Een dierenliefhebster? Grrr!

“’t Is zo jammer!” zucht de mevrouw tegen de verkoper,“bij haar komen ze wel en bij mij niet.” Waar hééft ze het over? De Chippendales? De belastingdienst? Nick en Simon? Nieuwsgierig kom ik een stapje dichterbij. “Bij mij komen alleen twee koolmeesje,” zucht de vrouw verder. Oh…ze heeft het over de buitenvogels. Eigenlijk een best voor de hand liggend onderwerp in een dierenwinkel.

“Jammer toch, hè?,dat ze bij haar wel komen en bij mij niet,”vervolgt ze op enorme zeurtoon. “en ik ben juist zo’n dierenliefhebster.” Nou, als zij tijdens het voeren ook zo zeurend praat, snap ik best dat de vogels wegblijven. 

“Komt door de katten,”zegt de dierenvriendin. “Die jagen alle vogeltjes weg. Zulke rotbeesten zijn het! Krengen! Nu heb ik gif gekocht. Van gehakt maak ik balletjes en daar stop ik ’t gif in.”  

Wat?! Katten gif voeren?! Ontdaan loop ik dichterbij.

Kijk haar staan, met haar uitgestreken gekreukelde gezicht! Grijze knot, zwarte jas, zwarte rok, blikdichte zwarte kousen, zwarte tas. Boy, oh boy. Het toonbeeld van keurige degelijkheid. Haar dochter, bij wie de vogeltjes  blijkbaar wel komen, ziet al even zwart als haar moeder. De dochter is zichtbaar trots op mama, die zoveel van dieren houdt. Dat moet je als mens maar gegeven worden, hoor!  

‘Gij zult niet doden’, ligt op het puntje van mijn tong. Katten zijn ook dieren,hoor! Schijnheilig rotmens. Sjonge, wat heb ik zin in ruziemaken!

De verkoper heeft zijn meest neutrale gezicht opgezet. Taxerend kijken hij en ik elkaar aan. Ik ken ‘m nauwelijks, maar herken de blik: twee zielen met één gedachte.

En nou, hup! als de sodemieter die winkel uit, denk ik, anders slá ik je eruit. Wegwezen! En dat doet ze, weggaan. Mijn ogen prikken nijdig in haar rug. Flutwijf! (Zeg ik netjes hè?, heel netjes)

Thuis heb ik spijt dat ik van haar geen gehakt gemaakt heb. Grrr!

Post voor Texel

We hebben een logé, nah, logeeTJE. Hij is zwart met wit en luistert (niet) naar de originele naam Lolly. ’t Is een liefie, hoor, alleen een tikkeltje verlegen. Maar ja, wat wil je? Een vreemd hok en vreemd volk (errug vreemd volk zelfs…)

Hij knaag wel braaf zijn brokjes en knabbelt tevreden op een knoerhard korstje.  ’s Avonds dekken we ‘m lekker warm toe met een jutezak. Bobo hangt telkens half uit z’n hok, nieuwsgierig naar de eetconcurrent een verdieping lager (die vreemde vogel eet toch niet van mijn brokjes, zeker?)

 

Gistermiddag viel er post op de deurmat. “Joepie,”riep Kind, “post!” Aandachtig bekeek zij de kaart. “Nee, hè?” sprak ze teleurgesteld, “tsss, die kaart is helemaal niet voor ons, maar voor Lólly!” Ze denkt even na. Dan zegt ze: “Ach, ze missen hun konijn, toch wel zielig. Weet je wat? Ik lees de kaart wel ff voor aan Lolly.” Dat is nog eens een goed plan!

 

Nou, we weten het niet helemaal zeker, maar volgens ons heeft Lolly het wel begrepen.

 Dag baasjes, nog een fijne vakantie en tot gauw! Een pootje van Lolly.

 

Kassa!

Kijk eens hier! Valt je iets op aan deze kledingcollectie, die nonchalant over Kinds stoel hangt? Jawel, ze zijn gedragen. En wat doe je met dergelijke kleding? Nou, Kind helemaal niets.

Dat is niet de afspraak. Ik roep haar op het matje. Zwaar zuchtend sjokt ze de trap op. Ze trekt haar neusje al op, want Kind ruikt onraad. Inhaleer maar een extra teugje, want ik tel zes, zeven, acht kledingstukken. Dan mats ik haar, hè, want ik tel de vuile sokken op de grond niet mee.

“Hoe luidde ook alweer onze afspraak?”help ik haar herinneren? “Kleding één dag gedragen en nog schoon, gaat terug in de kast; vuile kleren leg je op de zoldertrap. Niet opgeruimde kledingstukken kosten 0,50 eurocent per stuk. Kijk eens,” vervolg ik liefjes, “acht kledingstukken…dat is kassa! Ik houd het in op je zakgeld.”

”Duh, je kan geen zakgeld meer inhouden,” zegt ze fijntjes, “want Papa maakt het maandelijks over naar mijn rekening.” Ze grijnst erbij. Hmpf, dat was ik even vergeten. Jammer. In gedachten zag ik me van Kinds geld al zakken vol koekkruimels kopen op de markt. Wat nu…? Ha, ik weet iets!

“Eén hele week geen chocolade,”zeg ik. “Wat?! Een hele week?!” Kinds ogen worden zo groot als onze ontbijtbordjes. Hoe kan ik als moeder zó hard zijn? Ze weet dat een week bij mij zeven dagen duurt en dat ik haar niet mats. Nog niet met één enkel daagje. Dat heet: je poot stijf houden. Want geef je puberkind één vingertje en je kunt de rest wel raden.

“Ah… mam, een hele week, moet dat echt? Het is net vakantie!” Tja, kiezen of delen. Dan is haar keuze snel gemaakt. Ze bonkt de trap af naar beneden, bam! kamerdeur dicht, ik hoor gerommel in haar la, de deur vliegt open en bam! ook weer dicht, holderdebolder stampt ze de trap op en drukt me nijdig 4 euro’s in de hand. Ik grijns erbij.

Ze wil alweer boos weglopen, maar daar steek ik een stokje voor.  “En nu opruimen,” zeg ik, “vort! “Wat! Ik heb je net betaald!” “Ja, je grootje. Dat geld is niet in plaats van, het komt er bovenop!”

Nou, je begrijpt: dit belooft nog een lange vakantie te worden.

Gaat ‘t weer een beetje, mevrouw Kakelbont?

Gaat het weer een beetje, meneer Droge  mevrouw Kakelbont?

In Rotterdam loop ik een jeansstore binnen. Ah, een vrije verkoper!
“Goedemiddag, mag  ik van u deze zelfde spijkerbroek – die ik aan heb –  in maat 31/34? De verkoper schudt direct zijn hoofd.  “Nee, die heb ik niet op voorraad,” zegt hij, “want damesjeans in die lengte verkopen we zelden. Maar ik kan ‘m bestellen, hoor! Voor de zekerheid vraag ik het even na bij de directeur.” Bij de directeur… Is dat niet een tikkie overdreven?

De verkoper beweegt zijn mond voor de telefoon. Totaal onverstaanbaar. Dat komt door de achtergrondmuziek die zo nadrukkelijk op de voorgrond klinkt. “Ja hoor, mevrouw, gewoon te bestellen! Wilt u de broek bij ons ophalen of in een ander filiaal?”
“Nou, eh… kan het in het filiaal In Krimpen?”
“Ja, ‘tuurlijk. Wat is uw broeknummer?”
“De maat is 31/34”
“Ja, die heb ik. Maar ik wil het nummer hebben dat in uw broek staat.”
“Oh…” ???
“Kijk,” zegt de verkoper. Hij doet zijn rits naar beneden en verdwijnt met zijn hand in de voorkant van z’n broek. Welja! Wat is dít nu weer? Hij trekt een sliertje stof omhoog uit en wijst ernaar met zijn vinger. “Dit nummer heb ik nodig.” Hij kijkt me aan met een blik van: zo en nou u.

Oh ja? Zie ik eruit als iemand die in ’t openbaar in haar broek gaat staan graaien? Kan dat niet in de paskamer? Hmm, tja, eigenlijk lacht de verkoper best charmant naar me. Ach, ik heb de zijne toch ook gezien? Ik maak mijn broek los en grabbel. (Buik in, ahum). Hebbes!
“Ja!” zegt de verkoper. Spontaan laat hij zich op een knie vallen en bestudeert mijn kruis. Ik geneer me dood. Nog nooit heb ik een man zo makkelijk in m’n broek laten kijken. Ben ik daar nou zo oud voor geworden? Ontdaan kijk ik in het gezicht van een verkoopster. Ze verblikt of verbloost niet.

Hij springt alweer overeind. “Mevrouw, genoteerd. Mag ik uw naam en telefoonnummer? Dan wordt u gebeld door een ‘n  collega in Krimpen. En hier, alstublieft, m’n kaartje. Als u binnen twee dagen niet gebeld bent, belt u mij. Kan ik verder nog iets voor u doen?”
“Eh…nee,bedankt.”
“Oké, dan wens ik u nog een prettige dag.”
“Bedankt voor de moeite,” mompel ik lichtelijk verdwaasd.
Nou ja, zeg. Jeminee. Wat een service! Waar maak je dit nog mee? ‘t Wordt me gewoonweg teveel. Gauw de frisse lucht in.

Open huis

Nog maar kortgeleden was op Kinds school  ‘open huis’.

Kindlief heeft zich opgegeven om aanstaande brugklassers rond te leiden op ‘haar’ school, die ze met nog ruim 1100 andere leerlingen deelt. Na afloop van haar rondleidtijd krijg ik van Kind een privérondleiding, want ik wil dat geweldige muzieklokaal nu weleens zien. Plus de rest van het gebouw, want dat is er nog nooit echt goed van gekomen.

In school loopt ze rond alsof de hele tent van haar is. Luidkeels verkondigt ze wat ik nu te zien ga krijgen. Flink hard zodat het goed tot iedereen doordringt dat zij hier precies de weg weet.

Ze is zichtbaar trots als een docente in het tekenlokaal vraagt of ze haar eigen tekenmap soms uit de kast wil pakken om hem aan mmij te laten zien? Ja reken maar dat ze dat wil! Als ze de map na afloop dichtklapt, wijst ze naar een groep tekeningen die op wat tafels bij elkaar ligt.
“Dát,” wijst ze smalend, “is werk van de brugklas.”
Nee, dan zij. Als tweedeklasser ligt die tijd járen, zo niet decennia, achter haar.

Ze troont me mee naar het biologielokaal waar ze vrijwillig een blaastest doet. Zelfverzekerd laat ze vervolgens de techniekruimte zien.
Ineens zegt ze: “Oooh, daar loopt meneer Meier! Mag ik ff vragen of hij het cijfer van mijn toets weet?”
“Zou je denken dat meneer Meier…?” Maar ze is al weg. Even later komt ze triomfantelijk terug.
“Hij weet niet precies welk cijfer, maar ik heb wel een voldoende. Kom mam, nu gaan we naar huis.”  Intens tevreden loopt ze met me mee terug naar de auto.

Zeuvenenzeuventig

Lomperik!
Is er iets irritanters dan iemand die het laatst opengebleven parkeervak gluiperig en met opzet voor jouw neus inpikt? Nauwelijks! In mijn spiegel zie ik de lomperik uitstappen: felrode broek met lelijk knalgroen colbert. Wat een combi… Hij heeft vast een afspraak met de oogarts. Kleurenblind. Na deze mij goeddoende constatering, zet ik koers naar de parkeergarage.

Omvergelopen
Via de hoofdingang loop ik het ziekenhuis binnen, waar ik een afspraak met de neuroloog heb. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat de betaalautomaat stuk is. Straks dus een andere zoeken.

’t Is binnen een doolhof vanjewelste en op goed geluk beland ik bijna als eerste achter de afsprakenbalie. Bijna ja. Vlak voor mijn neus gaat de liftdeur open waarna de kleurenblinde mij ellebogend ondersteboven loopt en klem voor mijn neus bij de balie gaat staan. Ik heb er wel de pest in, want da’s dus de tweede keer vandaag! Het haar op mijn tanden jeukt, mijn tong prikt, maar ik zeg niets. En hier zit ook geen oogarts.

“Ik heb haast,” zegt de man tegen de secretaresse. De secretaresse noteert zijn afspraak en schenkt hem een afkeurende blik. De man loopt naar een lege stoel en in zijn haast loopt hij de tas van een mevrouw omver. Hij heeft nog niet veel vrienden gemaakt vanochtend.

 77

Een uur later loop ik naar een andere betaalautomaat. Een oud baasje tuurt peinzend van zijn parkeerkaartje naar het grote apparaat.

Mevrouw,”zegt ie tegen mij, “ik ben al zeuvenenzeuventig en kan nog prima autorijden, maar die nieuwerwetse dingen…” Hij zucht. “Zou u mij willen helpen?”

“Tuurlijk, meneer.” Ik pak het bonnetje van hem aan en zoek de juiste kant van het kaartje, als een lelijk knalgroen geklede arm vanuit het niets naar de gleuf voor het kaartje reikt. Met een snelheid die mezelf nog het meest verbaast, houd ik mijn vinger op de gleuf. Voor de derde keer voorpiepen? Ik dácht het niet!
“Als u haast heeft, bij de hoofduitgang staat nog een automaat,” zeg ik geërgerd.
Met het kaartje in zijn hand, beent hij wild weg. Het scheelt niet veel of hij  loopt een mevrouw op twee krukken ondersteboven. Had ie nou toch maar naar de oogarts gegaan!

Een nieuwe vriend
Het oude baasje doet een stapje opzij. Ik zie hem denken: wie heb ik in hemelsnaam om hulp gevraagd.
“Dat doe ik anders nooit hoor,” haast ik me te zeggen. “maar hij pikte m’n parkeerplek in en piepte  voor bij de dokter.”
Oh, is het heus?” Hij lijkt een beetje gerustgesteld. “Dan heeft u groot gelijk, mevrouw”. Ineens begint ie een beetje te giechelen.
“Maar…eh… die automaat daar is stuk,” zegt hij, wijzend in de richting van de hoofdingang. Ik grijns terug.
“Ja, goed hè?” Wij lachen samenzweerderig naar elkaar.

Bij het uitrijden van de parkeerplaats wordt er getoeterd achter me. Het is meneer Zeuvenenzeuventig. Breeduit grijnzend en zwaaiend rijdt hij achter me. Bijna als goede vrienden gaan we uit elkaar. We wuiven tot hij de hoek omrijdt.