De drie uitslovers

Keek op de week (232)

‘Leuke spijkerbroek met hartjes heb jij aan,’ zei vriendin Mar in bakkerij waar wij verse  muntthee bestelden. ‘Heb jij die zelf geborduurd?’ vroeg ze ongelovig.
Ik stond bij haar duidelijk in categorie: #kangeenknoopaannaaien.
‘Ga eens staan,’ commandeerde Mar. Ze wees naar zijkant broek en vroeg: ‘Wat staat daar?’
‘We can be heroes.’
‘Waar is dat van? vroeg ze.
Waar is dat van? Sjezus mina! Ken uw klassiekers!
Dacht terug aan toen Mar vorig jaar terugkwam van vakantie uit Frankrijk. Ze liet mij foto op telefoon zien. Foto van haar met zongebruinde man met vriendelijk gelaat. Achterover gekamd grijs haar, roze overhemd met spencer in pasteltinten. Was het een Fransman of BN’er? Een zanger, iemand van tv? Kon niemand bedenken. Waarop Mar ontsteld riep: ‘Hij is van de Meilandjes!’
Het zei me geen jota, maar nu staan zij en ik wel quitte.
Gretig vroeg ze: ‘Wil jij op mijn spijkerbroek ook hartjes borduren? Hoeveel kleuren garen heb je?’
‘Wel honderd.’
En dan naai ik er ook nog een knoop op.

Bij speelplein vroeg jongetje. ‘Was jij je handen voordat jij iets eet?’
‘Meestal wel, maar soms vergeet ik het.’
‘Wanneer vergeet jij het?’
‘Als ik kaakje uit trommel pak,’ zei ik. Moest oppassen dat ik opvoeding van kind niet naar gloria hielp.
‘Wanneer was jij je handen wel?’ vroeg jongetje.
‘Na het poepen,’ zei ik. Dat was in elk geval eerlijk.
‘Poepen!’ riep hij schaterend. Hij maakte dansje terwijl hij zong: ‘Poepen scheten kakkie drol stront poep kont.’
Werd terug gekatapulteerd naar rommelzolder van mijn geheugen. Was ik vier? Springtouwend zong ik zelfde soort liedjes. Buren spraken er schande van.
Ben best redelijk terecht gekomen.

Voor me op fietspad reden drie mountainbikers uitsloverig naast elkaar.
Belde om te kunnen passeren.
Er werd gekeken. Ingehaald worden door vrouw op racefiets? Aan hun nooit niet!
Ze gingen harder fietsen. Was dit het hoogtepunt van hun dag?
Na tijdje keken ze achterom, verwachtend dat ze me op afstand hadden gereden.
Deed tralala met vingers.
Kon erlangs door berm. Niks mis met beetje veldrijden. Kwestie van terugschakelen, tempo maken en elleboog uitsteken, maar ik rook een kans. Mountainbikers waren onbekend met route, en ik vermoedde dat ze bij t-splitsing rechtsaf gingen.
Jawel!
Twintig meter verder is haakse bocht naar links, door bomen en struiken aan zicht  onttrokken. Het trio hield te veel rechts aan en reed zich vast in grindlaag op boerenerf.
‘Goed gedaan, meiden!’ riep ik ze na.

‘Zie je iets bijzonders aan deze theedoek?’ vroeg Man. Hij hield lap stof omhoog waar drie gaten in zaten. Door een gat zag ik bekend kleur oog.
‘Ja, die is leuk! Blauw met wit, en rode bloemen.’
‘Er zitten drie gaten in!’ riep Joris.
‘In jouw onderbroeken zitten vier gaten,’ verdedigde ik droogdoek.
‘Deze kan je toch niet ophangen? Als er visite komt…’
Na het woord visite proestte ik. ‘Dan vindt visite daar toch iets van? Trouwens, er komen  hier alleen lieve familie en echte vrienden. Die malen nergens om. En de theedoek is nog uit de Bouwvereniging (mijn dijkhuis.)’
Zwijgend hing Joris de doek met gaten terug.

