Hij en Zij

Oh, haar kan ik wel hebben, denkt hij. Hmm, duur fietsje heeft ze anders wel, nou ja, als je geen fiets-DNA hebt zoals hij, houdt het op. Tegenwoordig denkt iederéén dat hij – zij – kan fietsen. Zelfverzekerd zet hij zijn helm recht.

 

Tss, hem kan ik wel hebben, denkt zij, een fiets met een triple – stakker -, fout geschakeld – sukkel – , boulevardfietser met wappershirt en hoge witte sokken. Zelfverzekerd zet zij haar helm recht. Flikkert het klepje eraf.

 

Slagboom van de pont gaat open én… gassen met die bak. Sjonge, zie hem eens een krachttoer uithalen. ’t Is weer zo ver: groot vóór en klein achter. Ha, hij stapt al af.

 

Zij stapt later vrijwillig af bovenaan een brug voor een blik op de plaatselijke fauna: ganzen met kuikens, een voorbijvarende fuut met jongen op haar rug, visdiefjes, meerkoeten, een grutto op een paal, de ooievaar op het nest…

 

 

Kijk haar daar staan, bovenop die brug. Moet zeker op adem komen? Hij zal wel eens laten zien hoe dat moet. Oké, bij de pont de net ging het niet echt soepel, maar dat was een technische inschattingsfout. Had niets met mannelijke kracht te maken. Hij schakelt. Kkggg, ketting eraf.

Zij is weer opgestapt. Dat wordt prijsschieten want, tata! de boulevardfietser rijdt voor haar. Die gaat zij eens fijn voorbij knallen.  Wind tegen hè? Zijn die mooi-weer-fietsers niet gewend. Oef, dat gaat toch iets minder makkelijk dan ze had verwacht. 

Later zoekt zij een plek om wild te plassen. Niemand te zien? Fiets tegen een dijkhek, helm op ligstuur, gáán. Ze is snel klaar, loopt terug naar haar racepaard. Eenmaal bovenaan rolt haar helm van haar zadel zó de dijk af naar beneden. Knullig holt zij erachteraan.

Zie haar nou weer! Laat echt álles vallen. Net doen of hij haar niet ziet. Hopelijk ziet zij hem wel, met zijn krachtige pedaaltred. Windmee fietsen is zijn specialiteit. Knalhard koers hij haar voorbij.

Rijdt hij nou alweer vóór haar? Hoe kan dat nou? Hmm. Eigenlijk heeft ze geen fut meer om hem in te halen; beetje slappe benen. Laat hem maar gewoon gaan. Toch goed dat ze een kort rondje rijdt. Haar maag vraagt om eten, zij antwoordt met een  boterham.

 

 Een uur later ziet zij hem staan op de dijk. Zijn fiets omgekeerd op de grond en hij vertwijfeld ernaast. Ze stopt en vraagt:“Heb je genoeg materiaal bij je?” Hij maakt een geïrriteerd handgebaar en zegt: “Ik krijg die binnenband niet opgepompt. Elke keer zakt het ventiel weg.”

Zij stapt af. “Je ventiel is te kort,”zegt zij na een taxerende blik. “Huh?” “Dit is een ventiel voor een wiel met platte velgen en jij hebt hoge velgen.” Zie hem eens beteuterd kijken! Heeft er zichtbaar zwaar de pest in dat hij daar zelf niet op is gekomen! Zij schiet in de lach.

Welja, zie haar eens lachen. Hij kan gewoon helemaal achterin haar keel kijken. “Hahaha, sorry,”zegt ze “Ik weet het zo goe-oed omdat ik vorig jaar in de vakantie precies hetzelfde had, haha. Duurde een half uur voordat ik doorhad waardoor ‘t kwam.” Ze veegt nog net de tranen van het lachen niet uit haar ogen. “Heb je nog een ander bandje bij je?” Nee, hij schudt zwijgend zijn hoofd. Zijn mondhoeken zakken  nog verder naar beneden. Toegegeven: zij doet niet moeilijk, pakt een bandje van haarzelf en klaar is Kees.

 

Hij en zij fietsen de laatste honderden meters samen naar de pont. Niet van harte; beslist niet. Op de pont  valt haar spiegeltje op de grond. “Laat je altijd alles vallen?”vraagt hij.” Beledigd kijkt ze hem aan en raapt ‘t spiegeltje op. Koortsachtig zoekt ze in de rugzakken van haar fietsshirt naar haar pontkaart. Verdorie! Waar is dat ding nou? Haar portemonnee is ze ook al vergeten; haar fiets staat verkeerd geschakeld en nou gaat die sukkel stomme vragen stellen. De bemoeial!

 Kijk haar eens getergd kijken. Goedzo. Haar verdiende loon. Had ze hem maar niet zo moeten uitlachen! Dat gaat zomaar niet. De pontbaas komt steeds dichterbij. Wat moet ze nou zeggen? Ze heeft geen geld., geen kaart. Zal zij de bemoeial naast haar vragen om voor haar te betalen? Nee, toch maar niet, dank je de koekoek, ze zwemt nog liever.

“Hier, “zegt hij tegen haar, “je hebt onderweg nog wat laten vallen,” en hij duwt haar een strookje karton in haar hand. Haar pontkaart! “Hoe…waar??” “Toen je je helm achterna holde waaide die weg…” Pisnijdig is ze op ‘m. Had hij die pontkaart niet eerder kunnen geven!  

 

Zij loopt omhoog. Hij fietst. Bovenaan gaat hij linksaf en zij rechtdoor. Dat is maar beter ook!

7 thoughts on “Hij en Zij

  1. Heb enorm van dit verhaal zitten genieten. Fijn dat je weer fietst (al is het dan met mate). Het steeds schakelen tussen jouw gedachten en die van de bande(n)loze man geeft dit stuk iets verrassends, wat het lezen ervan nog aangenamer maakt. You go girl!

  2. Schandalig, die opdruk van dat kaartje.
    ‘Een persoon met rijwiel’ staat daar wel héél verkeerd in jouw geval.
    “Wielrenster met strijdros” had beter gestaan…

    • @ Janny: nee dit is een ‘vers van de pers’exemplaar, maar het rondje leek langer dan het in werkelijk was (misschien heb ik het iets te uitgebreid geschreven?). Vreemd dat het soms ‘knarst’ tussen mensen. Je wilt je wel/niet van je beste kant laten zien. Bedankt voor je reactie en ook een fijn weekend!

      @ Midlife Me: helemaal mee eens! Maar als ik niet had geholpen had ik daar spijt van gehad, en nu heb ik ook een beetje spijt dat ik geholpen heb. Wat zit een mens toch raar in elkaar.

  3. Is dit er nog één uit de “oude doos” of fiets je inderdaad al weer zo ver en hard?
    Leuk verhaal weer! Het blijft toch gedoe tussen de beide seksen, niet?
    Fijn weekend,
    Janny

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *