musje

Aangeslagen ligt het vogeltje op de veranda. Het musje is net tegen het raam gevlogen, en hyperventilerend staan broertje en ik er omheen. Snikkend, en met de stem drie volumestreepjes hoger, vragen we aan onze moeder: ‘Lee-hee-heeft-ie nog?’

Wij scharen ons nog wat dichter om het vogeltje. Hij beweegt niet.
‘Dood,’ zegt mijn moeder. Ze houdt niet van ingewikkeld. Waarom moeilijk doen als je het kort en krachtig zeggen kan? Voor de zekerheid blaast ze tegen de veertjes. Onverwacht beweegt er een pootje. 

Wat nu? Beetpakken? Lekker fris, denkt mijn moeder, maar ze zegt het niet.
Waar laat je zo’n diertje als je het niet te vondeling kan leggen in een nest?  Wacht…het conducteurspetje van broertje ligt voor het grijpen. 

Er zit weinig leven in het musje. Mijn moeder heeft een papje gemaakt van brood met melk, en probeert dat met een lucifertje in het bekkie te wurmen, maar het beestje reageert niet. Kort gezegd is-ie maar goed in één ding: hij heeft het hele petje onder gescheten. De bodem is één wit plakkaat.

Twee uur en talloze gebeden later krijg ik twee kwartjes voor de tram.
Het petje met het musje houd ik vast zoals een angstige bejaarde een tasje beethoudt.

Bellen hoeft niet, want bij de dierenarts staat de deur open. Aarzelend wandel ik naar binnen. Er zijn maar weinig mensen. Als de dierenarts me ziet, tovert hij een glimlach op zijn gezicht, en spreekt de geruststellende woorden: ‘Ah…een musje, leg ‘m daar maar neer, dan kijk ik er straks naar.’ Met tegenzin neem ik afscheid.

Ik probeer mezelf moed in te spreken, maar er is één gedachte die zich steeds aan me opdringt: wie gaat dat betalen? Of zou de dierenarts het uit goedheid doen? Ik ben er niet helemaal gerust op. 

Ik weet niet hoe het met het musje is afgelopen; wel dat het fout is gegaan met het  conducteurspetje. Broertje is nooit helemaal over het verlies heen gekomen. Misschien dat hij daarom later een tijd machinist is geweest: om het leed te compenseren.