Een mieters wonder!

happiness

Maandag elf maart rukte ik de gordijnen open en dacht: goh, wat een leuke dag vandaag. Waarom? Geen idee. Wervelwinden vol sneeuw waaiden door de straat. De strooiwagen probeerde ze in te halen, maar had geen schijn van kans. Het was koud en de nacht wist niet van wijken.

Nergens zag ik gras, maar toch was het groen.
Er hing geen geur in de lucht, maar ik rook duidelijk lentebloesem
Ik hoorde geen geluid, maar er klonk de prachtigste muziek.
Mijn hoofd voelde leeg en mijn lichaam licht. Alsof ik na jaren uit een vacuum gezogen verpakking gebarsten was.

Ik kon het niet geloven, maar ik wist het zeker. Honderden procenten zeker: mijn depressie is weg. Zomaar…vanzelf…Het is een wonder!
Nu ben ik “alleen nog maar” moe. Maar wel BLIJ moe.

happiness

 

Het heeft maar een nadeel: nu mijn mondhoeken al dagen mijn oorlellen raken, krijg ik er handenvol rimpels bij. Láchrimpels!

Mooie violen

Violen

‘Herman, kijk eens naar deze viooltjes. Zijn ze niet prachtig?’
‘Je weet hoe ik over plantjes in potten denk.’
‘Ja maar ik krijg er zo’n voorjaargevoel van, van violen.’
‘Ze moeten water, uitgebloeide bloemetjes eraf…’
‘Dat doe ik toch altijd. Jij hoeft er alleen maar naar te kijken.’
Zeurtoon: ‘Mens, hou nou toch op. Eén nachtvorstje en ze benne dood. Weg centen.’
‘Voor drie euro zijn we klaar, hoor.’

Hij, op dwingende toon tegen het jonge verkoopstertje: ‘Júffrouw, júffrouw! benne deze violen winterhard?’
“Eh…nee meneer, het zijn eh… gewone violen.’
‘Dus een nachtvorstje en ze benne dood?’
‘Misschien dat u de bak een nachtje beschut weg kunt zetten?’zegt ze vriendelijk.Tegen zijn vrouw: ‘Zie je ’t nou? Moet je er nog mee gaan slepen ook. ’t Gebeurt niet. Klaar.’

Hij wenkt haar: ‘Kom op, we lopen naar de slijter. Tijd voor mijn borrel. Dat gedraal altijd van jou.’
Zij buigt zich vertrouwelijk naar mij voorover en zegt: ‘Zo is hij niet altijd geweest, hoor.’ ‘Ik knik begrijpend.
‘Wat sta je te smoezen met die vrouw? Schiet toch eens op!’
Ze kijkt verlangend naar de violen.

Ineens recht ze haar rug. Ze rommelt in haar tas, kijkt met één oog naar haar man,  hij kijkt niet, ze pakt iets uit haar tas, weer een blik op haar man, en ze stopt het  haastig in haar jaszak. Ze geeft er zachte klopjes op.
‘Oh, Herman! Herman!…ik ben toch zó dom geweest!”verzucht ze luid. Ze zoekt druk in haar tas. “Mijn portemonnee ligt nog thuis…’
‘Wat! En mijn borrel dan? Verdomme. De winkels gaan zo dicht.’
‘Heb jij geld bij je?’ vraagt ze zangerig.
Hij, brommerig: ‘Je weet toch dat ik nooit geld bij me heb. Jij houdt altijd je hand op de knip.’
‘Nou ja, dan gaan we maar naar huis, er zit niks anders op,’ zegt ze, blij knipogend naar mij. Opgewekt loopt ze bij haar man vandaan.
Zij geen violen…
Dwars zijn zonder ruziemaken.

Violen

 

Held…

Met een resoluut gebaar sla ik het dekbed van me af. Ik loop over de koude plavuizen de woonkamer in, waar mijn pantoffels staan. Als ik ergens een pesthekel aan heb is het aan koude voeten. In de keuken duw ik op het knopje van het koffiezetapparaat. Gisteravond heeft mijn vrouw dat voor me klaargezet, net zoals ze mijn brood heeft gesmeerd, en bananen er naast heeft gelegd.

De hele nacht viel de regen met bakstenen uit de lucht. Ik hoorde het water opspatten door voorbij razende automobilisten, maar het maakte me geen bal uit. Ik ben een die-hard, een wielrenner die wekelijks zijn vaste kilometers maakt, weer of geen weer.

Ik trek het keukengordijn opzij. Buiten lijkt het wel nacht. Vaag schijnt het licht van een lantarenpaal op straat. De regen is overgegaan in natte sneeuw, en de grote eikenboom kraakt bij iedere windvlaag. Op straat is het doodstil. Iedereen ligt natuurlijk nog in z’n nest. Bedenkelijk kijk ik naar mijn fiets- en overschoenen. Koude voeten…ik verafschuw ze.

Ineens slaat de twijfel toe. Zelfs als je met een goed humeur naar buiten kijkt, valt het nog tegen. Als je elke zaterdag traint met je makkers, mag je toch ook wel eens verstek laten gaan, bij wijze van spreekwoordelijke uitzondering? Ik sta in dubio; mijn hand nog steeds aan het gordijn.

Er maakt zich een warme gedacht van me meester. Wat nou als ik terugga naar bed en met mijn vrouw ga foezelefozen? Het lijkt wel of dat er de laatste tijd steeds minder van komt. Van het idee  alleen al begint het testosteron door mijn aderen te gieren, en ik moet me beheersen om niet naar de slaapkamer te hollen.

live strong

Ik schop onderweg mijn pantoffels uit, maar houd mijn sokken aan.
Terwijl ik bibberend de warmte van het dekbed opzoek, brom ik hartstochtelijk: ‘Wat een pokkenweer!’ Het antwoord van mijn vrouw komt totaal onverwacht vanonder het dekbed vandaan: ‘Ja schat, en toch is mijn man weer gaan fietsen. Wat een sukkel, hè?’

 

LAKS

Naar school? Roos heeft wel wat beters te doen. Een tweedaagse LAKS-cursus volgen bijvoorbeeld. Een typisch win-win gevalletje: school regelt alles, niemand die haar thuis achter haar gat zeurt over huiswerk, en ‘t is weer  eens wat anders.

Roos laat zich leiden door haar eigen interne kompas. Ze loopt niet in één sloot tegelijk. Mocht ergens de elektriciteit uitvallen, dan ben ik de eerste die het hoort. Ze hunkert ook niet, zoals de rest van Nederland, naar de lentezon, want waar zij staat, schijnt-ie door haar roze bril.

Denk er ook weer niet te licht over: zelf schone sokken, slip, pyjama, en tandenborstel vergaren en in een koffertje smijten, vergt veel van een jong mens. Maar ze wil wat, dus regelt ze zelf ook maar alles, inclusief overstappen van het ov. Dat kan zij als de beste, hoor, ze is pas nog naar Groningen geweest, weet ik nog wel? Ja, maar één administratief slordigheidsfoutje en ze mist een trein.

Laten we dichter bij huis beginnen: om de trein te halen, moet ze eerst in de bus zien te geraken.
‘Schiet nou oh-hop,’ roep ik in de deuropening.’
‘Ik heb nog tijd zat.’
‘Daar gaat je bus!’ krijs ik.
‘Wat? MIJN bus?’ Verontwaardigt steekt ze haar hoofd om de hoek. Krijg nou wat…’t is nog waar ook. Zie je dat je die buschauffeurs voor geen grijpstuiver kan vertrouwen? Deze is één minuut te vroeg. ‘Hij stopt bij de halte!’ gilt ze. Ze is een beetje van haar stuk. Wat moet ze nu doen?
‘Jas aan, schoenen aan,’ dirigeer ik.
Holy cow, waar is haar rolkoffertje nou weer? De net had ze ‘m nog.
Hollend op hakken rent ze richting de bushalte. Het koffertje stuitert achter haar aan. Bijna…bijna…Oeps..de bus trekt alweer op. Roos geeft een ferme mep tegen een ruit, en haalt ‘m op het nippertje.
Anders had ze mooi vijf kilometer naar het busstation kunnen lopen. Dat krijg je ervan als je laks bent…

Een paar uur later – om precies te zijn 10:06 – ontvang ik een whatsapp: “Oke dan, de cursus zou om 10 uur  moeten beginnen, en we zitten hier nu allemaal, maar er is geen leiding. WTF. Te laat komen op je eigen cursus, knap!” Tja, tijd is ook zó betrekkelijk!

 

Up-dateje over Hoogspanning

Wat een medeleven allemaal! Nee, het was geen fictie, en ik heb ook  niets overdreven.
Het gesprek met de arts is bijna drie weken geleden, en ook al was een opname en elektroshock onbespreekbaar, het gesprek dreunde zeker nog een week na. Vond het echt vreselijk.

De neuroloog waar ik al lang onder behandeling ben, vroeg wat ik ervan vond om nog een keer naar mijn medicijnen te laten kijken, en stelde een gesprek met een psychiater voor. Puur een kennismakingsgesprek. Ik dacht: laat ik mezelf (lees: man en kind) nog één, één allerlaatste kans geven, en heb toegestemd. Ik heb alleen maar slechte ervaringen met psychiaters, maar wilde positief blijven. Ergens zullen er toch ook wel aardige psycho’s rondlopen, dacht ik. Deze hork sloeg echter alles.

Over anderhalve heb ik het vervolggesprek. Daar ga ik naartoe omdat ik de uitslag van mijn bloedonderzoeken wil weten. Daarna kan de man de boom in; zo hoog mogelijk. Vanzelfsprekend neem ik Joris, mijn rots in de branding, mee.

Intussen gaat het stukken beter met me. Echt! Zelfs beter dan het in tijden gegaan is! Ik houd jullie op de hoogte. Veel liefs en dank voor jullie medeleven 🙂

Thanks!

 

Hoogspanning

Ruim twee weken geleden…

´U ziet er niet depressief uit,’ zei de dokter bij binnenkomst. Ik knikte. Ook al leef ik onder een grauwsluier, ik verdom het er verlept bij te lopen.
Het gesprek begon vriendelijk, maar ergens halverwege is er iets misgegaan. De arts  stelt vragen, maar onderbreekt me als ik antwoord geef, en kijkt elke twee minuten op z’n horloge.
‘De neuroloog denkt dat u CVS/ME heeft?’
‘Ja, daarom heeft…’
‘Hoe slaapt u?
‘Slecht.’
‘Dat doen alle depressieven,’ zegt hij afwezig.
‘Ik heb een tekort aan REM-slaap,’ zeg ik. Hij kijkt me onderzoekend aan.
‘Hoe bent u daar achter gekomen? Via Google?’ Nou ja, de hork!
‘Slaaponderzoeken bij uw collega.’ Geirriteerd rammelt hij op zijn toetsenbord en bestudeert het beeldscherm. De informatie schijnt hem niet te bevallen. Hij vouwt zijn handen achter zijn hoofd en declameert: ‘Is het leven zinvol van zichzelf, of moeten we het zinvol maken?’ Die kreet heeft ie ook niet zelf verzonnen.
‘Plato,’ mompel ik, waarom weet ik zelf ook niet.
‘Aha, een patient met belangstelling voor filosofie!’ zegt hij quasi grappig. U wilt de praktijk overnemen?’ Om er meteen achteraan te vragen: ‘Wat doet u heel de dag?’

Ik ben volkomen uit het veld geslagen. Het enige wat ik uitkraam is: tweedehands boeken verkopen voor Kika.
‘Kika? Wat is dat?’ vraagt de arts. Ben ik nou gek of hoe zit dat?
‘Kinderkanker,’ zeg ik.
‘Nóóit van gehoord,’ zegt-ie. Hij kijkt me aan alsof ik het terplekke verzin.

Verdriet raast als een inktzwarte wolk in razend tempo dichterbij. Ik kan niet meer. Deze man zuigt mijn laatste restje levensvreugde en energie op. Ik slik. Ik ga niet huilen, want die lol gun ik ‘m niet.

‘We gaan het zo doen,’ zegt hij resoluut. ‘We nemen u op in, u stopt met alle medicijnen, begint met zware nieuwe, en krijgt u een elektroshock.’ Een elektroshock? Ik pieker er niet over.
‘Ik wil geen shock,’ zeg ik.
‘…duurt twee tot drie weken,’ praat hij onverstoorbaar verder, ‘afhankelijk van het incasseringsvermogen van de patient.’ Over zijn bril, kijkt hij me veelbetekenend aan. Hij heeft niet één keer gevraagd wat ik wil. Waarom doet ie zo onsympathiek?
‘Ik wil geen shock,’ zeg ik weer. Het komt er minder resoluut uit dan ik van plan was.
‘We maken een afspraak voor over vier weken; krijgt u ook de uitslag van de onderzoeken. Neem uw man mee, dan komen we er wel uit.’ Ten teken dat het gesprek is afgelopen, staat hij op, en mag ik zijn slappe handje schudden.
Ik draai me om zodat de psychiater mijn tranen niet ziet, en vlucht de eerste de beste wc in.

Buiten slikt de betaalautomaat mijn kaartje in. Als ik een kwartier later een nieuwe heb, gaat de slagboom van de parkeergarage niet omhoog. De brug gaat open. Een automobilist vóór me rijdt een eend dood, en al die tijd schuurt het gesprek na in mijn hoofd. Tot thuis houd ik het droog. Nog maar net.