Toevallige ontmoeting

Mevrouw…, mevrouw!”

Ik kijk achterom. Heeft deze meneer het tegen mij? Ja, moet wel, ik zie niemand anders. “Mevrouw, mag ik u wat vragen?” Ja hoor, meneer.” “Was u hier toevallig kortgeleden ook?”“Ja,” antwoord ik.

“Bent u toen gevallen?” “Ja…,”zeg ik aarzelend. Waar gaat dit gesprek naartoe?  

Het zit zo: mijn vrouw was er ook bij, ze waren met nog veel meer fietsers, maar ziet u, iedereen was erg geschrokken… en… “
Hij houdt zijn hoed ineens stevig met twee handen op zijn hoofd gedrukt, want het waait bij vlagen stevig.

“Maar,” vervolgt hij, “de meeste fietsers van die groep zijn min of meer visueel gehandicapt. De begeleiders, nou ja, die kunnen wel goed zien natuurlijk. Die begeleiders zeiden heel de tijd: jullie motten doorrijden, niet kijken, doorrijden, niet afstappen. Want dat is voor hun het moeilijkst, ziet u? Pas toen ze terugwaren in het dorpshuis, hoorden ze dat er een mevrouw gevallen was. Iemand met een helm (ach hemel, en met een grote kakel, denk ik meteen), een geel jekje – net als nu – en met een klein spiegeltje op haar bril. Dat is een apart …dingetje, mevrouw.  Mijn vrouw was erg geschrokken van de auto – een rode, niet? – die ineens gas gaf. De bestuurder reed niet zoals het hoort…Hoe gaat het met u?”

Ik ben sprakeloos. Al die tijd ben ik alleen maar boos geweest, nee teleurgesteld, dat alle fietsers doorreden terwijl ik nog een geplette kat van de weg pluk. Daar begreep ik helemaal niks van. Terwijl ik meestal degene ben die NIET zegt: hou ouder hoe gekker, maar: hoe ouder hoe liever. En na die valpartij (b)leek dat ineens niet meer te kloppen. Veranderd van gedachten door één lullig akkefietje.  Alleen maar aan mezelf gedacht. Ik schaam me. “Nou ja… ,”hakkel ik, “dat valt erg mee hoor! Ik fiets alweer. Hoe is het met uw vrouw? Was zij erbij als begeleidster of…?” 

“Nee,nee, helaas niet. Ze heeft vreselijk de bibbers; voorlopig durft ze niet meer te fietsen. Schaamt zich dat iedereen moest doorrijden.” ”Meneer, niemand hoeft zich schuldig te voelen, want een boer op een tractor heeft me geholpen.” “Oh, is dat zo?” “Ja, echt. Maar, kunnen ze op de fiets geen gekleurde hesjes gaan dragen? Dat automobilisten…” “Nee, nee,”valt hij me in de reden, “dat is ’t nou juist, níemand wil opva….”

De man grijpt weer met twee handen naar zijn hoed. Te laat, want de wind heeft ‘m opgepakt. We kijken de hoed na, die via via in de sloot belandt.

Ik kan er net niet bij, mijn armen zijn tekort. Er komt een ritsje jeugd aan. “Wattisser meneer?” “Mijn hoed. In de sloot.” Eén jongen trekt zijn schoenen en sokken uit, en sjort zijn beide broekspijpen omhoog. Kijk, Kakel, zó doe je dat! Binnen drie tellen heeft hij de hoed te pakken. “Alstublieft, meneer. Hij is wel nat.” “Ach jongen. Bedankt! Bedankt! Wat zal je moeder zeggen van je natte broek enzo?” “Oh, als het is om iemand te helpen, mogen mijn kleren wel vies worden.” Wat heb je toch fijne moeders!

Allemaal tegelijk stappen we weer op onze fietsen. Eén weg, twee totaal verschillende dagen. Ik schud mijn hoofd. Wel heel toevallig dat ik deze meneer hier op heel toevallig dezelfde weg tegenkom. Maar ja, toeval… daar geloof ik nou net niet in! 

4 thoughts on “Toevallige ontmoeting

    • @ Midlife Me: ja, ik zat een beetje stuk omdat iedereen doorreed. Was echt boos en begreep het ook niet. Bleek het gewoon een misverstand. Voelde ik me schuldig… Raar iets, de mens. Blij met de goede afloop, ben ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *