Effies naar Strijen

“Heej! Jaap! Eindelijk,”zeg ik hijgend als een molenpaard. “Pfff, ik rijd al vanaf Kinderdijk achter jullie, waar is de brand?” Voldaan gegrinnik door vier mannen in clubshirts. De ouwetjes doen het nog goed, constateren ze vol vreugde. Ik zie Jaap, Joep, en Henk. De vierde man ken ik niet. Blijkt ook een Henk te zijn. “Hé Kakel, fiets je met ons mee?” “Waar gaan jullie heen?” “Oh, effies naar Strijen.” “Hoeveel kilometers is dat?” ”120 ofzo.” “Ja,  goed, maar dan heb ik niet voldoende eten bij me.” “Joh, dan overvallen we wel onderweg een SRV-wagen.” “Okeej.”

 

De route is prachtig. Binnendoor naar Wijngaarden, de Hollandse Biesbosch, Kop van ’t Land. Joep rijdt op een splinternieuwe fiets. Jaap steekt er voortdurend de gek mee.

 

Waarover praten wij, die vijf daar op de fiets? Over de Tour, de Giro, Lance,  (klein)kinderen, werk (“wat doe jouw man ook weer, Kakel?” “Heel hard werken.” “Sjeez, je bent nog net zo irritant als altijd.” “Dankje.”), over de huishuidbeurs (grapje), Job Cohen, wegwerkzaamheden, kortom: alles.

 

“Stop, een SRV’man!” gil ik opgetogen. Ik koop een banaan en een ½ liter slagroomvla. De heren kopen toetjes in een potje. Ik zeg niks.“Heeft u er een lepeltje bij?”vraagt Henk. “Nee meneer,”zegt de SRV’man.” “Ook niet zo’n klein plat ding? “Nee, ook niet, sorry.” “Hahaha, natuurlijk niet!” ik sla Henk enthousiast op de schouder. Al het ingeslagen eten verhuist tijdelijk naar   de rugzakken van onze shirts.

 

Onder grote hilariteit rijdt Joep lek op zijn nieuwe fiets. “Niemand mag ‘m helpen,” zegt Jaap. “want Joep helpt zelf nooit een ander, bang als hij is voor vieze handjes. Laat hem maar lekker z’n gang gaan.” Wij gedragen ons zoals het echte vrienden betaamt en gaan op ons gemak tegen een grasdijk aanhangen. Jaap vertelt over Joep. “Wat denk je? Koopt die man een nieuwe fiets van 7000 euries, maar een pomp kopen? Ho maar!” Als het nieuwe binnenbandje in de buitenband zit, gaat Joop er eens goed voor zitten. Hij wil weleens zien waarmee Joep lucht in dat ventieltje blaast. Joep pakt achteloos een capsule uit zijn achterzak en zet die op het ventiel. “WAT!”brult Jaap, “hebbie een capsule met lucht voor in de bandjes? Nou weet ik waarom ik heel de tijd poeplucht ruik, je bent een kakgozer, man!” Joep grijnst breeduit.

 

Tijd voor toetjes. Henk trekt het cellofaan van zijn potje, stopt zijn wijsvinger erin, peutert er een klodder uit en als de klodder bijna bij zijn mond is valt ie op Henks broek. Hij haalt ’t van zijn broek, plof, op de grond. Tweede poging. Nog voor z’n vinger goed en wel uit het potje omhoog komt, glijdt de klodder alweer terug het potje in. Derde poging. Gaat heel goed, totdat Jaap Henks arm een duw geeft: weer niets in zijn mond.

Henk zet het potje tegen zijn lippen: er komt niets uit. Ik pis bijna in mijn broek van het lachen. “Hou op, Kakel, anders drink ik jouw toetje op!” Hoe de heren tóch nog hun toetje binnenkregen zal ik je besparen.

 

“Mevrouw heeft u uw benen in de Omo gewassen? Ze zien zo wit,”roept Jaap naar een langsfietsende mevrouw in rok. Ze rijdt snel door. “Oh, mevrouw! Uw benen zien net zo bruin als Fred, mijn witte muis!”doet Henk een duit in het zakje. “Houd daar eens mee op,joh,”zeg ik. Uiteraard is dat tegen dovemansoren gezegd. Nou, ik ga ff ergens anders hangen, want hier hoor ik niet bij. “Onopgevoede scharminkels,”roep ik. “Nietes, we zijn vanmiddag op schoolreis en dan mag het. Thuis mogen we ook al niks. Begin jij nou ook al?””Ja!”

