Haantjesgedrag

“Ik fiets niet achter vrouwen!” slingert de man nijdig naar mijn hoofd als ik hem voorbij rijd. Nou, moet hij toch weten? Maar, oké als hij het zo graag wil: ga er voorbij dan joh, maar wel voortmaken én doorrijden hè. Hup! Zie het als een extra kans.

 

Toegegeven: de man doet zijn uiterste best; ik ben onder de indruk. Alleen is zijn wil vele malen sterker dan zijn benen. Hij kan er ook niks aan doen. Als mooi-weer-fietser leg je het nu eenmaal af tegen zoveel-mogelijk-fietsers. Dat heeft niets met man/vrouw verhoudingen te maken. Maar hij ziet het als een imagoschending, vindt zichzelf een bink en wil voorop rijden. Helaas: ik ga er alsnog voorbij. Hij vloekt, hij tiert. Zielig. Hij spuugt naar me. Wat een goor lef!  

 

Even overweeg ik hem aan te spreken op zijn vulgair gedrag, maar stel dat hij brutaal terugpraat dan zijn de poppen pas goed aan het dansen. Bovendien is de bink niet de slimste, want hij vergeet dat we tegenwind hebben, dus zijn eigen de rochel waait naar hem terug. “Moeilijk hè, fietsen en spugen?”kan ik niet na laten te zeggen. Best beleefd, toch?

 

 

 

Anderhalf uur later fiets ik Vianen binnen en rijd stante pede naar de kroeg met terras. Verrek, daar zit de rochelman. Hoe komt hij hier zo snel? Pech dat ik geen pokerface heb, want nu ziet hij mijn verbazing. “Ik woon hier vlakbij,”zegt hij vriendelijk. “Mijn fiets heb ik op de autodrager staan.” Hij  knikt poeslief naar me. Ja nu hoeft het niet meer, aardig doen. Eerst schelden en naar mijn hoofd spugen en nu gezellig doen. Ik ben geen labiel weekdier. Ik ga zo ver mogelijk bij hem uit de buurt zitten. Hij snapt de bedoeling.  

 

De bediening is ontzettend verschillend: een prettig pratende man met een welwillend woord voor iedereen en een zure mevrouw. Bij de eerste bestel ik koffie met gebak. Voordat ik er erg in heb is het allebei op en loop ik naar binnen om te betalen. De dame staat achter de tap. Ik vraag om een stempeltje voor mijn toerboekje. Mevrouw is niet zo welwillend.

“Waar is dat dan voor?” Argwanend blikt ze me in de ogen.

“Als bewijs dat ik hier op de fiets geweest ben.”

“Waar woon je.” Ze vraagt het niet, ze eist antwoord.  

“In K.”

Ze kijkt me aan alsof ze ieder moment kan gaan vragen waar mijn auto staat.

“Waar staat je auto!”

“Die staat thuis voor de deur; ik heb echt het hele stuk gefietst.”

“En dat moet ik geloven?”

Nee mevrouw, maar krijg ik wel dat stempeltje alstublieft?” Zó, dat geduld Kakel!

“Hoe weet ik dat ik daar geen last mee krijg?”

In één keer – BAM! – is mijn geduld weg.

“Bent u altijd zo vrolijk of alleen vandaag?” vraag ik vriendelijk.

Als ik nu die dame was dan toonde ik karakter en zou ik zeggen: stop dat stempeltje maar in een gat waar de zon nooit schijnt. De dame doet dat dus ook. Logisch.

 

Meteen daarna beent ze nijdig weg. “Ik moet nog betalen,” roep ik tegen haar rug. Nou ja, ik moet toch nog naar het toilet. Dan ga ik daar toch lekker de wc-rol afrollen, mijn handen in dat te kleine fonteintje wassen en heel de spiegel onderspetteren. 

 

Na mijn toiletbezoek staat de vriendelijke man  binnen en houdt ongevraagd het stempeltje omhoog. Afdruk in mijn boekje, klaar! “Dank u wel. En ik wil nog betalen,”zeg ik. “Dat is al voor u gedaan,”zegt hij.  “Wat zegt u?” vraag ik verbaasd. “Dat is al voor u gedaan. Die meneer in de hoek – die met dat fietsshirt –  heeft dat voor u gedaan.”

Nou zeg… mijn kluts valt op dek. “Oh…nou…eh bedankt voor de stempel,”stamel ik, en stap naar buiten. Sjeetje, ik ben er gewoon beduusd van. Fluim heeft natuurlijk spijt gekregen van zijn asociale gedrag. De gulle gever is inmiddels verdwenen; zijn terrasstoel is leeg.  

 

Onderweg zit ik toch een beetje met dat gebakje in mijn maag, maar gelukkig niet met het toilet, wanat dat heb ik onberispelijk achtergelaten!

  

Kakel ziet ze vliegen

Onderweg richting boerengehucht Achterbroek waaien de vliegen me als zwarte wolken tegemoet. Bah, van die kleintjes die overal in gaan zitten. Ik sputter tegen; het helpt niet. Ik wapper wild met mijn handen; vruchteloos. In Lopik durf ik amper adem te halen, in Benschop hoest ik vliegjes en in Uitweg proest ik vliegjes. Op de Viaanse brug gaat het een stuk beter want daar waait de wind alle vliegjes weg. Poeh, eindelijk rust.

  

Aan de overkant van de Lek – met uitzicht op de uiterwaarden –  eet ik mijn boterham. Er waait een vlieg op, jakkes. Gek word ik van die krengen. Ik stap op en probeer het later nog eens in Ameide. Oh ja, kijk dáár, een prachtplek, met uitzicht op buitelende kieviten! Wat denk je? Krioelt het van de koeienvlaaien vol strontvliegen. Misschien dat ze op de vlucht slaan als ik mijn schoenen uittrek? Blijf dromen, Kakel. Ik  zie het niet meer zitten. De vliegen mij wel.

 

In Goudriaan fiets ik heel onhandig met mijn hoofd schuin naar beneden, ondertussen loerend naar tegenliggers. In Ottoland stap ik af. Door mijn dichtgeknepen wimpers tuur ik omhoog naar mevrouw ooievaar die daar elk jaar braaf op de kerk zit te broeden. Ik kan haar niet zien. Jammer dat ze niet even haar kontje optilt, maar ja, dan krijgen haar eitjes het koud. Ik hoop voor haar dat er daarboven net zoveel vliegen zijn als hier beneden. Hoeft ze alleen maar haar snavel open te houden en zwermen ze zo haar keelgat in.

 

Vanaf Bleskensgraaf laat het geluk me in de steek: ladingen vliegjes waaien mijn helm in en tot overmaat van ramp achtervolgt een dikke bromvlieg me. Een menselijke bromvlieg weliswaar, maar daarom niet minder irritant. Hij heeft zich nijdig vastgebeten in mijn achterwiel.

 

Nieuw-Lekkerland is een drama. Overal zijn boeren aan het gieren, de mestsproeiers draaien overuren. De vliegjes ook. De fietser achter me haakt af, maar een andere vlieg in mijn helm neemt zijn plaats in. Bzzz, pok, pok. Vliegjes jeuken in mijn ogen en kriebelen in mijn neus.

 

In Kinderdijk houd ik mijn lippen stijfdicht. Hallelujah: de pont ligt er. Ik rijd erop, wurm me tussen de Italiaans campers door en ga links naast een andere fietser staan. Hij kijkt me  aan met een ‘kijk mij eens een killer zijn-blik’. Pfff, over bromvliegen gesproken…

“Ik wil er langs,”zegt hij. “Sorry?” vraag ik, terwijl ik ondertussen een tranend oog vliegvrij probeer te vegen. “Ik Wil Er Langs!” Dat toontje van die man. Zo praat Kindlief van 14 niet eens meer tegen me. “Ik Wil Daar Staan.” Hij wijst naar links van mij. “Ik ben snelverkeer, ziet u!” Joh toch; ik schrik ervan!

En ja, links van mij kan hij tweetiende seconde eerder door de hefboom. Ik ben geen eerzuchtig type maar nu giert de prestatiedrang in mij hoogtij.

 

Ik gluur voorzichtig tussen zijn benen door naar zijn verzet. Slechts met grote moeite kan ik een grijns onderdrukken: hij staat groot voor, en klein achter geschakeld. Dit wordt naar grote waarschijnlijkheid voor hem een wandeletappe. In zijn haast om als eerste beneden de pont op te komen, is hij vergeten vooruit te denken èn te schakelen. Klassiek geval.

 

Tuurlijk mag hij links staan. Ik maak een royaal gebaar: uitslovers eerst. Hij gunt me een minzaam knikje. Toch prettig zo’n middelbare vrouw die haar plaats kent. Deze meneer is geen bromvlieg, besluit ik, maar een ééndagsvlieg. Eentje met een beperkt bioritme, namelijk die van een ochtendvlieg. En het is nu ver in de in de namiddag.

 

De man met de stoere look neemt zijn plaats in. Hij staat te popelen en trommelt met zijn vingers op zijn borst. Mijn kuiten kriebelen net zo hard als dat vliegje in mijn ene oog. De bomen zwaaien opzij.  Zelfverzekerd zet hij aan. Ik wacht drie tellen en ze de achtervolging in.

Kijk hem eens harken, zie ik tevree. Ik rijd ‘m voorbij. “Je kan beter gaan lopen joh, straks val je om,”adviseer ik. In plaats van mij dankbaar te zijn voor deze gratis tip, vloekt hij stevig en schakelt. Kkgggg ketting eraf. Hij worstelt en komt lopend boven. Ik keur ‘m geen blik meer waardig en peuter het vliegje uit mijn oog. Eindelijk.

 

Twee vliegen in één klap!

 

Sjans

Vandaag had ik sjans!

Ja, da’s ff schrikken, hè? Nee, ik heb geen borreltje op. Ik kon het zelf ook amper geloven,joh. Ik stap ergens in the middel of nowhere van de fiets voor een boterham, en komen ze met z’n drieën tegelijk op me toesnellen. Ik denk dat het vast niet om mij gaat, maar om mijn boterhammen. Maar een hapje brood delen met de eerste de beste? Ik dacht het niet.

 

Hmm, lusten ze soms kaakjes? Daarvan wil ik best delen. Kijk eens, jij wat, jij wat en jij ook wat. Wat denk je? Blieven ze geen Sultana, de verwende loeders. Eentje komt er brutaal dichterbij. Ik houd zijn kraaloogjes en snaveltje goed in de gaten, want hij kijkt verlekkerd naar mijn voorband. “Pas op, want ik ga met alle plezier bovenop je zitten!”waarschuw ik, maar ik ben veel te voorbarig; hij gedraagt zich voorbeeldig.

 

Toen besefte ik het: ze vinden mij gewoon leuk! Het streelde me. Sjans met drie rode hanen. Nou, mijn dag is weer goed! Vol jolijt fiets ik terug naar huis langs de Vlist, Haastrecht, Stolwijk en Berkenwoude.  Er is onderweg zoveel moois te zien; laat ik eens met de ogen van een toerist kijken. Ik stap af (zo!) om foto’s te maken; best leuk, bewijsmateriaal vergaren.

 

Vol goede moed kruip ik thuis achter de computer. Knal! Foto’s erop. Loopt het toch ietwat uit op een teleurstelling. Mijn fotogenieke kant blijkt niet voldoende ontwikkeld. Ik weet wel hoe het komt: ik wil teveel, te snel in een te korte tijd…

 

Herkent iemand dat?

 

 

 

Snottebel

 

In de Loet zit een meneer op een bankje.  Zijn fiets staat een beetje schuin geparkeerd. Het hoofd van de man hangt voorover op zijn borst. Zo zeg, wat een bofferd! Die man doet lekker een middagdut, terwijl ik iemand ken, die in bed nauwelijks een oog dichtdoet.  

 

Ik fiets door. Een paar meter verderop denk ik: wat nou als ie géén dut doet, maar dat hem iets is overkomen? Een hartaanval ofzo? Lees ik straks in de krant: ‘meneer overleden na hartaanval, doordat argeloze voorbijgangers dachten dat hij in slaap was gevallen.’

 

Ik fiets terug. Eerst maar eens kijken of ie slaapt. Ik kuch. Geen reactie. KUCHE UCHE!! Geen reactie. Een stapje dichterbij dan maar. “Meneer, is alles goed met u?” Stilte. “MENEER  IS  ALLES  GOED  MET  U?!” Zijn hoofd schiet met een ruk overeind. Even kijkt hij mij gedesoriënteerd aan. Dan kijkt hij geïrriteerd. “Rot op, idioot. Krijg de vinkentering. Laat me met rust!” Ja, da’s ook een vorm van communiceren. Onaardige mensen; hoe ga je ermee om? En hem had ik willen (laten) reanimeren? Nou, ik ga maar weer.

 

Hé! Krijg nou tandjes! Zijn fiets staat niet op slot… Oh, wat een buitenkans, wat een uitdaging! Deze gelegenheid kan ik toch niet onbenut laten? Ik kijk naar de vinkenman; hij slaapt alweer. Ik aarzel. De verleiding is ENORM, om het fietssleuteltje uit het slot te halen, en achteloos in een braamstruik te gooien. Zijn verdiende loon… Zal ik…?

 

Nee, ik doe het niet, toch niet mijn stijl. Dankzij mijn rechtvaardigheidsgevoel  kan de man straks op zijn eigen fiets naar huis rijden. Besefte hij maar, welk noodlot hem net nog boven zijn hoofd hing.

 

Oooohh, maar wacht eens even…(hoor ik daar een zacht sadistisch lachje in mezelf?)  Wat ik óók kan doen is… snot aan zijn fietsbel smeren! Haha, ik vind dit zo’n origineel idee van mezelf dat ik er helemaal vrolijk van word. Mijn irritatie is opslag verdwenen. Laat de snotteBEL dan ook maar zitten.

 

Terwijl ik naar huis fiets, vraag ik me af of ik de volgende keer weer een ‘hulpbehoevende’ man zal helpen. Misschien als zijn fiets niet op slot staat en er een bel op zit? Aan de andere kant: wie mij onnodig wakker maakt, zoekt óók ruzie!

De groenteboer

 

Je hebt mensen, je kent ze nauwelijks, en toch denk je: jou mot ik niet. Is dat aardig? Nee, maar denk eens na, jij kent ook vast wel zo iemand (dit is om mezelf iets minder schuldig te voelen.)

 

Zo mot ik de groenteboer op de markt niet. Ik kom er zelden, maar als ik er kom erger ik me blauw aan die man. Hij is lomp en onbehouwen, vooral tegen oudere dames. Wat hij zegt? Nou, bijvoorbeeld: “Zo, omaatje jij hebt ook vooraan gestaan met het uitdelen van de zeiloren.” Of: “Dag huissloofje.” Zó’n man. Een enge man. Ik krijg er kromme tenen en een dwars gevoel van.

 

Kennelijk moet de groenteboer mij net zo min, want hij heeft me nog nooit geholpen (Jakkes, wat een wóórd! Nog niet eerder gemerkt dat daar zo’n onfrisse bijsmaak aan kleeft.)

 

Dan, je raadt het al, knikt de baas himself mij toe. Dat belooft wat, denk ik nog, terwijl ik hoop dat deze eerste keer ook meteen de laatste keer wordt.

 

“Zeg het maar mevrouwTJE.” Kijk, dat vind ik al niet zo’n beste openingszin, maar alla, het is vrijdag en ik heb vannacht geslapen, dus: laat maar. Ik begin met ‘neutrale’ groente en fruit, maar ja, ik wil ook een komkommer.

Als laatste zeg ik: “En een komkommer.”

“Wat gaat het mevrouwTJE doen met de komkommer?”

“Ik weet niet wat uw vrouw ermee doet, maar wij eten ‘m op thuis.”

“Ik heb geen vrouw.”

“Dat verbaast mij niks.”

Hij verslikt zich. Het personeel deed zijn uiterste best niet te lachen.

“Dat was ‘t,” zeg ik snel.

Hij leek opgelucht. Hij kuchte zwaaiend met een wijsvinger, en knierpte: “U help ik niet meer.”

Ha! Mensen, hij zei u!

 

Naast me trok een oudere dame mij aan mijn mouw. “Mevrouw, zegt u even dat hij mij ook niet meer mag helpen.” Ik hoefde niets te zeggen. De boer was nog bezig met hoofdrekenen; hij knikte slechts.

 Ik heb nog nooit zó gemakkelijk mijn zin gekregen!

 

Achter de Rododendrons

Ken je ze: Rododendrons? Die fijne, betrouwbaar winterharde heesters. Je kunt echt op ze rekenen; ze stáán ervoor! En ze zijn enorm ‘blikdicht’. Je voelt zeker al aan je water waar ik heen wil?

 

Wat doe je met je fiets als je gaat wildplassen? In ieder geval: nóóit eenzaam en alleen tegen een paal of hek zetten, dat is geheid vragen om problemen. Want? Iedereen die voorbij komt en de fiets ziet staan, denkt: hé, een fiets, leuk, vanwieissie?, de eigenaar doet zeker een plas, eens kijken waar hij staat (zij zit). Ze loeren in de rondte, tot ze tevreden een gekleurd stuk textiel door een struik zien schemeren. Missie volbracht. Voor de kijker dan, hè!

 

Terug naar de Rododendron. Plasplekken ken ik als mijn naadje broekzak. Elk nuttig adres onderweg, koester ik. Ik heb één speciaal adres waar ik praktisch het alleenrecht op heb, want vlak bij de struik staat een bordje: ‘verboden voor onbevoegden’. Uiteraard ben ik onbevoegd, maar tijdens het plassen voel ik daar niks van. Nee, ik plas niet in iemands achtertuin, zó brutaal ben ik nu ook weer niet (alhoewel…). Het bordje staat bij de ingang van een natuurterrein, met kilometers plat weiland erachter.

 

Kom ik vandaag bij mijn vast plek: staat daar een heel charmante mevrouw. Naast haar fiets. Oh, een vrouw. Heeft ze een lekke band? Hmm. Nee. Wat doet zij hier? Ehm. Wat nou? Tussen nu en de eerste 25 kilometer weet ik geen geschikte locatie. Da’s best lang ophouden, hoor, op zo’n bonkend zadel.

 

Ik wacht. Pompiedompiedom.

 

Ik probeer de deftige dame een beetje weg te kijken. Daar geneer ik me voor, want ik vind het erg onaardig van mezelf. Bovendien stond zij er eerder dan ik. Maar op een ‘luisteraar’ naar mijn klaterend beekje zit ik ook niet te wachten. Wat ga ik doen? Het is nu, of nooit…

 

NU! Ik til mijn fiets op (doorns en lekke banden), en verdwijn achter de Rododendron.

 

IEIEWKK!!

 

Ik weet waarom de deftige dame niet weggaat! Haar man is drukdoende met een grote boodschap. Naast zijn fiets. “Stoor ik?”vraag ik. Maar dat is van de schrik. Het antwoord wacht ik niet af. Als een haas draai ik me om en ‘hol’ weg.

 

Met een knalrood hoofd kom ik achter de bosjes vandaan. “Sorry,” zei ik tegen de deftige dame.  

 

Van mijn plas zie ik af.