige inleveren, wat niet meevalt voor een keiharde levensgenieter, maar alle gemaakte tentamens zijn binnen. In een moordend tempo appt ze haar vorderingen met ruime zevens/achten. En voor het eerst jubelde ze vanwege een zes, want het betrof een “grafvak.”

Het is een wonder dat ze alle kegels in de lucht houdt, want haar uitstelgedrag is van de buitencategorie. Als ze zeven weken voor een opdracht heeft, relaxt ze het liefst zes weken en zes dagen om zich daarna een slag in de rondte te werken.

Tussendoor is ze nog wel even voorzitster van het Erasmuskoor geworden, want alleen met een studie bezig zijn, is té saai. Ze heeft een bijleskind dat dit jaar eindexamen havo doet en tussendoor geeft ze de piano van jetje.
Mocht iemand in mijn nabijheid verkondigen dat studenten lui zijn, dan timmer ik hem/haar persoonlijk op de broodmolen!

Frontaal gebotst

Keek op de week (54)

Hebben nieuwe gasaansluiting. Mannen met baarden groeven grond open. Klapten bord uit: “Roken en open vuur verboden” met aan weerszijden rood brandblusapparaat. Zag er indrukwekkend uit.
Koffie ging er bij baarden in als koek.
Installeerden nieuwe pijp en drie uur later was klus geklaard.
‘Mevrouw, u mag cv-ketel resetten. Weet niet wat voor ketel u heeft,’ zei oudste baard.
Antwoordde schaapachtig: ‘Ik ook niet.’
Liep naar zolder, maakte foto van bedieningspaneel en holde terug.
‘Díe knop moet u hebben.’
Was makkie. Verwarming deed het weer. Lekker, joh!

Had gekookt. Doe dat vaker: aardappelkroketjes, gezonde groenten, en zalm omwikkeld met ontbijtspek uit oven.
‘Welke stuk wil jij?’ vroeg ik aan Joris.
‘De kleinste,’ zei hij.
Legde kleinste stuk zalm op eigen bord.
Wilde groter stuk op Joris’ bord schuiven maar Man duwde opscheplepel  terug. Vis verloor z’n evenwicht – hij leefde nog – en spartelde zo in Joris’ schoot.
Het huis was te klein.
Paar uur later kwam Roos thuis van college en plofte uitgeput op bank.
Man deed beklag over welk geploeter met vis hem was overkomen. Had verwacht door dochter met respect en meelevende blik bekeken te worden, doch Roos sprak  toonloos: ‘Nou, dan heb je echt wat meegemaakt.’

Het was typisch, naargeestig januariweer.
Op de dijk reed idioot achter me met flinke haast; zijn zenuwstelstel rechtstreeks verbonden met gaspedaal. Kleefde niet op me maar ín me en zou me weldra vooruit duwen in zijn macho Badkuip Met Wielen.
Joris en therapeut beweren bij eb en bij vloed dat ik temperamentvol type ben maar ik weet beter. Reed maximum snelheid en ging langzamer rijden.
Idioot besloot me in te halen via parkeervak aan linkerzijde van weg. Was kamikazeactie: pal vóór onoverzichtelijke bocht in dorp, en te weinig ruimte.
Remde onmiddellijk, rolde traag door bocht en zag het fout gaan.
Rechts langs de weg – pal naast woonhuis – stond kruiwagen met berg zand. Idioot moest links geparkeerde auto’s omzeilen, maar kon door hoge snelheid niet tijdig bijsturen, slipte en reed met hels kabaal frontaal tegen kruiwagen. Kwam paar meter verderop in grind tot stilstand. Schrok me het lazarus.
Trillend als mispelblad zette ik auto aan de kant en stapte uit. Als er niemand thuis was, zou ik briefje door brievenbus doen dat ik wilde getuigen.
Hoorde bestuurder luidkeels vloeken, voetstappen in grind, en diepe basstem brullen: ‘Wat een áchterlijke actie! Hoeveel seconden tijdswinst heeft het opgeleverd? Geen moer! Ik hoop dat je goed verzekerd bent, knul…’
Wist genoeg en draaide me om.
Kon onderweg maar aan één ding denken: wat als kruiwagen een kind was geweest?

Ook alweer twee jaar geleden…

Draaideurpatiënt

Afgelopen jaar heb ik diverse disciplines in de geneeskunde bezocht.

Nergens vind je zo’n afspiegeling van de maatschappij als in wachtruimten van ziekenhuizen.

Twee dames uit het hogere segment namen naast mij plaats. Ze droegen zoveel make-up, het leken wel wandelende schilderijen.
De vrouw met paardenstaart diepte uit haar tas een tablet op. ‘Er is hier toch wel gratis wifi, hè?’ vroeg ze met een kak-rrrr aan haar vriendin.
‘Vast wel,’ antwoordde die geruststellend.
Paardenstaart liet foto voor foto voorbij glijden. Zijdelings loerde ik mee en zag een witte keuken. Herstel: een witte vlek. Vloer, plafond, apparatuur, kozijnen, lampen, kookeiland…alles was uitzichtloos wit.
‘Was een klus de perfecte handgrepen te vinden,’ klaagde Staart. ‘Alles heeft een ribbel of randje.

Ik weekte mijn ogen los van het scherm en keek naar twee dames links van mij. Qua opstelling en gedrag zouden ze een tweeling kunnen zijn. Een stoïcijnse blik; handtas op schoot; gehuld in pleisterkleurige kousen en comfortschoenen.

Tegenover me liet een jongeman met overtuiging een boer. Zijn moeder stootte hem met haar elleboog vinnig aan.
‘Wat nou!’ riep de knul.
‘Je benniet thuis!’ snerpte ze.
De zoon zette een ongeïnteresseerde blik op en schraapte een rochel omhoog.

Een echtpaar kwam binnen. De vrouw in beige regenjas dirigeerde haar man naar twee stoelen. ‘Ga jij daar zitten. ik regel alles.’
Na zich gemeld te hebben bij de balie ging ze naast haar man zitten. ‘Ik denk dat we zo aan de beurt zijn,’ zei ze voldaan.
‘Mens, heel de wachtkamer zit vol,’ bromde haar man.
‘We hebben een afspraak om 15 uur 15 en tijd is tijd,’ zei de vrouw op afgemeten toon.

Paardenstaart veegde verder en we belandden in de woonkamer. Wederom alles wit.
‘Mooi, hè?’ wees ze naar het behang. Het lijkt simpel, maar wit behang uitzoeken…’
‘Zullen we straks beneden nog even koffiedrinken?’ onderbrak haar vriendin de monotone rondleiding.
‘Hier om de hoek kunnen we gratis koffie pakken,’ antwoordde Staart. ‘Weet je hoeveel kleuren wit….’

Mens, mens, wat een geleuter.
Ik was een halfuur te vroeg en de afspraak liep een halfuur uit. Ik trok het effe niet meer, stond op en ging op zoek naar de koffieautomaat waar Staart het over had.
Op de gang rolde een oudere man in een stoel voorbij die tegen zijn zoon foeterde: ‘Koken kon ze ook niet! Ik had dat mens veel eerder de deur uit motten douwen!’
‘Rustig nou maar, pa. Ze is nu toch weg?’

De koffieautomaat om de hoek bleek ook heet water te verschaffen, en met die oogst liep ik terug de wachtruimte in, en ging in de buurt van de Tweeling zitten. De afwezigheid van witte ruis beviel me maximaal. Net toen m’n beker water leeg was, verscheen de neuroloog.

‘Nu zijn wij aan de beurt,’ zei de vrouw van de regenjas, en sjorde aan haar man ’s arm ten teken dat hij overeind moest komen. Hij ontworstelde zich aan haar greep maar ging toch staan.

‘Mevrouw Kakelbont,’ riep de neuroloog.

Moeten wachten in een ziekenhuis kan een tergende bezigheid zijn.
Aan mij lag het niet: zes minuten later stond ik weer op de gang.

De flamingo en de krokodil

Keek op de week (53)

Ben door cvs snel overprikkeld voor licht en geluid. Werd Oudejaarsdag gallisch van  vuurwerkknallen; leek wel oorlog. Deed oordoppen in maar KA-BOEMSs kwamen er doorheen. Roos wist oplossing. Gaf me haar hoofdtelefoon met omgevingsgeluidendemper. Zocht op YouTube naar crackling fireplace with thunder, rain and howling wind, duwde me in een stoel en zette zelfgeklopte cappuccino voor m’n neus.
Ondanks Kinds goede zorgen is mijn enige voornemen: ga laatste dag van dit jaar onder steen liggen.

Had zin uit comfortzone te stappen en besloot Nieuwjaarsduik in de Lek te maken in naburig dorp. Samen met stuk of zestig andere idioten. Gekleed in rookworstmuts en badpak (was bang dat door kou m’n bikinibroek op m’n enkels zou zakken) rende ik over aangeharkte strand door vrijwilligers het ijskoude rivierwater in. Snel door de knieën zakken tot schouders nat zijn en metéén weer eruit.
Alleen in gedachten, hoor. Ben toch niet gek?

Dit krijg je wanneer in huize Kakelbont iets op de grond valt: Saar zet haar gebit erin.

Gewend aan dergelijke tandafdrukken, keek ik verheugd bij zien van deze kaart uit Belarus.
Deze Postcrosser heeft óók huiskonijn!

Helaas. Mijn enthousiaste verdampte tot vriespunt na lezen van bijgevoegd briefje van Tante post:

‘Wat vind jij de allerbeste voetballer van de wereld?’
Jongen dacht tijd na, riep toen: ‘Kuyt!’
‘Die voetbalt niet eens meer.’
‘Nou en? Ik vind hem de beste, Floyd.’
‘Dan vind ik Gullit de beste. Hij is een legend,’ antwoordde Floyd.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten gaf hij een loeier tegen voetbal.
‘Naast!’ riep Kuyt en holde achter bal aan.
Floyd riep: ‘Schiet ‘m tegen die hond!’
Kuyt keek aarzelend van vriendje naar mij en Rosa.
Ik wilde zeggen: ‘Dat doe je maar één keer,’ maar beheerste me. Jongens waren 9 of 10 jaar en gewoon beetje baldadig.
‘Zijn jullie goeie voetballers?’ vroeg ik.
‘Ja! Ja! Ja!’ juichten ze.
‘Goeie voetballers schieten niet op honden.’
‘Het was ook maar een grapje, mevrouw.’
‘Ik wíst het!’

Heb zo’n leuk nichtje van twee jaar en handvol maanden.
Jolie zat met ouders en grootouders aan strand op Curacao en speelde met zand, zee, en schepjes.
Er stapte een flamingo voorbij. Gefascineerd keek Jolie naar het beest. Gilde blij: ‘Mama, kijk! Een krokodil!’

De netelige situatie

Teun stapte het grand-café binnen en ging aan een tweepersoonstafeltje bij het raam zitten.
Een kerel sleepte een kerstboom achter zich aan en gooide ‘m naast de deur van het etablissement op de grond. Binnen begroette hij de uitbater joviaal: ‘Mijn beste wensen nog! Ik kom voor m’n gratis bakkie koffie.’
‘Gratis koffie?’ zei de eigenaar. ‘Dat is een vergissing.’
‘Het stond in de krant,’ hield de man vol.
‘Géén advertentie van ons,’ antwoordde de uitbater kortaf.

De man van de kerstboom liep als een geschopte hond weg en liet als blijk van waardering de deur openstaan.
Kwaad beende de eigenaar hem achterna: ‘He! Neem je boom mee!’
De wegloper draaide zich even om en riep: ‘Smerige vrek!’
Een juiste typering, constateerde Teun tevreden.
‘Dat is toch niet normaal?’ zei de uitbater terwijl hij de winterkou buitensloot, en vroeg aan Teun wat hij wilde drinken.
‘Een koffie, graag.’

Terwijl Teun in het kopje roerde, legde hij met zorg het erbij gekregen speculaasje apart.

De kerstbomen naast de deur stapelden zich op.
Binnen liep alles in het duizend. Toeristen wilden uitsmijters, kantoorpersoneel broodjes, dames een high-tea en ex-kerstboombezitters koffie.
Die laatste groep was het grootst en brutaalst. Ze bezetten met hun auto’s alle parkeerplaatsen, en een oude dame had zelfs het lef haar mini-boom mee naar binnen te nemen. Bij iedere stap die ze deed, dwarrelden naalden op de grond. Het personeel – een echtpaar van middelbare leeftijd – raakte zo overprikkeld dat hun zenuwen wel moesten exploderen.

Razend van drift plakte de uitbater een met dikke stift beschreven vel papier naast de deur. Mensen die het lazen kiepten hun boom morrend bij de stapel die er al lag, en keerden het café de rug toe. Niets was meer zeker in het leven en dat begon al op twee januari. De rest van het jaar zouden ze het pand zeker mijden.

Uit zijn jaszak pakte Teun een plastic zakje. Hij belegde de van huis meegenomen boterhammen met twee speculaasjes en begon te eten.
Direct liep de eigenaar naar hem toe: ‘Meneer, u zit hier al de hele ochtend en heeft slechts twee koffie besteld! Het is niet toegestaan meegenomen etenswaren te nuttigen.’ Op zijn gezicht stond geschreven dat zijn glimlach voor de rest van de week in stukken lag.
Teun zag het als geestelijke fysiotherapie om niet te gaan schuddebuiken. Hij hield zijn gezicht zo neutraal mogelijk, en antwoordde mild dat hij pas zou vertrekken wanneer het hem beliefde en dat dat pas was nadat hij zijn boterhammen had opgegeten.

De aderen in de nek van de uitbater zwollen nog verder op.
Zich geen raad wetend met zichzelf en de situatie liep hij naar buiten. Bij het zien van de berg naaldbomen op zíjn stoep kon hij nauwelijks ademhalen en belde hij de politie. Die raadde hem aan de gemeente te bellen. De gemeente zei: ‘Wij versnipperen geen kerstbomen van particulieren.’
‘Ik ben geen particulier en het zijn NIET mijn kerstbomen!’ loeide de eigenaar als een misthoorn door de telefoon.

Teun stond bulderend van de lach op, pakte zijn telefoon en maakte een foto van de stapel dennen die het waterige zonlicht begonnen te verduisteren. Zijn spel zat erop. Het plaatsen van de advertentie in de lokale courant had hem heel de ochtend reuring opgeleverd, en het was hem elke eurocent waard geweest.
Had de uitbater zijn kleindochter maar niet moeten belazeren. Merel had met hard werken in de drukke decembermaand 60 euro tip verdiend, en die had de eigenaar  in eigen zak gestoken.

Na de foto rekende Teun de koffie af. Hij gaf geen tip. Hij keek wel uit.