 

Henk laat een boer, zó hard! “Keleune,”zeg ik, “hebbie niks gebroken?” Een mevrouw die langsfietst hoort het en giert het uit. Tijdelijk zijn de witte benen vergeten.

 

’t Is weer tijd om te vertrekken. We stuiven alle vijf een andere kant op voor een sanitaire stop. Best lastig op een kaarsrecht grasdijk. Ik krijg de dichtste struik voor mij alleen. Zo zijn ze nou ook wel weer.

 

Na Dirksland en de Heinenoordtunnel komt de Brienenoordbrug in zicht. Op de laatste stuif ik als een bos vlooien omhoog, want dat is het voordeel van mijn gebrek aan gewicht. Ik rijd een ‘gast’ op een MTB voorbij. De berijder probeert me achteruit te trekken aan mijn zadelpen. Knarsetandend haal ik uit in een reflex. Geen resultaat. Ik fiets door. De MTB’er probeer het een tweede keer. Ineens fiets Jaap naast me. Hij dwingt de fietser naar rechts, zodat de man tegen een ijzeren pilaar rijdt. “Doen we ff normaal!”zegt Jaap “een beetje die arme vrouw lastigvallen?” Arme vrouw, ík? “Hallo Jaap…!” Afwerend handgebaar. Tegen de fietser: “Jij fiets nu verder.” Dat wil hij maar als te graag! “Nee,”zegt Jaap, “díe kant ga je op.” “Dat is de verkeerde kant, ik moet naar Capelle!” “Niks mee te maken, jij gaat DIE kant op.” Tja… met Jaap maakt niemand graag ruzie, want hij is op zijn zachtst gezegd nogal in de breedte gegroeid. En hij kijkt er woest bij.

 

Weer een brug verder, doen we tien kleine negertjes, maar dan met zijn vijven. Eenzaam fiets ik naar huis. Wat een stilte, mensen! Vrouwen hebben misschien de naam, maar sjonge, wat kunnen die kerels kakelen!

 

Nog snel even langs de slager. “Waar ben je geweest?”vraagt hij. “Eh… Strijen,”zeg ik. “Oh joh, daar heb ik nog een nicht wonen!” Ach hemel, als ze maar geen heel erg witte benen heeft dan!

11 thoughts on “Effies naar Strijen

  1. Sorry, Mir, was je spoor de afgelopen weken even bijster. Soms heb ik het even te druk…. pff…. Maar goed, heb weer bijgelezen over al je avonturen.

    • @ Avalanche: geeft toch niet, het is geen verplichting…
      @ ekiM: Bedankt voor de back up!
      @ Incinta: kijk dat is nou het voordeel van jouw (geschreven) nadeel: ik heb vrienden! Excuses aanvaard.
      @ Emilie: ik had al begrepen dat jij met je tijd mee gaat hoor! Eerlijk gezegd zou ik nou niet weten wat ik met zo’n ding bij m’n autoband moet doen. Vraag ik wel aan Man. (Maar… ik heb van ’t weekend weer zijn fiets opgekalefaterd!)

      @ iedereen: hartstikke leuk al die reacties! Bedankt!

  2. Oei, mijn reactie deed wel stof opwaaien… bedoelde het dus helemaal niet vervelend, was meer een beetje jolig. Vind het gewoon bijzonder als iemand zoveel fietst. Bij deze mijn excuus…

  3. Ongelooflijk….ik krijg bijna zin om eens mee te fietsen. Zoveel onderbroekenlol met die mannen, dat lijkt me wel wat. Ja, ik schaam me een beetje om het toe te geven, maar ik ben dol op dit soort humor. Bij tijd en wijle lig ik ook dubbel om André van Duin, nou dan weet je het wel! Overigens…zo’n opblaascapsule heb ik ook….voor Limoesientje! Modern, he?

  4. Zo moest ik vandaag ‘even’ een trein naar Duitsland brengen.

    Kort voor station Apeldoorn bewoog er iets vreemds in het spoor… “Wat zie ik daar nou?” vraagt de persoon naast mij. Hij doet een examenrit, ik mag examineren.

    Sjees! 3 paarden! Midden in het spoor!
    REMMEN!! zeg ik tegen hem, maar het duurt heel even voor hij het beseft.

    Met een knal druk ik op de noodrem-knop van mij eigen stalen ros. 1200 ton staal en goederen, dat overleeft een paard nooit.

    Groot alarm, de Intercity komt zo van de andere kant !!
    Ik druk op de alarmknop en vrijwel direct klinkt het schelle SKRIEIEIEIET !!! SKRIEIEIEIET!! SKRIEIEIEIET!! uit de boordradio. Alle treinen in de buurt moeten nu langzaam gaan rijden.

    Met gillende wielen komt de trein tot stilstand, de paarden worden er nóg wilder van en beginnen te steigeren.

    Binnen no-time wordt de alarm-oproep beantwoord door de treindienstleider:
    Treindienstleider Apeldoorn, spreekt u maar, over“.

    Hier machinist van trein xxxxx. Kilometer 32.5, paarden in het spoor, ik ben net op tijd gestopt, over” zeg ik, zoekend naar het paard dat net uit mijn zicht aan de zijkant van mijn trein verdwijnt.
    “Meester, kilometer 32.5, paarden in het spoor. U staat stil. Begrepen, uit!” klinkt het door de GSM-R. In de verte zie ik wat seinen van kleur verspringen. De treindienstleider heeft direct ingegrepen.

    Ik trek mijn veiligheidsvest aan en zet voor de zekerheid nog even het noodsein aan: “2x rood, 1x wit, zo is het goed” hoor ik mijzelf zeggen.
    Ik doe mijn cabinedeur open en kijk naar buiten. Rechts van mij, een kleine 40 meter verderop staat hij. Ongeschonden maar hevig geschrokken.

    Ik besluit een peuk op te steken en stap uit. Rustig loop ik richting het paard en hoor mijzelf het kenmerkende ‘paarden-klikje’ maken. “Kom maar jongen, rustig maar het is al goed.” zeg ik tegen het beest. Maar als ik goed kijk zie ik dat het een meisje is.
    Nu weet suZ dat ik eigenlijk niks van paarden moet hebben en ik denk dan ook bij mijzelf ‘is dit wel handig?’

    Als ik dichterbij het paard kom, schiet hij schichtig op mij af. OPZIJ!
    Hij schiet mij voorbij naar de andere paarden die inmiddels teruggekeerd zijn naar hun weide. Het paard gaat ze achterna. Zo, maar nu het hek nog dichtmaken.

    Tuuuuuuuut! zegt de boordradio. De treindienstleider belt. Mijn collega neemt op.
    ‘Is alles goed bij u meester, heeft u een paard aangereden?’
    een beetje hakkelend zegt hij “Nee, alles is ok. Alle paarden zijn ongeschonden, maar ze lopen nog wel los. het prikkeldraad van de weide is kapot.”

    Ik ga ondertussen kijken of de eigenaar in de buurt woont. Een paar mannen achter een hek staan verwonderd te kijken wat er aan de hand is.
    “Weet u wie de eigenaar van deze paarden is?” vraag ik.
    ‘Joa, aas ju 150 metur trug leup, dan zie ju doar un huuske. Doar woon du aijgenoar’. Gelukkig spreek ik prima Apeldoorns, dus ik bedank de mannen en loop in de aangewezen richting.

    ‘Kan er treinverkeer plaatsvinden, of gaat dat niet?’ roept mijn collega.
    “Nou” zeg ik tegen hem, “die beesten zijn helemaal wild geworden van schrik en ik kan ze in mijn eentje niet houden hoor” zeg ik tegen hem. Doe maar niet.
    ‘ondertussen praat hij verder met de treindienstleider’.

    Dan komt een oud baasje aanlopen, hij loopt in dezelfde weide als de paarden. Dat moet de eigenaar zijn.
    “Dag mijnheer, zijn dit uw paarden?” vraag ik hem.
    Hij kijkt alsof hij water ziet branden, en vraagt “hoezeu?”
    “Het was bijna rookvlees en biefstuk” zeg ik tegen hem, “ze lopen op het spoor”.
    ‘O’ zegt hij, en hij loopt door richting de paarden.

