Leer vloeken

Boeren kennen het gezegde: “Neem een geit en leer vloeken.”
De eerste staat namelijk garant voor het tweede.
Geloof me: met een bruine labrador kom je een ook heel eind.
Toen we Rosa pas gehaald hadden, schreef een vriend: “Weet waar je aan begint. Het zijn bruine donders.”
Had ik Rosa toen maar meteen teruggebracht, maar ik was natuurlijk eigenwijs…

In de polder mag ze loslopen. Aan het eind van onze ronde roep ik haar.
Luisteren? M’n naadje.
Wat ik ook probeer, niets helpt: doorlopen zonder omkijken, flemen, een zalvende pathos, roepen, fluiten, uitschelden in vloeiend Rotterdams – je begrijpt: hier laat iemand zich meeslepen – maar Rosa verblikt of verbloost niet.
Na een kwartier ben ik het zo zat, ze bekijkt het maar! Ik kan amper wat zien, want m’n bril is zeiknat van de regen, en ik heb het koud. Hare hoogheid is gechipt, ze weet waar ze woont, ze ziet maar hoe ze thuiskomt.
Ik stap in de auto en rijd weg.

Wat ik hoop, gebeurt: Rosa komt in allerijl uit de bosjes gestoven.
‘Bitch!’ mopper ik goedkeurend. Ze stormt op me af, ik stap uit zodat ze op haar zeil in de kofferbak op de achterbank kan springen.
Een tel kijkt ze me aan. Haar blikt zegt: fuck you, baasje, ze draait zich om en rent achter me langs een sloot in waar een stel eenden hun roes ligt uit te slapen. Als het gevogelte is opgejaagd, klimt Rosa weer op de kant, en loopt doodleuk vlak voor me langs het weggetje over naar de andere kant. Daar gaat ze door modderplassen lopen banjeren.
Ik ben in staat me wenend ter aarde te storten, maar ik vertik het.

Een half uur en talloze gebeden later, loopt ze schoon het huis binnen. Daar gedraagt ze zich als een hysterisch opgetogen hond. Terwijl ze anders na een uur rennen, bewusteloos neerstort op haar plaid, gedraagt ze zich als een adhd-puber die de woonkamer afbreekt. Ze doet alles waarvan ze weet dat het niet mag.
Mijn boosheid bonkt tegen het plafond en ik speel mijn laatste troef uit: ik sleur haar mee naar boven, prop haar in de bench, en trek de deur van het kamertje achter me dicht. Daar mag ze blaffen tot ze een ons weegt.

Na tien minuten is ze stil en mag ze eruit.
Ik word begroet als haar beste vriend die haar op het nippertje van de verdrinkingsdood redt. Blijmoedig schurkt ze zich tegen me aan, haar kwispelen weet niet van wijken. Likkebaardend loopt ze voor me uit naar de trapkast. Bedelend houdt ze haar kop schuin: een kluifje, baas?
Fuck you, Rosa!

Roos en Rosa

Auditie

koorchicikie

Roos ging naar twee open-avonden van het Erasmuskoor en kwam stuiterend thuis: dat wilde zij ook! Lief en ik liepen niet over van gretigheid. Ze heeft meer dan genoeg omhanden als student, maar Kind had er over nagedacht. De repetitie was op de nog enige lege avond in haar agenda. Dat moest voorbestemd zijn! En als ze mijn auto mocht lenen, zou ze uiterlijk 22.30 uur thuis zijn.
Na de blijdschap van deze mededeling viel ze stil. Ze zag er ineens tobberig uit.
‘Als ik naar het koor wil…moet ik…auditie doen.En de concurrentie is moordend. Er hebben zich al hartstikke veel meiden opgegeven, waarvan sommige thuis zangles kregen…’
‘Dan moet je toonladders gaan oefenen,’ zei ik. Het klonk alsof ik er verstand van had.

Roos en ik bekeken filmpjes op YouTube en wanneer er niemand in de buurt (lees: binnen gehoorafstand) was, oefenden Roos en ik toonladders. Weer een ervaring rijker: nooit geweten dat daar zoveel verschillende deuntjes voor zijn. Eerst aarzelend (de schaamte voor vals zingen was groot) daarna iets zelfverzekerder. Van hoog naar laag en weer terug. Bij hoog leek mijn stem op een krassende kraai. Roos kwam een stuk hoger.

Een week nadat ze zich had opgegeven, zei ze: ‘De auditie is op zondagavond om acht uur bij de dirigent thuis.’
‘Zondagavond? Acht uur? Bij hem thuis?’ herhaalde ik schaapachtig. ‘Weet je vader dat al?’
‘Doe nou maar rustig,’ sprak Roos luchtig, ’het is bij hem thuis omdat zijn vrouw een muziekstudio heeft. Boven een stofzuigerzaak,’ voegde ze er aan toe, alsof deze kruimel informatie alle twijfel zou wegnemen.

Op de bewuste avond laat Roos zich door haar vader naar de auditie rijden. Het adres is nogal in een gribusbuurt.

Mijn mobiel gaat. Acht minuten over acht. Is ze nu al klaar?
‘Hoi mam,’ tettert Roos paniekerig, ‘het loopt uit! Ik ben zó zenuwachtig! Wat nou als…Oh…ik moet gaan!’ en wég is de verbinding.
Nagelbijtend roep ik alle zanggoden aan.

Tien minuten later klinkt weer mijn favoriete deuntje.
‘Ik ben toegelaten!’ schreeuwt Roos, ‘als sopraan 2!’

Nu zingt ons koor-chickie thuis uit volle borst(en.) De zanggoden zij geprezen.

Cameraman in ruste

Cameraman

De man van mijn vriendin is overleden.

Wat hij deed, deed hij met een volle 200%. Hij haalde met plezier de 60-urige werkweek.
Hij was een brainstormer, een man die ver buiten de gebaande paden dacht. Als fotograaf en cameraman/filmmaker kwam hem dat uitstekend van pas.
Dieren konden op zijn steun rekenen. In zijn telefoon was een van de eerste nummers die hij invoerde dat van de dierenambulance.

Twee jaar geleden bleek er een kwaadaardige ziekte in hem geslopen te zijn: prostaatkanker.
De prognose van de ziekte was slecht. Nederland bleek al snel het land met de duurste zorg en de minste mogelijkheden te zijn. Hier werd hem slechts palliatieve zorg aangeboden. Hij vond dat een staaltje van discriminatie. Hij wilde ertegenin, ertegenaan!
In Duitsland waren legio mogelijkheden. Artsen drukten hem ook op het hart een dieet te gaan volgen. De kans op genezing bleef klein, maar hij vatte dat hardnekkig op als de kans persoonlijk de statistieken te gaan veranderen.

Hij vrat elke letter die hij over prostaatkanker en elke mogelijke behandeling kon vinden. Hij deinsde niet terug te discussiëren met “witjassen” in het Erasmus. Hij onderging chemo’s, radiumtherapie en ervoer de kracht van het juiste dieet.
Hij bleef vastbesloten 82 jaar te worden. Zodra hij genezen was, zou hij een campagne op poten gaan zetten om het grote publiek ervan te doordringen dat kanker grotendeels ontstaat door verkeerde voeding.

Op alle denkbare manieren heeft hij geprobeerd zijn ziekte in te dammen. Daardoor heeft hij nog twintig maanden kunnen doen wat hij het liefst deed.
Voor “later” had hij nog wilde plannen.
Het heeft niet zo mogen zijn: hij is maar 51 jaar geworden.

Achter elke sterke man staat een sterke vrouw. Mijn vriendin is geen moment van zijn zijde geweken. Ze heeft “een schatkist vol bijzondere herinneringen waarmee ze nog een heel rijk leven gaat leiden.”
Ik wens haar alle kracht die ze nodig heeft…

Grumpy granny

Grumpy granny

Mijn vaders moeder was een verzuurde vrouw met felle, bruine ogen. Het gebruik van eufemismen was haar vreemd; ze klaagde voortdurend; lachte zelden en verstond de kunst met iedereen overhoop te liggen.
Van haar acht kinderen zijn er drie uit huis weggelopen. Zelfs toen ze naderhand contact met mijn oma zochten, wilde oma niets van ze weten. Ze gooide de hoorn op de telefoon of liet ze gewoon op de stoep staan.
Overal waar ze op visite kwam, bracht ze onrust in hoofd en huis. Elk familiedrama deed ze haarfijn uit de doeken. Aan elk ”korstje” peuterde ze net zo lang tot het een open wond was.

Verplichte bezoekjes waren een beproeving. Het begon al bij binnenkomst: “Zo, komen jullie je zakgeld weer halen?” snauwde ze naar mijn broertje en mij. Die gulden kon ons gestolen worden. Liever hadden we dat oma eens vriendelijk naar ons lachte.
Op mijn broertje had ze de pik. Waarom? Iemand moest het zijn en hem kon ze hebben. Niet dat hij lastig was. Het kereltje zat intens braaf op de bank, bang zich te verroeren of op te vallen.
Later pakten we het anders aan.
‘Jongens, gaan jullie mee naar oma?’ riep mijn vader of moeder.
‘Welke oma,’ wilden we weten. Oh….die… ‘Nee, we hebben nog huiswerk!’

Omdat familie verspreid over het land woont, kreeg oma mondjesmaat bezoek. Vanwege haar vloekopwekkende karakter werd dat bezoek alsmaar minder. Niemand die in een opwelling van stoutmoedigheid oma ongezouten de les durfde te lezen. Ze had een zwak hart en stel dat ze erin bleef…dan had jij het gedaan…
Oma zal zich niet gerealiseerd hebben dat ze door haar eigen gedrag eenzaam oud geworden is. Mijn vader bleef trouw gaan, omdat hij zich daartoe sociaal verplicht voelde.

Haar uitvaart was eerder een gezellig samenzijn dan een rampzalige gebeurtenis.
Over de doden niets dan goed, hoor ik je denken.
Wel: op handwerkgebied was ze een creatieve duizendpoot.

Ik heb geprobeerd mijn oma te begrijpen.
Haar leven ging niet over rozen, maar dat geldt ook voor mijn andere oma en zij was de moeder Theresa van Rotterdam. Waarom kan het ene mens het goede in de ander blijven zien en ontwikkelt het andere een allergie voor emoties? Is het onwil, onmacht, overmacht?
Ik koester geen wrok tegen mijn zure oma. Integendeel: ze was mijn voorbeeld hoe ik NIET wilde worden.
En door haar hield ik nóg mijn meer van mijn andere oma.
Wat ik een prestatie vind, is dat geen van haar kinderen haar gedrag gekopieerd heeft.

Hebben/hadden jullie een lieve oma? 

Poepen op een emmer

Rosa is me er eentje.

’s Nachts sliep ze in haar bench tot een uur of drie, vier en begon dan te piepen. Eerst holden we met haar naar buiten zodat ze een plas kon doen. Eenmaal buiten beperkte ze zich tot snuffelen.
We trapten er niet meer in en zeiden: “Negeren,” tegen elkaar.
Wij hielden het lang vol.
Rosa nog langer. Haar piepen werd hoger, luider en ging uiteindelijk over in langgerekt gehuil.
We uitten onvriendelijke bewoordingen die Rosa dan weer feilloos negeerde.

Ik was in staat haar alles te geven: kipkluifjes, aufwiederschnitzels, een leverworst of gehaktballen. Als ze haar bek maar hield. De wetenschap dat ze het lekkers als beloning zou zien én het verorberen slechts vijf minuten stilte zou opleveren, hield me tegen.
Rosa bleef er florissant uitzien, wij zo moe als een hond.

Toen, op een nacht, laaide er zo’n primitieve vijandigheid in me op dat ik haar ’s nachts uit de bench de woonkamer in joeg. Het liefst had ik een toffel naar haar hoofd gegooid, maar – ook al ben ik zo opgevoed – zo doe ik niet.
Rosa sprong op de tweezits met kleed, rolde zich op, slaakte een diepe, diepe zucht en sloot direct haar ogen.
Ik trippelde terug naar mijn mandje boven. Manlief keek me gealarmeerd aan: wat heb je nu weer gedaan? Maar het ging goed: ze bleef stil.

En ze blijft stil. Totdat…
…wacht, kom even wat dichterbij, het is nogal genant… totdat ze mij boven op de wc (!) hoort plassen. Dan begint ze te janken met het volume op tien, want: er is er één wakker, hoera, hoera, en ik kan wel horen wie dat is….
Ik heb geprobeerd mijn strakke straalstroom in te dammen tot een miezerig stroompje maar zelfs dat hoort ze.
Voortaan maar op een emmer plassen. Nog een geluk dat ik ’s nachts nooit een grote boodschap hoef te doen…

De bench is weg en ik heb mijn schrijfplekje in de keuken weer terug 🙂

Schrijfplekje

De rendiertrui

Liefde

Sinds hun vijftiende zijn ze samen. Al zijn ze een aanhankelijk stel, er is een onderwerp dat ze mijden als de pest. Haar man is een fervent jager en dat gaat elk sprankje levenslust bij Mia te boven. Zij is niet voor niets vleesgetariër geworden. Dus heeft ze voorwaarden gesteld: thuis wordt niet gesproken over de jacht en de vangst, en geen foto’s getoond. ‘Anders schiet ik persoonlijk met je eigen geweer een schot hagel in je kont,’ had Mia dreigend gezegd.
Hubertus geloofde van dat laatste geen barst van maar ging akkoord met haar regel. Elke liefde heeft zijn prijs.

Onverwacht komt Mia een uurtje eerder thuis. Ze gooit haar sleutels op het aanrechtblad, werpt een blik op het brood in de Aga-cooker, schenkt voor zichzelf een kop koffie in en stapt de woonkamer binnen.
Haar man is zo geanimeerd aan het woord dat hij haar binnenkomst niet bemerkt. Hun oudste zoon echter laat geschrokken zijn onderkaak vallen.
Hubertus draait zijn hoofd om en klapt tegelijkertijd met een hand zijn laptop dicht. Het kwaad is al geschied. Op het beeldscherm stond een foto van zijn trotse zelf met in iedere hand een dode haas. ‘Het is net als bij The A-team, schat,’ probeert hij nog, ‘je ziet geen spatje bloed!’
Die opmerking maakt Mia nog razender dan ze al is.

Toch denkt ze na het incident: laat dat schot hagel maar zitten. Ik ben er te weekhartig voor.
Ze pakt het liever op andere manier aan.
Na een week in de logeerkamer wordt Hubertus weer liefdevol ontvangen in de echtelijke sponden. Hij is in zijn nopjes.
Zij ook, want ze heeft nog een troef achter de hand.

Zijn Noorse rendiertrui nadert de voltooiing. Op de voorkant sneeuwsterren met een rij rendieren, en op de achterkant een enkel exemplaar met een indrukwekkend gewei. Ze heeft haar man beloofd de trui op tijd af te hebben. Hij wil er de blits mee maken tijdens de jaarlijkse jagersvergadering.
Ze moet wel zien te voorkomen dat haar echtgenoot zijn nieuwe trui zonder leesbril bekijkt en aantrekt.

De “fout” zal niet lang onopgemerkt blijven door de jagersblikken, en gegniffel opleveren. Waarschijnlijk van korte duur maar serieus genoeg om haar man eraan te herinneren dat hij de huisregel heeft overtreden.
Mia prijst zich gelukkig met haar creatieve inslag. Al is het niet zo heel moeilijk een rendier te breien met een – iets te korte – poot extra op een voor de hand liggende plaats.