Súperstom

 

 

Vandaag heb ik zoiets superstoms gedaan. Eerst wilde ik het hele gebeuren voor mezelf houden uit diepe schaamte alles op te biechten. Maar wellicht dat jullie er lering ende vermaeck uit kunnen halen, dus zodoende heb ik besloten alles eerlijk te bekennen.

 

Met mijn blauwe bolide was ik naar een heel zieke dierbare geweest. Op de terugweg naar huis had ik zoveel om over na te denken dat mijn aandacht voor het verkeer er een beetje bij in schoot. Eén keer keek ik zelfs verbaasd op: rijd ik al hier? goh, niets van gemerkt. Kortom: ik was er met mijn hersens niet bij.  

 

In Kinderdijk sloeg ik op de dijk rechtsaf naar de pont. Op de smalle weg was het razend druk. Wát een volk! Ik hobbelde over het miserabele wegdek, omzeilde parkeervakken, wegversmallingen en geparkeerde auto’s, om tenslotte te constateren dat het eind van de weg leeg en geheel voor mij was. Zo vaak maak ik ‘t niet mee hoor, dat ik met de auto vooraan sta voor de veerboot.

 

In gedachten verzonken zat ik in de auto naar het klotsende water te kijken. Juist op het moment dat de pont halverwege was, tikte er een man op mijn raampje. Een vreemde man. Nietsvermoedend  draaide ik het raam naar beneden. De man zei wel: ‘Goedemiddag,’ maar gezien zijn furieuze blik meende hij daar geen flikker van. Vanwege mijn opvoeding Voor de vorm groette ik beleefd terug. Ik was amper uitgesproken of de man zei nijdig: ‘Mevrouw, wilt u wel achteraan aansluiten, ja! Wij staan hier AL-LE-MAAL te wachten voor de pont!’ Ik keek van ’s mans boze ogen naar de transpiratie op zijn bovenlip. Zijn bakkebaarden waaiden in de wind; hij bewoog zijn hand geagiteerd naar de lange rij auto’s achter me. Met een furieuze blik staarde de man me aan. Meneer, vroeg ik in stilte, kunt u even naar me lachen? Alstublieft? Maar nee, de man was bóós. Ik voelde me net een kleuter en boog beschaamd mijn hoofd. ‘Sorry,’ mompelde ik, ‘dan ga ik maar.’ Ja, dat leek de man ook het allerbeste.

 

In het volle zicht van de naderende pont keerde ik mijn blauwe blik en reed langs de lange rij wachtende auto’s, zodat ik achteraan kon aansluiten. Alle inzittenden keken naar me. Kijk niet zo, dacht ik, we hebben allemaal toch weleens wat? Alsof er geen belangrijkere zaken in het leven zijn. Een enkeling trakteerde me op een gestrekte middelvinger. Onderhand ben ik wel over de “parkeerschrik” heen. Nu die andere schrik nog. 

7 thoughts on “Súperstom

  1. tssssssss…hadden ze je niet even voor kunnen laten gaan?
    wat maakt dat nou uit: een zo’n autootje?
    ghegheghe ik had je wel eens willen zien….

  2. Vanuit het oogpunt van de man kan ik zijn boosheid wel voorstellen.
    Maar hij had het wel tegen MIJN zus, dussuhhh… Niet meer doen zou ik willen zeggen.
    Geldt voor allebei overigens 😉

  3. Mensen zijn nu eenmaal heel gauw in hun wiek geschoten. Hoe ouder ik word, hoe minder ik me er van aan trek, maar soms komt het heel erg naar binnen en dan kan ik soms wel janken dat mensen zo aggressief in NL zijn.

  4. Haha.. ik heb het ook wel eens. Rijd je een afstand van 50 km in gedachten en merk je na 30 km ineens dat je hele stukken kwijt bent. Best een beetje eng ook. Gewoon op de automatische piloot gereden zeg maar. 😉

  5. Ik kan me het wel voorstellen als je met je hoofd er niet helemaal bij bent.
    En ik zeg niets, de laatste tijd vergeet ik van alles. ;-(
    Bedankt voor je bezoek. Je hebt zelf ook een leuk weblog. 🙂
    Maar van een paard vallen, daar hou ik niet van! 😉

  6. Dan moet je mij eens nemen nu met al die medicatie.
    Ik gooide vandaag de sla over mijn hoofd in de veronderstelling dat het een vergiet was!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *