Uit het oog en…

“Ha Mirjam! Hoe is ie? “ Ha Louise. Ja, ‘t gaat goed hoor,” zeg ik, “en met jou?” Gaat het echt wel goed met je?” informeert Louise met een taxerende blik. “Ja, prima!” dring ik aan.  

 

Hellup, denk ik, Louise, of all people. Ik weet wat ze ziet: na twee slapeloze nachten zie ik er vijf jaar ouder uit en hangen mijn kraaienpoten ter hoogte van mijn knieen. En zij, Louise, altijd opgekalefaterd, dichtgeplamuurd gezicht, gehuld in de nieuwste klederdracht met zwaar gecoiffuurd haar. Zij als elegante verschijning en dan voel ik me nog net niet … eh… nou ja, in erbarmelijke staat.

 

“Hoe gaat het met je dochters?” vraag ik.“ Oh meid, met Lisa gaat het ZO perfect. We weten nog niet of ze haar school afmaakt, ze wordt model trouwens. Had ik je dat al eens verteld? (Ja, alleen maar) Ze is ZO een schoonheid. Ze kan aan elke vinger wel tien jongens krijgen.” “Niet te hopen dat die allemaal tegelijk komen eten dan,” zeg  ik. Louise kan niet lachen om mijn grapje. Misprijzend kijkt ze me aan. Onvermoeibaar praat ze verder. “ In die modellenwereld – een wereld ZO op zich en ZO apart! – telt elk jaar en Lisa …..bla…bla…

 

Hoe gaat het met je jongste dochter? Mandy heet ze toch?”, vraag ik,om het maar over iets anders te hebben. “Ja, goed. En jouw dochter gaat die naar de brugklas?” “Nee joh, die zit al in de tw…” “Komende vrijdag gaat Lisa naar een speciale fotograaf en….bla…modellenbureaus….en die zeggen ook dat Lisa ZO….blabla 

 

Dat mens ratelt als een tierelier. Mijn enthousiasme ontbreekt geheel. Ik heb hier ZO genoeg van. Maar de beleefdheid eist het. Toch? Nou, de groeten! Bruusk onderbreek ik haar. “Joh, ik ga verder, want ik krijg straks visite,” lieg ik. “ Oh, oh, wacht even… ,” Louise rotzooit wat rond in haar tas. “Heeft jouw dochter trouwens nog steeds rood haar?” vraagt ze. Huh? “Ja, natuurlijk,”zeg ik. “Nou ja, ik dacht, misschien heeft ze het geverfd of zo.” “Geverfd! (voel je je wel helemaal lekker?) Joh, dat kind moet nog veertien worden, en het is een hart-stik-ke mooie kleur!”“ Ja, nou ja, mijn Lisa is natuurlijk ZO kieskeurig, want in de modellenwereld zijn ze ZO weg van blond.” 

 

“Mijn Kind heeft anders ZOveel  Brains en is ZO heel sociaal!” (dat ik me ZO naadloos bij een gesprekspartner kan aansluiten zeg, ik wist niet dat ik die gave bezat).  

“Zeg joh, zullen we samen wat afspreken-  ja hè hè, hier heb ik mijn agenda – dat ik een keer naar jou kom? Kunnen we bijkletsen?” “Eh, nee. Lijkt me beter van niet.” “Huh? Waarom niet?” vraagt Louise verbaasd. Haar stem klinkt een octaaf hoger.  “ Nou…eh… wij hebben thuis maar 1 stoel. Doei!”

 

ZO. Ik draai me om en loop ZO weg. Dat gaf me en goed gevoel, zeg, ZO! Wat een aardige, tolerante mevrouw ben ik toch, dat ik me ZO heb ingehouden, niet ordinair ben gaan schelden, en haar niet op haar gezicht heb geslagen. Louise: uit het oog en kkkkggggg ZO van mijn harde schijf!

Gekneusd Kind 2

Na het ochtendgloren zijn Kinds kneuzingen goed te zien: haar hele linkerkant is beurs, blauw en gekneusd. Dikke wang en hand. Alles doet zeer. Oh, en ze heeft zó’n hoofdpijn. En ze is misselijk, duizelig ook. Ojee, er gaat een knalrood lampje in mijn hoofd branden. Alarm! alarm! gilt het. Kind huilt. Het huishouden in rep en roer. We weten dan Kind hersens heeft, dus ze kunnen best geschud zijn.  

 

Eerst maar een bilpil. 

Gelukkig gaat het daarna wat beter. Ons bruistablet hangt uitgeborreld op de bank. Ze is nog zwaarder gekneusd dan van de wildste waterbaan ooit. Nou, zeg!

 

Ding, dong: Opa staat voor de deur. Samen met een eind hout en een noodoplossing. Hij krijgt een heldenontvangst! Ja, en koffie met koek. 

 

Ik heb natte inlegkruisjes in plastic zakjes in de vriezer gelegd. Na een half uurtje krijgt Kind het eerste ‘zoogcompres’ voor haar gehavende gezicht. Ik geef haar een bemoedigend schouderklopje. “Auww!” jammert ze. “Oh, sorry, je verkeerde schouder (goh, je zult mij maar als moeder hebben). Zal ik als straf een compres  op mijn blote buik leggen?”bied ik aan. Kind lacht niet; doet ook zeer. “Dan kom ik wel heel erg stil naast je zitten. Met mijn handen onder mijn billen, goed?” Ze knikt.

 

Stilte.

 

Pfffrt, blaast ze naast me op de bank. PFFFFRT! Gelukkig. Is er toch nog een lichaamsdeeltje dat ze niet heeft gekneusd!

Gekneusd Kind

BAMM! hoort Man de husby midden in de nacht. Stijf van schrik rent hij uit bed.  Meestal staat hij al naast Kindliefs bed vóór zij een wind heeft kunnen laten, maar vannacht komt hij te laat. 

Ik word wakker van een enórm gehuil. Eerst denk ik dat het de brandweer is. Maar nee, het is Kind. Gauw naar d’r toe! Hmm, zou ze ‘n boze droom hebben gehad? Maar nee, ‘t is veel erger: ze is uit bed gevallen! Uit Opa’s kunstig gebouwde hoogslaper; zó 1 m 75 de diepte in.

 

Oh, oh, arm Kind. Grote dikke tranen druppen op het zijl. Heb je niks gebroken? Doet alles het nog? Kun je een beetje wapperen met je armen? We voelen en kloppen zachtjes. Kind schreidt. Wonder boven wonder is ze nog heel. Wat een schrik om zo op de grond wakker te worden. Veel knuffels vallen haar ten deel.

 

Toen moest ze toch dat hoge bed weer in… We keken met z’n drieën langs het laddertje de hoogte in. Jeetje zeg, ‘t was net of dat bed in de tussentijd een metertje hoger gegroeid was. Voorzichtig geven we haar een kontje. Kind wordt klemstrak ingestopt door Man.   

“Mag de deur een stukje open?” piept Kind zachtjes. “Ja hoor!”

“En het lampje in de douchecel aan?” “Tuurlijk, liefje.”

 

Je snapt niet hoe ’t kan, na zo’n val-ervaring, maar Kind was gelukkig weer snel in dromenland (zij wel). Manlief trekt been nummer twee binnenbord en snurkt wijdweg (hij wel). Iemand anders in huis niet. Kind had haar nekje wel kunnen breken. Daar moet je toch niet aan denken? Maar ja, dat doe je dus wel…

Overnieuw

 

Ze mag me dan dierbaar zijn, soms zou ik Kindlief  met plezier achter het behang willen plakken.  Vandaag is soms.

Chagrijnig staat ze voor de deur. Ze kwakt haar overvolle tas op de gangvloer en steekt  geïrriteerd van wal: “Ik wil nú op muziekles!” Ja, dat ze op muziekles wil, was mij de laatste weken al duidelijk geworden.

“Maar,” help ik haar herinneren “eerst komt theorieles + examen en dán pas kun je een instrument kiezen.” “Nou, das niet waar,” zegt zij “toevallig gaat dat héél anders, hoe precies anders weet ik ff niet, maar niet zoals jij het zegt.”

Ze neemt plaats op de wc en met de deur ver genoeg open, vraagt ze: “Waarom mag ik niet naar muziekles?”  “Omdat jij zelf niet weet wat je wilt. Je wilt op zangles; gitaarles; een uur extra naar dansles; en keybordles. Fijn dat je vader en ik een tijdje geleden op jouw uitdrukkelijk verzoek geen paard voor je hebben gekocht. (‘Ik hoef alleen maar een paard, verders niks!!’) want nu rijd je niet eens meer paard! Ik kan jou niet overal je zin in geven.” Nou, zij ziet daar anders het probleem niet zo van in.

Samen met haar grote boodschappenlucht probeert ze mij haar mening op te dringen, een uitzichtloze situatie, zo weet ze. “Als je over een half jaar nog steeds op muziekles wilt, prima, maar dan moet het nog steeds goed gaan op school en ga je een uur sport minderen.”  “Grmpf.” De sfeer in huis gaat er niet op vooruit. De lucht ook niet.

Na haar wc-bezoek wast ze haar handen, spettert alles onder, laat ze zich met een plof op de bank vallen, en deelt mee dat ze best iets te drinken lust. Vermoeid stop ik de rest van haar betoog. “Vandaag heb ik je gemist,” zeg ik, “en nu je thuis bent, vind ik er niks aan.”

“Weet je wat?!” ze veert enthousiast omhoog. “We doen het nog een keer over! Ik ga opnieuw voor de deur staan, ik bel aan en dan doe jij de deur open, net als de net, maar nu doen we gezellie.”

Ik lach geamuseerd.

Drie tellen later staat ze weer voor de deur, drukt op de bel en doe ik open. We vliegen elkaar om de nek. Zo, das beter. Tijd voor koffie en een sappie. Mèt iets lekkers, natuurlijk,want ja,we hebben wat te vieren!

Geen Joepie

“Goedemorgen. Gisteren heb ik een aangereden poes bij u gebracht. Hoe gaat het met haar?”  

“Helaas, mevrouw, ik heb geen goed nieuws. De dierenarts heeft de poes in moeten laten slapen. Het heupgewricht en een poot waren verbrijzeld. Niets meer aan te doen. De dierenarts vroeg wel of ik u nog een keer wilde bedanken dat u de poes bij ons heeft gebracht. Anders had ze langs de kant van de weg een langzame dood gestorven. Hopelijk is dat een beetje een troost voor u?”

“Wel een schrale,”zeg ik.

“Ja, wij vinden het ook jammer, hoor.” Ze zegt het een beetje sussend. Ik bedank haar en hang op.

 

Ik denk aan de stoere man. “Ik weet al hoe ik de poes ga noemen” zei ie gisteren in de auto. “Hoe dan?” vroeg ik nieuwsgierig. “Joep.”  “Joep? Nou, leuke naam wel voor een…uh…poes.”

Ja, maar ’t is de afkorting van een vreugdekreet.” Niet begrijpend had ik ‘m aangekeken. “Van… Joe-pie!”  Ik moest lachen om zijn enthousiasme. Ja, de stoere man is vast nog teleurgestelder dan ik.

 

Peinzend zoek ik de juiste woorden voor mijn sms’je aan Kind. Zou ze genoegen nemen met: ‘helaas’. Nee. Uitgesloten. In gedachten zie ik haar tijdens de les al opspringen, tegen de docent zeggen dat ze ogenblikkelijk haar moeder moet bellen en dat het ‘levensbelangrijk’ is. En tegen mij zal ze zeggen hoe ik het in mijn hoofd haal, om haar zo weinig informatie te geven!

Ik zucht. Peinzend verzin ik verder.

De rastaman

                                                    

                                                    

juni 2009

Heerlijk! Jammie, jammie: een hoorntje Australisch ijs eten met een klodder slagroom er bovenop. Kindlief en ik zitten op een bankje in de Lijnbaan, met uitzicht op een plantenbak. De zon schijnt, de lucht is blauw. Ik staar wat voor me uit, genietend van m’n ijsje.

Vanuit de verte zie ik een Rastaman aan komen wiebelen; zo stoned als een garnaal, met dreadlocks en gehaakte muts. Swingend op zijn inwendige ‘beat’. Ja, en ik alles maar downloaden. Hij zal toch niet…jawel, als ik het niet dacht! Uitgerekend bij ‘ons’ bloemenperk blijft hij staan. Ergens in mijn lijf zit een  magneet die genante situaties aantrekt. Kon ik dat kreng maar deleten.

 

Rasta begint aandachtig de afrikaantjes te bekijken. Daarna kijkt hij naar mij. Hij pakt een afrikaantje beet en plukt ‘t af. Bijna verliest hij zijn evenwicht. Kind schrikt ervan. Gul biedt  hij mij het bloemetje aan. Ik knijp mijn neus dicht, want ik vind die dingen ronduit stinken. Uitvoerig ruikt Rastaman aan de bloem. Bijna het complete bloemetje verdwijnt in zijn neusgat. Hoe diep hij ook snuift en inhaleert, kennelijk kan hij er geen vies luchtje aan ontdekken.

Hij plukt er nog eentje af. Royaal wil hij ze allebei in mijn schoot gooien, maar door zijn benevelde toestand, mikt hij niet zuiver en vallen de bloemetjes vlak voor mijn voeten op de grond. Wel zo fris. Ik wil tenslotte geen afrikaantje vastpakken dat bij hem in zijn neusgat heeft gezeten. Aan de andere kant wil ik niet ondankbaar overkomen, dus bedank ik ‘m vriendelijk met een knikje. Zichtbaar tevreden met het behaalde resultaat, komt hij overeind en waggelt weg. Ik slaak een zucht van verlichting.

Kindlief weet niet waar ze het zoeken moet van de lol en een mevrouw op een bankje tegenover het onze, schatert het uit. Ja, vanaf een veilige afstand zou ik daar ook best om kunnen lachen…