De vieze vogelaar

Stijf van de stress stuiter ik de bieb uit. Buiten blijf ik als aan de grond vastgeplakt staan. Het is oranje en het zit op de schutting. Dat kán toch niet? Sinds wanneer zie ik ze nu ook al vliegen? Maar twee zintuigen die een loopje met me nemen is zelfs voor mij uitzonderlijk. Ik sta oog in oog met een oranje kanarie. Echt! En hij heeft nog een leuk fluitje over zich ook.

 

Zeg maar dag met je handje tegen het vogeltje, want buiten heeft ie a: niets te eten en b: vannacht gaat het vriezen. Wel sneu. Hij zit zo vlakbij.. zal ik proberen ‘m te vangen? Ja hallo, dat lukt toch niet, dat beest vliegt meteen weg. Maar ik kan ’t toch probéren? Moet ik niet te lang wachten…Ik laat mijn tas op de grond vallen, en loop voorzichtig naar het vogeltje. Bijna ben ik bij hem…bijna…. Floepens, mis! Hij is gevlogen. Wel heb ik een gat in mijn hand door een roestige spijker (weer eens wat anders dan een gat in mijn hand tijdens het shoppen.)

 

Een mij tegemoetkomende meneer heeft het oranje zangtalent ook gespot. Het beestje is een stukje verder gevlogen en lokt de man en mij achter zich aan. Meer dan kijken naar het kanariepietje kunnen we niet. ‘Misschien staat er ergens een deur van een volière open,’zegt de man tegen mij. ‘Kijk daar staat er eentje.’ Hij kijkt mij aan, zo van: regel jij dat even. Alsjeblieft. Oké dan. Soms ben ik de rotste niet.

 

Ik trommel een mevrouw met twee keffende hondjes uit huis. ‘Nee, ’t is niet mijn kanarie, ik heb alleen gele. Wacht ik ga een vangnet pakken.’ De kanarie vliegt verder en zit nu op het stuur van een kinderfietsje. De man loopt naar ’t vogeltje. ‘Misschien wil ie op mijn vinger komen zitten,’zegt hij. Nou…als ik dat vogeltje was… De man ziet eruit als een sjappie, met ontploft haar, en een onverzorgd uiterlijk. ‘Kunnen we niet beter op het vangnet wachten?’opper ik. Mijn idee wordt lauwtjes ontvangen. De oranje fladderaar vliegt een hoge boom in. Einde verhaal.

 

Teruglopend naar mijn fiets, word ik achtervolgd door de spotter, die me een poeslieve blik toewerpt. Zou  hij verlegen zitten om een praatje? Hij knikt naar me op een manier, zoals mensen die een geheim delen elkaar begroeten. ‘Hallo,’zegt hij en raakt mijn hand aan. Das wel míjn hand, denk ik. Hij vertelt op blijde toon: ‘Ik heb ook een vogeltje. Een heel bijzónder vogeltje.’ Er bekruipt me een gevoel van lichte verwarring en onpasselijkheid. Wat heb ik nou weer aan mijn fiets hangen? De man vertelt verder en raakt mijn arm aan. ‘Mijn vogeltje houdt ook van vrijheid,’ zegt hij met glimmende ogen. Oh moeder Maria, denk ik, als hij het nu maar niet over zijn privévogeltje zonder veren gaat hebben…

 

‘Mijn vogeltje wil er elke dag een paar keer uit.’ De man kijkt naar beneden in de richting van zijn (s)navel. Of ik wil of niet, ik kijk met hem mee. Zal hij een standvogel of een trekvogeltje hebben? Ik houd het voorlopig op het kleinste vogeltje van Nederland: het winterkoninkje. Zeker gezien deze kou. De man zet een gezicht naar me op alsof hij een buitengewoon fijne verrassing voor me heeft en doet een stapje dichter naar mij toe. Hij raakt mijn schouder aan en zegt vurig: ‘Mijn vogeltje is op zoek naar een nestje…’ Sjezus, straks doet hij zijn gulp open…Dank je de koekoek, van die aanblik blijf ik liever verschoond.

 

 

‘Wil je je vogeltje de rest van je leven nog blijven gebruiken?’zeg ik dreigend, ‘dan zou ik ‘m maar in m’n broek laten zitten als ik jou was.’ Met een deerniswekkende blik kijkt hij me aan. Interesseert zijn vogeltje mij dan helemaal niets? Nee, geen fluit. ‘En nou opzouten, anders rijd ik gewoon over je heen!’ In luttele seconden is deze vrije vogel om de bocht verdwenen. 

5 thoughts on “De vieze vogelaar

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *