Eindelijk gerechtigheid! Nooit never ever ben ik door een agent gesommeerd mijn voertuig aan de kant te zetten; elke keer reed ik weer net naast de fuik. Maar na ruim tien jaar ’s Herenwegen onveilig te hebben gemaakt, moet ik stoppen en mijn raampje opendraaien.
‘Goedemiddag, mevrouw. Alcoholcontrole.’
‘Oh, mag ik op het pijpje blazen?’ roep ik hunkerend.
‘Nou nee, dat hoeft niet meer,’ legt de agent uit, ‘u hoeft alleen maar tégen het apparaat te blazen.’ Hij lacht trots, alsof hij deze zegen voor de mensheid zelf bedacht heeft.

Ik word overvallen door moedeloosheid. Uitgerekend wanneer ik de gelegenheid krijg  óm te blazen, kan dat niet meer ouderwets, maar moet dat tegen een of ander slap aftreksel. Ik voel me tekort gedaan. Altijd ben ik Bobientje in het verkeer, en wat krijg ik er voor terug? Niets.
Ik weersta de aanvechting onmiddellijk naar de dichtstbij zijnde slijter te rijden, een fles Campari uit het schap te rukken, en deze in de auto soldaat te maken.

‘Kan het ècht niet meer op een pijpje?’ vraag ik. Ik kijk zo hopeloos mogelijk. Als ik wil kan ik dat best. Ik zie de wetsdienaar denken: die mevrouw is een beetje doorgeslagen, en nou is ze waarschijnlijk nog niet eens dronken.
Kennelijk krijgt hij medelijden, want hij vraagt: ‘Wilt u even wachten?’ Dat wil ik wel. Ik heb de rest van de dag toch niet nuttigs te doen.  De agent praat met een collega die naar een auto wijst. De agent rommelt wat in de aangewezen achterbak, pakt er iets uit en komt glimlachend mijn kant oplopen. Ja hoor, ik mag ouderwets blazen!  Mijn mondhoeken raken van vreugde bijna mijn oorlellen. Ik  blaas de longen uit mijn lijf, en slaag met vlag en wimpel voor de blaastest. De agent heeft nog een verrassing voor me: het blaaspijpje mag ik meenemen.

Als goede vrienden gaan we uit elkaar.
Zo’n aardige agent toch!
Wat een voorbeeldige Bob-mevrouw!

Blij parkeer ik de auto voor de deur, helemaal hyper om mijn huisgenoten te laten delen in mijn vreugde. Ik stap uit. Kkgggggt hoor ik onder mijn voet. Ik kijk. Daar ligt het blaaspijpje. Vermorzelt onder mijn laars. Nu rest me slechts de herinnering…