foto van internet

Onafgebroken zit hij me aan te staren. Ik krijg er stress van. De man staat op. Hèhè, denk ik, hij gaat eruit. Mis. Slechts één plekje in de metro is nog leeg, en de man schuift naast me in het bankje. Djiez, en dit is nog maar het begin van de dag! Zo aandachtig mogelijk bestudeer ik de betonnen tunnelwand.

‘Mag ik naast u komen zitten?’ vraagt de man. Vindt hij ‘t zelf niet wat te laat voor die vraag? Nou ja, het is binnen de grenzen van de wet. Ik geef een knikje en schuif nog verder naar het raam.
‘Ken ik u ergens van?’ Originele openingsvraag. Weer eens wat anders dan: mag ik uw pincode. Hij ziet er niet onaardig uit. Voor zijn leeftijd.

‘Reist u alleen?’ wil hij weten.
‘Vindt u dat onverantwoord?’ vraag ik.
‘Oh…eh…nou, ziet u, ik heb zin in een praatje.’ Had dat gezegd tegen die brede kerel waar hij de net naast zat. Plots is daar een stem in mijn hoofd: “Vriendelijke mensen, hoe ga je ermee om?” De man heeft nog niets verkeerds gezegd. Oké, ik zal proberen aardig te doen.
‘Woont u in de stad?’interviewt de man verder. Vanwege dat postbus 51’spotje kijk ik ‘m best aardig aan.
‘Ja,’ lieg ik. Hij zal nu onderhand wel doorhebben dat ik geen ideale gesprekspartner ben.

‘Zullen we ergens iets gaan drinken?’ stelt hij voor.
‘Nee!’ zeg ik resoluut, en weersta de neiging mijn vinger in zijn oog te steken. Ik ben nu wel lang genoeg aardig geweest.
‘Alleen iets drinken,’ voegt hij eraan toe. Ik kijk ‘m vernietigend aan. Mijn blik schijnt hem niet te deren. Ik voel me letterlijk en figuurlijk in een hoekje gedrukt. Ineens dringt een gedachte zich aan me op: zou dit een grap zijn? Zit ik in Bananensplit? Oh God, denk ik, straks komt Frans Bauer onder een metrostoeltje vandaan. Plots ben ik volledig de kluts kwijt. Het zweet breekt me uit, en iedereen kan het zien. Nog drie haltes, denk ik, hou ik dat nog vol?  

‘Okee,’ zeg ik ineens, het over een andere boeg gooiend,’kom maar met me mee naar huis.’
De man knippert versneld met zijn ogen. Een meneer tegenover me laat zijn krant een stukje zakken en gluurt over de rand naar mij. Hij is duidelijk in me teleurgesteld: ik zag er zo netjes uit. Maar ik was nog niet klaar.
‘Dan kunt u meteen mijn man leren kennen. Moet u wel een eind omhoog kijken, want hij is nogal grOOt.’
Als ik de man met een breinaald geprikt had, had hij niet sneller overeind kunnen schieten. Hij rént het gangpad door, struikelt over een rugzak, wil op zijn oude plaatsje gaan zitten maar dat is vergaan, en besluit in plaats daarvan de net gestopte metro uit te vluchten.

Naast me schalt een lach. Zo hard en welgemeend dat iedereen ervan in de lach schiet. Zo te zien kan de lachster haar plas maar net ophouden. Ze komt overeind en plant haar kolossale achterwerk naast mij op het bankje. Met plezier schuif ik een stukje op.
Ze klopt me bemoedigend op m’n knie en vliegt verbaal uit de startblokken. Ze maakt drukke gebaren en lacht veelvuldig. Geen idee waar ze het over heeft, maar ik lach van harte mee. Ik wijs naar de stoffen hoofddoek op haar hoofd. Even onderbreekt ze haar stortvloed, knikt ja, ja, ja, en slaat me op mijn schouder.
Ineens ben ik op mijn bestemming en mag eruit. De dame zwaait me na alsof ik een goeie bekende van haar ben. Met overgave zwaai ik terug. Toch nog een goed begin van de dag!