Noorse hut

Jaren geleden waren wij in Noorwegen. O, Noorwegen…! De gedachte doet me watertanden en vult me met heimwee: tuimelaars in de baai, dagenlang in de buitenlucht banjeren zonder iemand tegen te komen, frambozen eten in het bos, schemeren tot half twaalf…En hutten.

Gjert – van wie we ons vakantiehuis huurden – hield van hutten.  Dat kwam goed uit, want hutjes doen het bij Lief en mij ook goed. Vroeger al droomden we erover: er moest een Noorse houtkachel in staan, waar je zelf bomen voor moest omhakken, want zelfgehakt hout brandt het warmst. Bovendien moest dat ding flink walmen, want waar het stinkt is het warm.

Gjert gaf ons de sleutel van een van zijn hutjes, en zei beschaamd dat het om een bijzonder eenvoudig onderkomen ging. “Geen stromend water, gas of elektra. Plassen en poepen moet in het buitenhok.’

Gewaarschuwd stapten we zijn vissershut binnen en vielen flauw van begeerte. Er stond weinig in. Het was een hut vol eenvoud. Een hoogslaper in de nok, een bankje, een houtkachel, een padvindersketel, kaarsen, lucifers, zout en dikke dekens. Plus een rommelhok met bijlen, messen, hamers, hakblokken, touw en een geweer.  Een geweer…? Wat moest Gjert, een man met zeehondenogen, nou met een geweer?
De weinig attributen in het hutje, maakte wat het leven heerlijk overzichtelijk.  Je kon niks, want er was niks. Het had iets vredigs en probleemloos.

In ons kwam de gulzigheid naar boven. Joris en ik keken elkaar aan en wisten dat wij bij thuiskomst ons tuinhuisje zouden ontdoen van alle fratsen, en het gingen verbouwen tot een kopie van Gjerts hut. Een naam had ik snel bedacht: “Wildemanshut.”

Bij thuiskomst liepen we tegen allerlei praktische bezwaren op. We voelen ons een stel schijtzakken en lafbekken.
De eenvoud lonkt nog steeds…