De spaghetti-koe

Keek op de week (231)

Foto: Pixabay – AdelineZW

Het Schuifeloudje is overleden.
Anderhalf jaar geleden werd ze opgenomen in een gedateerd verpleegtehuis.
‘Wat een ouwe meuk,’ klaagde ze.
Haar kamergenoot – Fien – was een zo goed als blinde vrouw van 97 jaar. Zachtmoedig en bescheiden. Kreeg 5 kinderen en 16 pleegkinderen.
‘Ze is ver-schrik-ke-lijk katholiek,’ zei Schuifelbejaarde op toon alsof kamergenoot builenpest had. ‘Elke ochtend vraagt ze of ik haar kwartier wil voorlezen uit bijbel. Daar heb ik geen zin in,’ sprak ze nukkig. ‘En ‘s nachts steelt ze mijn chocola!’ priemde ze met wijsvinger naar lege bed van ‘dader.’
Om Fien voor verdachtmakingen te behoeden, kocht ik voor haar ook chocola.
‘Waar is dat voor nodig?’ informeerde Schuifeloudje. ‘Je komt toch voor mij?’
Begin april verhuisde het Oudje met bewoners en personeel naar nieuw pand, met eigen kamer met douche en wc. ‘Ik vind de inrichting niet mooi; ik hou niet van blauw,’ mopperde ze.
Het gebruik van eufemismen was haar vreemd. Tegen een bewoner die ze niet aardig vond en die haar kamer binnenkwam, riep ze: ‘Oprotten!’
Dat ze door haar eigen gedrag ‘eenzaam’ oud werd, realiseerde ze zich niet.
Haar gezondheid ging achteruit en ze werd weer het Ligoudje. Ze overleed in haar slaap.
Tot het laatst werd ze liefdevol verzorgd door het personeel. Een van hen zei bij het afscheid: ‘Ze was een aardige vrouw maar kon fel uit de hoek komen.’
Over de doden niets dan goed, hoor ik je denken.
Wel: ze kon goed schoonmaken en ze hield van zingen.
Wat rest is stilte. Stilte, omdat de juiste woorden soms niet te vinden zijn.

Zette fiets tegen hek en holde naar boerderij. Bonkte op voordeur, stal- en zijdeur. Riep: ‘Hallo! Vol-lek!’ Gluurde door ramen. Drie auto’s en fietsen stonden op erf.
Geen mens te zien.
Ik liet het bezinken en ineens wist ik het: Het was zondagochtend. Iedereen zat in de kerk.
Hoelang zou dierenambulance erover doen?
Te lang.
Maar ja, ik kon niet niks doen, want dan ging koe dood. Sprak mezelf moed in: Joris zou het óók doen. Klom over hek. Raapte plat plastic ‘touw’ van grond en bond uiteinde stevig om hek. Dubbele knoop erin.
Andere eind had rund in haar bek. In tussentijd dat ik bij boerderij rondliep voor hulp, had ze minstens vijf meter opgevreten. Zou beest denken dat het spaghetti was?
Wachtte tot koeien uit zichzelf naar mij toe kwamen. Ze snoven aan broodje kaas in achterzak. Een tong likte aan mijn mouw. Als dat geen liefde is (-:
Spaghetti-koe stopte met kauwen en keek me met grote ogen sprakeloos aan.
‘Je bent lief,’ zei ik, ‘maar niet zo snugger.’
Sjorde aan touw, en slijm en speeksel glibberden door mijn hand. Het was zum kotsen. Geen bloed.
Koe hield bek open en ik trok laatste stuk plastic eruit.
Sjorde alles goed vast om hek en spoelde handen schoon in de sloot.
‘Dag koe, het ga je goed!’

Liep met Rosa midden in de polder en zag wonderbaarlijk fenomeen. Moest knipperen met ogen om het te kunnen geloven. Een km van bewoonde wereld had iemand figuren in gras gemaaid. Nieuwsgierig wandelde ik eroverheen. De eerste was een rotonde met maar één in-/uitgang, die overliep in twee niet nader te omschrijven figuren. Had ik maar een drone gehad.
Was dit het werk van zich bewusteloos vervelende pubers? Iemand die zijn nieuwe grasmaaier wilde uitproberen? Tekens van een Marsvrouwtje? Uit de hand gelopen hobby? Een challenge? Vrijgezelligfeest van een hovenier? It beats me completely.

De afvallige

Keek op de week (230)

Pakte broodje uit schap en stopte het in wasbaar zakje. Broodje nummer twee viel voor mijn voeten op grond. Raapte broodje op en legde het op broodbalie.
Zei: ‘Sorry, heb deze op grond laten vallen.’
Jongeman – lang, bleek, acné – keek verveeld.
Snap dat puber er opwinding niet van afzag.
Hij graaide broodje weg en smeet het richting afvalbak. Naast. Weifelend keek hij naar mij.
‘Geef jezelf nog een kans!’ moedigde ik hem aan.
Raak!
Jongen schopt het nog ver.

Aan buitenkant politiebureau in Oudewater hingen bordjes. ‘Verboden fietsen te plaatsen.’
Kwam dat even goed uit!
Gooide racefiets om schouder en stapte bureau binnen.
Agent achter balie trok eerst wenkbrauwen op en schoot daarna in lach. Zestiger, wit haar en vriendelijk gezicht. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt.’
‘Het is denken in oplossingen, toch?’
‘Ik zal niet zeggen dat dit bedoeling is, maar het is zeker creatief. Wat kan ik voor u doen?’
Ik wil graag een gevonden telefoon afgeven,’ zei ik, en legde die op balie.
Agent keek in hoesje – met bankpassen – en trok toetsenbord naar zich toe.
‘Ik vond ‘m langs de Linschoten….bij ophaalbrug even voorbij galerie-boerderij.
Man knikte dat hij locatie kende.
Typend met twee vingers vroeg hij: ‘Wilt u gegevens achterlaten zodat eigenaar contact met u kan opnemen?
‘Alstublieft niet. Ik ben blij dat ik ervan af ben.’
‘Bedankt dat u netjes en creatief uw burgerplicht hebt gedaan.’
Liep proestend bureau uit.

Gebeurde tijdens winkelexpeditie met Man. Hij wachtte buiten terwijl ik afrekende in Hunkemuller, want meegaan winkel in, is Joris een beha te ver.
Kwam A. tegen en zij begon gesprek. Toen A. even ademhaalde, haastte ik me te zeggen dat Joris op me stond te wachten.
‘Wie is het?’ vroeg A. ‘Die aan de overkant?’
Knikte.
‘Knappe vent! ‘ riep A. ‘Lang en slank, en hij heeft al zijn haar nog!’
Probeerde met nieuwe blik naar Joris te kijken. Hij zag me loeren en knipoogde.
‘Sjézus!’ riep A. ‘hij knipoogt zelfs nog naar je. Ik ben blij wanneer mijn man me gedag zegt als-ie thuiskomt van zijn werk.’
‘Knipoog eens naar hem,’ adviseerde ik. De wetenschap dat Joris niet opkijkt als ik nakend voor zijn aangezicht verschijn, hield ik voor mezelf.

‘Ik ben uit de kerk gestapt,’ zei Astrid. Dorpsgenoot, 82, vitaal, vrolijk en met vleugje lippenstift. We stonden in de zon bij het carillon.
‘Waarom?’ vroeg ik.
‘Een man –  homo – heeft sinds kort een vriend waarmee hij samenwoont, en de nieuwe dominee vindt dat de homo moet kiezen tussen zijn relatie en de kerk.’
‘Heb uw naasten lief behalve als ze homo zijn.’
‘Kortzichtig gedoe! Het was de laatste druppel,’ mopperde Astrid. ‘Helft van de mensen uit de kerk die ik mijn hele leven ken, praat nog amper tegen me.’
‘Ben je verdrietig?’
‘Nou…nee. Het is meer dat ik dacht dat ik op mijn leeftijd alles wel had meegemaakt. Mijn kleinzoon had ook homo kunnen zijn, hè? Het is geen keuze of een ziekte. En nu zien ze mij als ‘afvallige.’
‘Wees niet bang om anders te zijn. Wees bang om hetzelfde te zijn.’
‘Die ga ik onthouden.’
‘Ik ben trots op je dat je het hebt gedaan,’ zei ik en gaf Astrid een knuffel.
Ferm zei ze: ‘Ik ook! Kom, ik trakteer.’ Ze schoof haar arm door de mijne en sleurde me mee naar tearoom. Daar moest op gedronken worden.

Foto Pixabay – 4033402/By NickyPe

 

Reuring om Herman

Keek op de week (229)

Vroeger – toen wij nog portiekwoning in Rotterdam huurden – wilde mijn moeder het voorjaar in huis halen. Daartoe toog ze met keukenschaar naar gebloesemde bomen. Tevreden zette ze thuis afgeknipte roze takken in vaas.
Haar gelaat betrok: zij snufte iets. ‘Een pislucht,’  sprak ze rillend van viezigheid. En dat in huize Helderder! Haar neus volgend, kwam ze uit bij lieflijke bloemen, waaruit als toetje een oorwurm kroop.
Het voorjaar – nog maar net begonnen – verdween in vuilnisemmer.

‘Het zijn jonge ooievaars,’ zei boer. Hij stond met zijn handen onder zijn oksels en keek naar het nest. ‘Eind januari begonnen ze met inrichten, maar ze zijn te onervaren. Eerste jaar leggen ze meestal geen eieren, maar ja, ze staan op mijn erf en ik voel me verantwoordelijk.’
We keken naar kraanwagen die kistje mos, opgerolde clematisranken en berkentwijgen omhoog tilde.
De ene bewoner keek toe vanaf het dak van boerderij, de andere vanaf lantarenpaal.
Vier handen sterk vlochten nest dicht; een klusje van niets.
‘Takken laten we op de grond liggen,’ zei boer. ‘Kunnen vogels nog een beetje rotzooien. Leggen ze dit jaar geen eieren, dan doen ze het volgend jaar. De natuur laat zich niet dwingen.’

Reed auto in parkeervak, over hobbeltje middenberm en in vak ertegenover. Een zilverkleurige autoneus had zelfde plek uitverkoren als ik, en stopte.
Bestuurder was zwaar over de pis: ‘Ik snap niet dat je zo asociaal je auto parkeert.’
Meestal parkeer ik achteruit in, maar had een luie bui. Dit ging toch nergens over?
‘Meneer, dit is gewoon de openbare weg, hoor.’ De volgende keer doe ik het weer.
Kerel begon te razen en tieren, waarna woekerende ziektes met oudste beroep ter wereld volgden.
Waarom roepen mensen altijd hetzelfde? Blader eens door een synoniemenwoordenboek zodat er wat origineels uit je mond rolt.
Wilde kerel eigenlijk negeren toen ik idee kreeg. En zo’n beschaafd idee!
Knikte bestuurder vriendelijk lachend toe, wachtte tot ik zijn aandacht had en riep richting zijn raam: ‘Krijg een zweer op je jongeheer.’

Zag in achteruitkijkspiegeltje op bril dat ik door beest met tandwiel door neus werd achtervolgd.
Boer in tuin achter ijzeren hek wenkte me en opende hek.
‘Kom maar even hier staan. Herman is weer uitgebroken en niet zo’n gezellige jongen.’
Uitzicht vanaf deze kant van hek beviel me stukken beter.
Daar kwam het geteisem aan! Stier stampte midden op weg. Spieren bewogen onder zijn massieve lijf. Hij zag eruit alsof hij lijntje coke had gesnoven en ieder moment kon ontploffen. Tijdens passeren wierp stier me priemend oog toe: ik had je makkelijk kunnen hebben op je tweewieler.
Vergeet het, Herman. Mijn tandwielen zijn veel groter dan dat lullige exemplaar in jouw neus.
Boer toetste wat in telefoon: ‘We volgen Herman via buurtapp. Hij is onderweg naar Daan want die heeft een tochtige koe op stal staan. De lokroep van de natuur, hè?‘
Een tochtige koe is geen koe die op stal staat met alle ramen en deuren open, maar een eh…ontvankelijke koe die haar periode heeft.
‘Gebeuren er weleens ongelukken?’ vroeg ik.
‘Soms loopt-ie een hek plat, doorploegt-ie een moestuin en rukt-ie wasgoed van de lijn. Boer zei het op toon van: ach, het geeft reuring.
Na meerdere appjes verscheen geruststellende bericht dat stier op stal stond bij Daan.
Het platteland was weer veilig.

Foto: Pixabay – 4579754 by Sinawa

 

O-benen met gloeiwijn

Keek op de week (228)

In Bodegraven fietste ik langs molen en door nauwe straatjes. Bij blauwe poort hield ik halt. Op deur stond geschilderd: ‘Hier geen fietsen plaatsen.’
Dergelijke tekst róept om actie. Parkeerde fiets en maakte foto.
Vliegensvlug, hoor.

Twee boerkes van buut’n liepen naast elkaar en hielden halt op bruggetje.
Hun handen steunden op leuning. Ze droegen houten klompen, een blauwe werkbroek en geruit overhemd. Na een arbeidzaam leven hadden ze alle tijd van de wereld.
‘Ut benne postzegels, hè?’ gebaarde een boer met zijn hand naar de afgebakende lapjes grond van de amateurtuinvereniging. Zijn stem had een brommige ondertoon. ‘Arepels, uien…daar hebbe ze waainig werk an.’
‘Ze zitte meer dan ze sjouwe,’ beaamde ander.
Rosa dacht: kan best wezen, maar ik wil erlangs. Keek van ene naar andere boer maar er was geen passeerplaats. Of…ja toch. Met mengeling van schaamte en verbazing zag ik wat Rosa zag en liet hond begaan. Hoopte dat meest rechtse boer gevoel voor humor had. Enorme O-benen had hij al en daar stapte hond tussendoor.
Liep dichterbij en zei goedemiddag.
Eigenaar van O-benen ging opzij en ik haastte me het bruggetje over.
De brommer constateerde droog: ‘Raar volk.’

Kwam tijdens rondje Rosa vrouw met draadhaar teckel tegen.
‘Mijn man noemt ‘m Harrie maar dat is toch geen naam voor een hond?’
‘Ollie,’ zei ik.
‘Nee, de naam moet met een H beginnen,’ zei de vrouw beslist.
‘Hollie.’
We lagen dubbel.
Vond Hummer leuke naam maar ook getuigen van wansmaak om je hond in deze tijd naar Amerikaanse auto te vernoemen. ‘Hurdur,’ opperde ik. ‘Dat is het IJslandse woord voor hond. Uitspreken zoals de Zweedse kok van Muppets het doet. Hur-der.’
‘Hur-dur,’ zei vrouw met rollende r. ‘Hur-dur. Ik vind het geweldig! Deze zomer gaan we op vakantie naar IJsland,’ schaterde ze.

Het was stikmistig en koud. Van verre zag ik obstakel staan op smalle polderweg. Obstakel bleek kapotte scootmobiel met oude man erin. Verwaaid haar, bruine ogen en blauwe lippen. Zette fiets tegen lantaarnpaal.
‘Dag meneer. Draagt u een persoonsalarm?’ vroeg ik.
‘Ja, ja, nu je het zegt…Om mijn nek. Wil jij mijn jas opendoen? Mijn vingers zijn te koud.’
Sjaal af, jas open, alles weer dicht. Drukte op alarmknopje.
Vrouwenstem noemde naam zorginstelling en zei: ‘Dag meneer Berk, wat kan ik voor u doen?’
‘Mijn schootmobiel is kapot!’
‘Heel vervelend. Wij komen u meteen ophalen. Waar bent u?’
Noemde straatnaam die ik in Strava-app zag staan. ‘Op ongeveer 400 meter van stompe molen.’
‘Hoe gaat het met meneer?’
Gaan we over iemand praten terwijl hij erbij zit?
‘Wilt u dat aan meneer Berk zelf vragen?’
Man riep: ‘IJskoud! Ik vergat dat ik mijn alarm droeg.’
‘Daar gaan we een oplossing voor bedenken,’ zei vrouw.
Er verscheen werkbusje. Jonge vent in werkkleding stapte uit en opende achterkant van busje. Pakte paardendeken vouwde die met zorg om oude man heen.
Held wilde niks weten van bedankje. ‘Kleine moeite! Ik heb ook een opa.’
Rap arriveerde zorgbusje. ‘We tillen u in de warme bus en dat gaat u fijn naar huis,’ zeiden twee zorgbroeders.’
Meneer Berk begon te huilen. ‘Iedereen is zo lief voor me.’
‘Dat verdient u ook,’ zei broeder, en gaf Berk in bus tuitbeker met warme thee.
Of zou er gloeiwijn in hebben gezeten?