Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Februari 2009

Mijn bril belemmert mijn uitzicht, wat toch niet de bedoeling van een bril kan zijn. Met mijn handschoen wrijf ik de aanslag weg, wat zo’n 3 minuten beter zicht oplevert. Dit is geen doen (zucht). Is dit nou leuk?  Vraag het later nog eens. Ik wou zo nodig fietsen, nou zál ik fietsen! Mijn bril heb ik nodig om in de verte te kunnen kijken. Door de mist is er geen verte. Af dus dat ding! Ik prop ‘m in de achterzak van m’n gore-texie.. Zonder bril lijkt de mist meteen minder erg. Het voordeel is dat ik niet precies zie waar ik rijd, dus dit zou best eens een verrassingstocht kunnen worden!.

 

In Lopikerkapel is de mist zó dicht, dit kun je onmogelijk genieten van de omgeving noemen. Dichtbij hoor ik plots piepende banden, een harde knal en een enorm geblaat. Komt dat geluid nou van voren of van achteren? Ik gok op de voorkant en fiets verder. Ja hoor, ik zie het al. Een aanrijding: 2 auto’s met blikschade, omgeven door schapen, oud papier en een parasol. Een parasol? Halen ze hier nog heel antiek grof vuil op?

 

De schapen staan tussen en om de auto’s. Het is met recht een kudde, en een chaos vanjewelste. Eén schaap komt op een drafje aanhollen en knalt keihard met z’n kop tegen de voorste auto. Zie ik dat nou goed? Is dit een vergissing of een ram? Een ram! En hij doet het nog een keer! Een aanloopje, kop naar voren en BAM weer in die auto. Ik geloof mijn ogen niet. Waar is die bril? Snel zet ik ‘m op. Verrek die ram doet het wéér! De deuken vliegen gewoon de auto in en een herrie dat het maakt. De ram blikt tevreden in de rondte, en is blijkbaar op zoek naar iets nieuws. Ja, ja, weet je wat, ik ga fijn met mijn fiets aan de zijkant van de weg, tegen het ijzeren tuinhek staan. Je weet tenslotte maar nooit.

 

Alsof de ram daarop heeft gewacht. Hij draait naar mij toe, neemt een aanloop en echt op het aller-allerlaatste moment trek ik m’n voorwiel een meter naar achteren en verdwijnt de ram dwars in het ijzeren hek naast me. Hij sjort en rukt met z’n kop dat het een aard heeft, maar hij blijkt muurvast  te zitten. Keleune zeg, pfff, wat een opluchting! Ik heb er bibberbenen van gekregen. Ik hoor klompen aan komen lopen en uit de mist doemt een oud mannetje op. “WATMOTDATSCHAOPINMIENHEK?” Ja, wist ik het maar. “Hebbie een taangegie bie?”  Watblief? Of ik een tangetje bij me heb? In mijn fietsbroek zeker? En dan die ram losknippen. Ik ben toch niet gek? “Hol dot bejest weg!” commandeert het baasje. Ja, aan me hoela, ik ga er lekker van tussen.“Adrie!Adrie!” Er  komt een dame aangerend; mij keurt ze geen blik waardig. Ze pakt het mannetje bij de arm neemt en sleurt hem ongevraagd achteruit het tuinpad op. Allebei lossen ze op in de mist.

Ik loop naar de auto’s, waar de eigenaren druk staan te schrijven. Ik ben hier duidelijk overbodig en dat bevalt me uitstekend. Voor ik verder ga stop ik nog wel ff mijn bril in m’n achterzak.

 

Door de mist fiets ik langs de Ruige Weide, Hekendorp en Haastrecht. Vlakbij Stolwijk zie ik in de verte vaag wat bewegen. Het heeft Iets bekends, maar wat? Dichterbij komend geloof ik m’n eigen ogen niet: schapen! Zal ik m’n bril toch maar liever even opzetten? Ach nee, ik hoor geblaat en daar heb ik geen bril voor nodig. Waar komen die krengen vandaan?  En hoe krijg je ze terug waar ze vandaan komen?  Ik kan toch niet doorrijden en net doen of ik ze niet gezien heb?  Wat als het hele zooitje straks de provinciale weg oploopt?

 

Maar hoe passeer je heel veel schapen zonder dat ze voor je uit blijven hollen? Ik kom ze niet voorbij.  Dan komt er vanaf de andere kant een brommer aan. Ha, de redding is nabij! Ja, dat had je gedacht. De bestuurder ziet de schapen wel maar wil ze niet zien. Toch kom ik nu wel langs de schapen, want ze zijn banger voor de brommer dan voor mij.  Ze stuiven als gekken alle kanten uit en een schaap glijdt als van een glijbaan, zó de sloot in. Het beest probeert weer op de kant te klimmen, maar glijdt telkens weg. Ineens heeft ie houvast en staat in één spring langs de provinciale weg.

“Blijf staan, sukkel!” zeg ik tegen ‘m. Ja, daar is het schaap echt van onder de indruk. Ik bel aan bij een huis. Niet thuis. Volgende huis. Doet niet open maar ik hoor zaaggeluiden.  Ik ben zo brutaal en loop achterom de tuin in. Een man is de wilgen aan het snoeien. Ik vertel van de schapen. Oh, dat is zo geregeld. Hij propt ze een weiland in en anders belt ie een paar collega’s want hij zit bij de vrijwillige brandweer. Wat een praktische man! Gerustgesteld fiets ik verder.

 

In Stolwijk bij de stoplichten doe ik een reuzenontdekking: vóór me op de grond zie ik wat liggen. Een muntje. Zal ik bukken of… (ik loer in de rondte, niemand te zien) Ik buk. Blijkt het een ouderwetse gulden te zijn. En dat zonder bril! Sjonge, wat heb ik heb vandaag in de dichte mist eigenlijk veel  gezien. Véél meer dan anders!

2 thoughts on “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *