Pippi

‘Kijk eens,’ zegt Vriendin, ‘deze is voor jou,’ en ze geeft Kind een lange vinger. Het kleine mevrouwtje Kakelbont pakt ‘m stevig vast, verkruimelt de onderste helft, en gooit het restant achteloos over haar schouder. Manieren, manieren, ho maar! Als moeder mag je niet lachen, want wanneer je zo’n stukje geteisem van drie niet aanpakt, lukt het je de rest van je leven niet meer.

Vriendin denkt daar anders over, en vraagt gierend van de lach: ‘denk je dat ze dat nog een keer doet?’
Net zo charmant als drie tellen daarvoor pakt Kind het lekkers aan, en werpt het lukraak over haar schouder. ‘Ik wil die,’ wijst ze naar een tompoes. Geef toe: ze heeft smaak.

Ik prik een stukje tompoes op mijn vork en houd het Kind voor. ‘Zellef doen,’ zegt ze. Nee, van de vork. ‘Zellef Doen!’ gilt ze. Nou, dan niks. Nijdig geeft ze met haar platte hand een mep bovenop de gebakjes. Meteen zet ze het op een lopen, en gaat uit zichzelf op de gang staan. Zonder klokkijken, toch weten hoe laat het is.

De rest van de middag valt niets in goede aarde. Ze loeit als een sirene, en krijst ze zo hard dat ik ‘t liefst een slagroomsoesje in d’r mond zou willen stoppen.
Er is hoop: ze pakt mijn tas, kiept ‘m in een hoek van de kamer om, en gaat de inhoud zitten bekijken. Hèhè, eindelijk rust…
Ze is zo stil dat we haar een beetje vergeten. Totdat Vriendin terloops een blik in Kinds richting werpt. Ze begint te láchen, te gillen gewoon.

Ik kijk waar zij naar kijkt: Kind heeft een maandverbandje als een joekel van een pleister op haar wang, en een gedeelte over haar oog geplakt.
‘Hahaha!’ gilt vriendin, ‘Always comfort met vleugels! Dat kind is toch net Pippi!’
Je begrijpt dat we de volgende keer weer even welkom waren…