    De paarden mogen het oude baasje niet zo, want op het moment dat hij dichterbij komt, nemen er 2 de benen, zo het spoor op.
    Sjit, denk ik bij mijzelf, dat heb ik weer.
    ‘paak die auwe moar evn bie de kuppe, dan blief die klaine oek wel steejn’ zegt hij.
    Ja dahag, denk ik bij mezelf. weet je wel wat een pesthekel ik aan die beesten heb…

    Mijn collega heeft wat meer vertrouwen in de edele viervoeters. hij komt uit de locomotief en pakt het oudere ros bij zijn kop (pardon, hoofd) en neemt hem mee terug naar het gat in het hek. Hij loopt er mee de weide in en de boer jaagt alle paarden naar de andere kant.
    “Kiek” zegt hij, “hier benne ze dr deur gegoan”. Ja, dat hoef je mij ook niet te vertellen zeg ik enigszins geirriteerd tegen hem.
    Hij doet zijn best om het hek met zijn blote handen weer dicht te maken, maar dat gaat natuurlijk niet zo maar. Ik vraag of hij de paarden achter een ander hek, even verderop, kan brengen, zodat de treinen weer verder kunnen rijden. Nu kan dat niet.
    Hij regelt het meteen, maar op zijn eigen gangetje natuurlijk.

    Ik kijk naar de achterkant van mijn trein en zie ‘de internationale’ op enige afstand stil staan. Die zullen ook blij zijn, vliegt eerst hun vliegtuig niet, staan ze nu voor een paar honderd kilo paardenbiefstuk te wachten.

    Als de paarden achter een ander hek staan proberen we de treindienstleider te bellen. Hij neemt niet op. Fijn.
    ‘Even naar het toilet zeker’, zeg ik tegen mijn collega.
    “Kan hij dat niet op een ander moment doen?” zegt hij.
    ‘Tsja, als je moet, dan moet je hé?’ antwoord ik.
    Via een omweg krijgen we hem te pakken.

    “De paarden staan weer achter het hek, we willen onze weg graag vervolgen” zegt mijn collega tegen hem. Maar dat mag niet. De KLPD is gewaarschuwd en die moet eerst komen.
    “Maar alles is weer veilig” zegt mijn collega.
    Helaas, pindakaas. De KLPD heeft een ‘last’ op het spoor gelegd. Zij zijn nu even de baas.
    Hopen dat ze snel komen. Ik neem een bakkie thee uit de thermosfles.

    In de verte zien we een nieuwsgierig persoon in donkere kleding onze kant uit lopen. Het is de politie.
    Ik loop op hem af en met een gezellige “‘middag!”-groet begroeten we elkaar.
    Ik leg hem uit wat er gebeurd is, wijs de paarden aan, het oude manneke en het hek.
    “Mag van jou de last er af?” vraagt hij aan mij.
    “Ja hoor, 20 minuten geleden waren we hier al klaar” zeg ik tegen hem.

    Dan lijkt het even of hij in zichzelf loopt te praten, maar als snel heb ik in de gaten dat het om de persoon ‘in zijn oortje’ gaat. “Ja, de last mag er af” hoor ik hem zeggen.
    “Nou, dan ga ik weer” zegt hij.

    Even later rijden we weer rustig verder, ruim 40 minuten zijn om. En dat voor 3 paarden…

    • @ Midlife Me: dankje. Ze waren ook heel gezellig!
      @ Myra: dat je mijn kaartjes bewaard hebt! Goh, ja schrijven zat er altijd wel in, nu kan het eindelijk ook een klein beetje naar buiten. BEDANKT voor je reactie. Ik voel me euh ‘gedekt’!
      @ Incinta: uit m’n duim… (knak). Nee joh, ik fiets elke (kilo)meter. Ik schaam me echt een beetje voor een ritje van 70 km.
      Ik heb een toerboekje waarin stempeltjes staan van het verste punt waar ik op een dag gefietst heb. Als bewijs dat ik er geweest ben. Aan het eind van ’t seizoen weet de wielerclub wie de meeste kilometers gefiets heeft. Die is winnaar.
      @ Broea: wil je (g)een eigen pagina op mijn blog? Je hebt het leuk geschreven. Mooie foto erbij, klaar! Maarreh… één klein ieniemieniedingetje: een thermosfles met… thee? Ik viel bijna achterover toen ik het las. Vanmiddag/avond wil ik er ALLES van weten. Met gebak erbij! (eentje maar?)

  5. Jaren geleden kreeg ik altijd uit ieder stadje of dorpje waar ze langs kwam een kaartje, dus ze fietst echt zoveel. Ik heb ze overigens nog steeds en heb ze de laatste keer allemaal weer zitten lezen. Wat was dat leuk, toen schreef je al hele verhalen, maar dan op mijn kaartjes 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *