Hannibal en Lena

Altijd behalve soms, gebeurt er wel wat als ik op de fiets zit.  Zo ook vandaag. Niet dat ik dat al weet natuurlijk. Als argeloze voorbijganger, kijk ik nog onschuldig om me heen. Omhoog bijvoorbeeld, naar de stralende blauwe lucht en de zon die goed schijnt.

Ik mag onderweg graag naar koeien kijken. In de buurt van Oudewater staat in het seizoen altijd een blonde koeienkudde met veel kalfjes.  Vandaag staat er ook een tractor in de wei. Zo te zien heeft hij net het gras omgeschud op het weiland naast de koeien. Nu is ie onderweg naar de uitgang. Eerst moet een stuk schrikdraad losgemaakt worden om in de wei van de koeien te kunnen komen. Een klusje van niks, zou je denken. Blijkbaar is er een probleem. Maar wat? Iemand in de tractor zwaait met zijn arm en roept iets. Maar naar wie of wat? Ik verrek bijna mijn nek (hoezo nieuwsgierig?) en dan zie ik hem staan. Hoe heb ik dat beest in hemelsnaam over het hoofd kunnen zien? Een enorme stier staat stevig naast het stukje draad. Vooralsnog niet van plan opzij te gaan. Stuurt de boer naar rechts, dan doet de stier een stap naar voren. Rijdt hij naar links, dan doet het beest een stap naar achteren. Het ziet ernaar uit dat dit nog wel even kan gaan duren. Hopelijk heeft de bestuurder wat te eten meegenomen. De boer zwaait weer met zijn arm, roept de stier allerlei verwensingen toe, maar zonder resultaat. Integendeel. De stier neemt een dreigende houding aan en schraapt met zijn poot over de grond. Na vijf minuten wil ik opstappen. Net als ik dat wil doen, krijg ik medelijden met de boer en voel ik me een slapjanus. Lekker makkelijk om weg te rijden.

Weet je wat, ik trek mijn fietsshirt uit en zwaai er wat mee naar de stier. Hopen dat ie kijkt. In m’n zweethemdje loop ik een stukje over de weg naar links, zodat ik in het gezichtsveld van de stier kom te staan. Niet geheel okselfris begin ik met mijn bontgekleurde shirt te wapperen. Eerst gebeurt er niets. Wel trekt het geheel een aantal toeschouwers. Zo ook drie heel stoere mannen op een mountainbike. De één draagt een witte, de ander een rode en de laatste een blauwe helm, inclusief alle drie een wappershirt en kuithoge sokken. Ze staan zich te vermaken. Flinke taal, spreken ze. Maar ze verroeren geen vin. Sta ik me daar een beetje aan te stellen. Ik voel me een blote idioot. Nu ik toch voor joker sta, wil ik wel volslagen in mijn plan. Die stier zal me in zijn vizier krijgen ook. Ik zal wel eens even laten zien dat ik meer ballen heb dan die stoere binken bij elkaar!

De stier zwaait met zijn kop heen en weer. Zodoende ziet hij mij. Hij draait een kwartslag, schraapt weer met zijn poot. Kijkt in mijn richting. Langzaam komt hij aangelopen. Oh shit. Eerlijk gezegd heb ik het niet zo op stieren. Waarom moest ik me er nou weer zo hoognodig mee bemoeien? Ik zie die grote stier en dat kleine stukje draad dat tussen ons in staat. Is dat wel genoeg? Zal ik me achter de mountainbikers verstoppen? Dan maar geen lefmeid. Maar het is al te laat. De stier zet zich nadrukkelijk in beweging. Terplekke blijf ik bijna dood. In mijn ooghoek zie ik de boer druk bezig: uitstappen, draad losmaken, instappen, doorrijden, uitstappen, draadje vastmaken en weer instappen. Ik heb het gevoel alsof de tijd stil staat. Bewegingloos sta ik langs de kant met het fietsshirt slapjes  in mijn hand. Alsof ik bevroren ben. Ik wil hier weg, maar mijn voeten doen het niet. Steeds dichterbij komt de stier. Ik zie zijn kolossale lijf; zijn massieve kop met  horens; ik kan hem zelfs ruiken. Hij ziet er geïrriteerd uit. En door wie zou dat komen? Hij schudt weer met zijn kop heen en weer, en met die staart slaat hij heus niet alleen om de vliegen weg te houden. Kon ik maar door de grond zakken. Na vandaag verandert mijn leven 360 graden in de rondte. Nooit zal ik meer kunnen fietsen. Alleen door dit enorme beest.

Achter me staan de drie flinke binken me uit te lachen. Stelletje langharig tuig. Kunnen ze wel? Met de grootst mogelijke inspanning, slaag ik erin één een stap naar achteren te doen. En nog één. Niet dat het zoveel verschil maakt. Het is slechts uitstel van executie. Ineens vanuit het niets komt de tractor met een rotgang aanrijden. Plotsklaps is zomaar ineens alles voorbij. Als bij toverslag laat de stier alle belangstelling varen; kuiert op z’n dooie gemak bij me vandaan,  zo, hup, naar zijn harem toe. Tien meter verderop gaat ie met zijn kont in mijn richting staan, doet zijn staart omhoog en gaat staan schijten. Zelfs van deze afstand kan ik de flatsen horen vallen.

Alle toeschouwers stappen weer op de fiets. De show is voorbij. Nu ik weer mijn eigenste zelf ben geworden, weet ik niet hoe snel ik mijn shirt weer aan moet trekken. Door de haast trek ik ‘m eerst achterstevoren aan. De boer komt de weg oprijden. Ik wil opstappen, maar hij wenkt me. Is dat wel verstandig, vraag ik me af. Aarzelend loop ik in zijn richting. Hij schatert luid: “Haha, je bent voor mij nog banger dan voor de stier, zie ik!” Ik geneer me. Snel over iets anders gaan praten. “Moet u morgen … eh… weer dat gras schudden,” vraag ik. Hij knikt. “Ja en overmorgen moet de baalwagen erdoor.” Dat is… balen. “Bedankt voor het afleiden van de stier. Schrijf dat maar met een lange ‘ij’. “Meestal helpt mijn zoon, maar die is ziek.” “Zwaait hij altijd met zijn boerenzakdoek?” Het is eruit voor ik er erg in heb. Ik ben ook zo’n enorme sukkel. De boer kan er niet mee zitten. “Vorige week heeft de stier een tractorband vernield” gaat hij openhartig verder. “Gewoon… zomaar?” Intelligente vraag, ik ben goed bezig. “Uit nijd en beschermingsdrang. Kostte me handen vol geld.” “Waarom verkoopt u hem niet?” Haha, mijn vrouw zegt precies hetzelfde! Maarre… hij doet zijn werk goed hè?” zegt de boer met dikke pretogen, knikkend in de richting van de kalfjes. Aha, penisnijd. “U bent jaloers!” zeg ik. Nu komt ie niet meer bij. Hij lacht loeihard, slaat zichzelf enthousiast op de knieën. Met: “ Mevrouw, het was me een genoegen,”rijdt hij weg.  Bijna wil ik  ‘wederzijds’ zeggen, maar ik weet me te beheersen. “Tot ziens” roep ik.  “En beterschap voor uw zoon!” voeg ik er snel aan toe. Want dat kunnen ze allebei wel  gebruiken.

Na een tijdje zie ik vóór me drie stipjes in onze nationale driekleur. Daar rijden de stoere ridders,  die van die wappershirts en kniekousen. Niet veel later rijd ik in het achterwiel van de laatste. Er wordt gekeken, wat gezegd en gas gegeven. Ik geef ook gas. Weer kijken. Ja hoor, ik ben er nog. Ze doen er een tandje bovenop. Ik doe ook mee. Nummer 1 heeft het een beetje gehad en laat zich zakken. “Fietsen jullie wel vaker?” vraag ik hem. “Ja, meestal met z’n 3-jen.” Fiets jij bij de Waardrenner?“ vraagt hij mij met een blik op mijn fietsshirt. Ik knik. “Willen jullie misschien lid worden?” Ik vertel over De Waardrenner en over de site.  “Nee, dat hoeft voor mij niet. Ik fiets niet met wijven.” Wat een lekker ding die man, echt helemaal mijn type, maar dan anders.  Zak door je frame, denk ik. Hij heeft toch een helm op. Ik fiets zo snel mogelijk bij ‘m vandaan. We rijden op het fietspad naar Stolwijkersluis; waar het pad iets omhoog gaat. Nummer twee houdt het ook voor gezien.  Ik zeg niks, rij door. “Ja, jij hebt de wind mee,” snauwt de laatste overgebleven fietser, zodra  ik ‘m voorbij rijd.  Dit is werkelijk de meest geweldige smoes die ik ooit heb gehoord!  “Ja en jij rijdt zeker met wind tegen?” geef ik als commentaar. “Wij hebben anders AL 35 kilometer gefietst. “Ach, dan zullen jullie vanavond wel zwarte wallen onder jullie ogen hebben.  “…en hoeveel km heb jij gereden?” laat hij erop volgen. Ik haal mijn schouders op, gelooft ie toch niet. Even rijden we naast elkaar. Hij werpt een blik op mijn teller. 67,12 km staat erop. “Heb jij dat gefietst?” vraagt ie. Ik knik. “Je liegt,”zegt ie. Zie je, ik zei het toch? “Maar weet je, fietsbenen liegen nooit,”zeg ik. Ik schakel en rijd weg. “Doe je vriendinnen achter je de groeten,” werp ik m nog snel toe. In mijn achteruitkijkspiegeltje zie ik dat ze hun middelvinger naar me opsteken. Maar dat heb ik natuurlijk niet gezien. Wat een geluk dat ze geen lid willen worden!

Lena

Waarom blijft het nooit bij één ding tegelijk? Is één ding niet genoeg op een dag? Is dat ook een wet van Murphy? Bijna thuis, fiets ik over de Tiendweg. Wat zien ik? Een koe in de sloot. Pal tegenover de sloot waar de koe in ligt, staat een huizenblok. Op hun dooie gemak, staan twee heren met een biertje in hun handen de gebeurtenissen vanaf hun balkon te volgen. De koe staat in de sloot; klautert moeizaam met twee poten op de kant. Hijgt even uit. Probeert zichzelf met de rest van haar lijf omhoog te hijsen, maar geeft het op. Glijdt terug in de sloot en gaat kopje onder. Gelukkig komt ze wel weer boven. Zo te zien is het beest op.

“Hoe lang ligt de koe al in de sloot?” vraag ik met mijn hoofd in de richting van de twee heren.
“Bijna 3 kwartier,” zegt één van beiden in een Feyenoordshirt.
“Heeft u de boer al gebeld?”
“Nope.”
“Brandweer misschien?”
Beiden schudden nee.
En ineens word ik boos, zó BOOS. Moet deze voorbijgangster soms alles weer regelen? Jemig, ik zit toch niet bij de politie? Die kan collega’s aansturen, ik kan het helemaal alleen in mijn eentje opknappen. Waarom laten de heren hun handen niet wapperen? De opstandigheid voel ik in me opborrelen, van mijn tenen naar mijn kruin. Het moet er ergens uit, want ja, blijven zitten kan het niet. Mijn mond is daar de aangewezen plek voor. Pisnijdig vraag ik of het soms teveel moeite voor ze is om iets te regelen.

“Bemoei je er niet mee, anders zal ik eens van mijn balkon afkomen!”
“Oh, gaan we zo beginnen? De flinke bink uithangen, stoere taal praten, maar Feyenoord zou zich voor je schamen: geen daden maar woorden.”  Toegegeven: beetje overdreven reactie van mijn kant, maar als ik pissig ben, dan ben ik zo…pissig. Honend gelach. “En wie neem je daarvoor mee?”

“De eigenaar van de koe. Waarschijnlijk een boer op een tractor. Kijk maar uit dat ie geen balkonrot veroorzaakt in je balkonnetje.”  Subtiel zijn behoort ook niet tot één van mijn karaktertrekken. Daar heb ik mijn man voor; hij heeft genoeg voor ons allebei.
“Stom wijf! Houd je bek!”
“Mannen die niet tegen  bier kunnen, gaan altijd dergelijke taal uitkramen. Wees eens origineel.”

Ik draai mijn fiets een hele slag, terwijl ik erop blijf zitten en ga op weg naar de boer van wie ik vermoed dat hij de eigenaar van de koe is. Een eindje de Tiendweg af, linksaf over een aantal betonplaten. Plakkaten opgedroogde koeienstront. Je moet er wel wat voor over hebben. Oh wee, als mijn fiets vuil wordt. Gelukkig heeft het al een tijdje niet geregend. De boer kijkt wel een beetje vreemd op van mijn verschijning. Als ik mijn helm afzet, herkent hij me. Ik vertel van de koe. Hij knikt en zegt: “Ik kom er meteen aan.”  “Kunt u misschien een beetje onvriendelijk doen tegen een meneer op een balkon, want toen ik vroeg waarom hij geen actie ondernomen had, wilde hij van zijn balkon afspringen en even naar me toe komen.” Ik kijk er enigszins hulpeloos bij. Als ik wil, kan ik dat best goed. Hij snapt wat ik bedoel.

De koe-eigenaar stapt op de tractor en scheurt weg. Vanwege de stofwolken volg ik op veilige afstand. Snel zijn we bij de koe. Mijn fiets zet ik tegen het hek.
“Hé Johan!” roept de boer. Johan?? Staat die ene Johan toevallig op een balkonnetje? “Hé Adrie, ben jij het?!”
“Had je me niet ff kenne waarschuwen, over die koe?”
“Ik wist toch niet dat het jouw koe was, man.”
“Doet dat er wat toe dan van wie dat beest is. Ze leg hier bijna te verzuipe.”
Hij zet de tractor uit. Pakt dikke roodgekleurde riemen. Een riem gaat om haar kop en de tweede achter haar voorpoten langs. De boer start. “Het is Lena,” zegt hij tegen mij, “ze is drachtig.”

Ik spreek Lena bemoedigend toe, of dat helpt is een tweede.  Zodra haar voorpoten op de kant staan, stopt de boer. Ze ademt zwaar. Johan en Fshirtje komen haastig aangelopen. Nu de laatste binnen oogbereik komt, herken ik hem. Niet persoonlijk, maar van het voorbij rijden. Hij bestuurt een aftandse, doorgeragde Opel van ver vóór de Golfoorlog. Zelf is ie iets jonger, type stoere guy. Ik keur de beide heren geen blik waardig. De boer evenmin. Langzaam geeft ie weer ietsje gas.

Als de voorste helft van de koe op de kant ligt, moet er over haar rug en om haar achterpoten ook een riem komen. We kijken elkaar aan. Johan voelt zich verplicht tot enige assistentie, maar in de sloot gaan staan om een koe te redden is wat teveel gevraagd van ‘m. Fje kijkt naar de grond; hoezo stoer? Ik doe het wel; moet toch nog douchen. Bijna glijd ik onderuit als ik in de sloot stap.  Het is dieper dan ik had verwacht. De riem krijg ik redelijk snel vast; het hijsen kan beginnen. De koe is languit op haar voorpoten gaan liggen.  Zachtjes geeft de boer gas. Moeizaam en vooral langzaam komt ze overeind. Ze hijst  zichzelf helemaal op het gras; gaat er meteen weer bij liggen. Ze is bekaf.

“Kom Lena, opstaan,”zegt de boer en prikt haar met een stok. “Ze moet gaan staan. Ik neem haar mee naar de stal, dan ken ik haar in de gaten houden. Mevrouw bedankt.” Ik steek mijn hand op en wil als de sodemieter naar huis want ik heb een hongerklop van heb ik jou daar. Ik wil mijn fiets pakken, maar het hek waar ze tegenaan stond is weg. Nee, het hek niet…mijn fiets!  Ik ben een beetje de kluts kwijt door een hongerklop; heb trilhanden en bibberknieën. Waar is mijn fiets nou toch? Zoekend kijk ik om me heen.

Ik kijk in het sarcastisch grijnzende gezicht van Fje. Hij houdt mijn fiets onelegant met 1 vinger onder haar zadel vast. Ik raak in paniek. Even maar, maar net lang genoeg voor Fje om het te zien. Die grijnst tart me. Mijn paniek is al over; mijn bezitsdrang voert nu het bewind.
“Geef hier die fiets!” zeg ik en maak een beweging met mijn wijsvinger, zo van: hier met dat ding.
“Oh ja, en wat anders?” grijnst hij vals.
“Ik weet waar je woont.”
“Dus….”
“Dus: gooi ik stenen door je ramen, zaag je balkon om, smeer kauwgum in je deurslot, gooi hondendrollen door je brievenbus, en stop een paar suikerklonten in de benzinetank van je auto.”
“Haha, daar zit een slot op.”
“Niet op dat oude ding waar jij in rijdt.” Zijn gezicht verstrakt: hoe weet ik dat?
Bij mij zit het tot hier! Ik loop te trillen van de honger. Straks haal ik niet eens mijn eigen voordeur.
“Hier met die fiets!” dirigeer ik. Zelfde handgebaar. Hij gooit haar bijna in mijn richting.
“Je hebt wel een grote bek voor zo’n dun wijf.”
“Een skinny bitch heet zo iemand, maar ik heb wel meer ruggengraat dan jij.”
“Ik zou je zomaar op je bek kunnen slaan.”
“En ik zou zomaar een aanklacht tegen je in kunnen dienen.”

“Laat die mevrouw met rust! Sodemieter op!” brult de boer boven de herrie van zijn tractor uit.  In een slakkengang rijdt hij richting de stal. Lena vastgebonden achter de tractor; zwaar sjokkend. Johan neemt toch nog onverwacht de taak van assistent op zich, want hij pakt Fje vast en zegt: “Kom dan gaan we een biertje drinken.”  Ja, dat hebben beide heren wel verdiend. En ik heb haast! Ik wil naar huis, gauw. Ik wil eten, eten, eten. Ik neem mezelf voor, dat als ik later deze week de boer tegenkom, zal informeren naar de gezondheid van Koe en Kalf.

Thuis: “Zo mam, wat zie jij eruit! En je stinkt!” Typisch Zij. Eerst een boterham eten en een juutje drinken. Dan pas vertel ik over de koe. “Cool, mam! Had me ff gebeld joh! “Dan was ik meteen komen kijken en had ik foto’s gemaakt met m’n mobiel”  Schaterend zit ik op de grond. Ik kom niet meer bij. Dit is precies wat ik nodig heb! Zingend stap ik onder de douche. Niet te hard natuurlijk, anders zakken de tegeltjes naar beneden.

Ruim een week later; ik ben aan het hardlopen met de buufhond. Ik zie dat de boer op z’n trekker mijn richting op komt rijden. Hij stopt. Hij zegt dat het goed gaat met Lena, maar dat haar kalf 3 dagen ‘na die toestand’ dood is geboren. “En ’t was zo’n mooi kalf joh, een Lakenveldertje.” “Wat jammer!” Hij knikt. Ik knik.  Hier hebben we beiden niets meer aan toe te voegen. We vervolgen ieder onze weg, een illusie armer.

5 thoughts on “Hannibal en Lena

  1. Goh je nam me helemaal mee in je verhaal. Ook omdat ik precies weet natuurlijk waar het was kon ik zo de beelden er bij invullen. Wel jammer dat het kalf het niet gered heeft. Ik zag het vorig jaar ook toen er een koe in de sloot zat, iedereen fietste gewoon door. Nou ben ik niet de sloot in gegaan zo stoer ben ik dan niet maar wel de boer gewaarschuwd en gewacht tot hij kwam.

  2. ik ben geboren op een veeboerderij,
    ik zag het zo voor me!
    en die idioten….tja, zijn van alle tijden, had je toen ook al!
    maar je staat echt wel je vrouwtje blijkbaar 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *