Een cavia aan een riem

Keek op de week (97)

‘Hoi!’ riepen we simultaan en verheugd.
Zelfs honden waren blij elkaar te zien. Puck snuffelde aan Rosa’s billen.
Zei: ‘Vind dat onfatsoenlijk. Zou zoiets niet pikken.’
Baas schaterlachte. ‘Hé Puck, waar is je bal? Zoek je bal!’
Hond keek wel uit. Had afgelebberde tennisbal van Rosa gevonden en lag verlekkerd te kauwen in gras.
‘Het is z’n lievelingsbal. Al z’n andere ballen kunnen doodvallen.’
‘Ballendief’ schold ik.
‘Hoor je dat? Je bent een ballendief. Pikkie dat?’ lachte hij schallend. ‘Laat los! LAAT LOS!’ Puck had Oost-Indisch -doof-momentje. Baas liep naar hond, sjorde, wrikte en trok aan bal maar hond bleek vasthoudend.
‘Je koopt een hond, geeft ‘m tweemaal daags eten en wat heb je eraan? Niks,’ beantwoordde ik m’n eigen vraag.
‘Inderdaad. Schilderij aan de muur is minder bewerkelijk,’ gaf Baas toe.
Tussen hoge gras zochten we vruchteloos naar gele rubberbal.
‘Houd de tennisbal maar,’ bood ik aan. ‘Het zal moeilijk zijn, maar zet me wel over verlies heen.’
‘Haha! Kan je ‘m missen? Puck, wat zeg je dan tegen Rosa’s baasje?’
‘Bekijk het lekker met je bal,’ antwoordde ik.
Namen lachend afscheid.
Op terugweg rende Rosa door gras en kwam terug met gele bal.
‘Goeie ruil, Rosa!’ riep ik bewonderend. ‘Niets meer aan doen.’

Spijtig dat ik verleden week geen bakje pitloze witte druiven bij AH in Arnhem kocht. Had er gratis vogelspin bij kunnen krijgen. Die was als verstekeling uit Chili per zeecontainer ons land binnengekomen. Had spin zeker gehouden, terrarium gekocht en verwend met verse krekels.

In volsagen verwarring leunde dametje – frêle, eind zeventig, blossen op wangen – op haar rollator. ‘Mevrouw, ik ben Frits kwijt,’ meldde ze klaaglijk.
‘Wie is Frits?’ vroeg ik. Kleinzoon? Goudvis, Deense dog, wandelende tak?
‘Mijn hond. Een Yorkshire terriër. Daar zag ik hem voor het laatst,’ wees ze naar bosjes.
Had ik weer, hond ter grootte van cavia zoeken. Waarom liep vrouw op dit moeilijk begaanbaar pad? Veel te smal voor rollator.
Alsof ze gedachten kon lezen, zei ze: ‘Mensen blijven midden op de weg lopen, hè? Niemand gaat opzij. Wel voor u.’
‘Ik vraag het gewoon,’ zei ik en dacht: of trakteer ze op mijn boze oog. ‘Als u Frits roept, kijk ik of ik iets zie bewegen.’
Daar was dametje voor te porren.
Als antwoord hoorde ik geritsel, gepiep en gehijg. Achter berg brandnetels onder bosjes ontwaarde ik een rillend hondje; z’n halsband vastgenageld achter tak. Dier leek sprekend op ons overleden langharige Pluisje. Ik moest op m’n knieën. Charmant gezicht in m’n jurkje. Keek eerst of ik nergens kerel zag. Kust was veilig.
Herkende Fritsje in mij reddende engel of hing-ie straks in m’n jatten?
Ik wurmde halsband los, en tilde Fritsje op. Die likte al mijn vingers. Zóveel dankbaarheid hoefde nou ook weer niet.
‘Oh, schatje van me,’ jubelde vrouwtje. Van liefde kneep ze bijna alle lucht uit z’n lijfje, en legde ‘m op dekentje in rollatormandje.
‘Zullen we kortste weg terugnemen?’ stelde ik voor.
Daar gingen we, in ganzenpas en slakkentempo, over normaal pad. Ik vol brandnetelblaren.
Rosa vond het niks. Baas, als we dit trage tempo aanhouden, is het herfst voor we thuis zijn.
‘Niet zeuren. Oppassen dat je onderweg niet omvalt.’

Postcrossing:
Ontving geweldige kaart van Jorg uit Germanië.
Hi Mirjam, I am also an absolute David Bowie fan and visited the exhibition in Berlin in 2014. He was gigantic. Not to describe in words. There is nothing comparable with him.
Thank you, Jorg! We are two of a kind.

Terreurdeuntje

Keek op de week (97)

Mooie dag. Zon scheen. Had geslapen (vouwen van kussen stonden nog in gezicht,) stralend gemoed, en een niet opkruipende onderbroek. Zeldzame combinatie.
Liep langs hoektuin die om door ringetje te halen is. Niet zo fraai als tuin van bloghovenier Menck maar wel met doorkijkjes, stelling met terracottapotten, bloeiende planten… Boven tuindeur was hoefijzer gespijkerd voor geluk. Gaf vrouw die erin aan werk was compliment: fleurige tuin met aparte bloeiers; altijd hard aan het werk.
‘Dat zou iederéén moeten doen!’ riep vrouw op vinnige toon. Ze keek of ik had gezegd dat ze dagelijks twee citroenen moest eten.
Dat iemand met beeldige tuin, zó lelijk kan kijken en klinken…
Vergevingsgezind dacht ik: wellicht heeft vrouw slecht geslapen en TenaLady ondersteboven in onderbroek gelegd.

Vriend van Roos sleep onze keukenmessen. Dermate accuraat dat ik bij berijden (hahaha!) van mijn salade, tijdens hakken van ongebrande noten, stukje wijsvinger met nagel raakte. (Typ dit met negenenhalve vinger.) Door salade gehusseld. Smaakte net als anders.
Vermeldde voorval aan Roos.
‘Oh mam, is het erg?’ appte ze geschrokken.
‘Nah. Pleistertje. Heb nog negen vingers,’ stelde ik Kind gerust.

Droomde dat ik cadeautjes kreeg van Vriendin. Keurig ingepakt. En veel! Begreep niet waarom ik die kreeg. Had al zo lang niets van haar gehoord. Was ze nog steeds op vakantie? Hoe kwamen haar cadeautjes dan bij mij?
Wist het toen ik wakker werd. Moeder van Carolien is haar huis aan het leegruimen en bracht vorige week e.e.a. voor me mee. Waaronder ovenwant bedrukt met vuurtoren. Een gebruikte met vlekken. Als ik m’n hand erin stop, is het net of Vriendin dichterbij is.

Voor ingang AH stond aantal studenten in rode hesjes die Telegraaf trachtten te slijten. Veertiger met pafferig gezicht in hesje stapte op mij af. Schudde luidkeels nee en liep door. Hesjes veroorzaakten filevorming bij in/uitgang en ik moest afstand houden.
Zelfde kerel – een krant in zijn vlezige handen – vroeg: ‘Mevrouw, wilt u een Telegraaf?’
‘Nee, dank je.’
‘Waarom niet?’ informeerde hij.
‘Nee is ook een antwoord.’
Hij stapte dichterbij.
‘Blijf. Uit. Mijn. Buurt!’ dreigde ik.

Na boodschappen, zelfde veertiger. ‘Mevrouw, waarom wilt u geen krant?’
In plaats van rot op te zeggen, zei ik coulant: ‘Omdat ik om mijn reputatie moet denken.’
‘Hééft u die dan?’ vroeg kerel.
‘Zolang ik niet met jou samen gezien wordt wel.’
‘Heel goed, mevrouw!’ hoorde ik achter me onbekende man in overbekend accent zeggen. Tegen krantenman: ‘Pleurt toch op, man! Ben je wel goed bij je harses? Als je die vraag aan m’n vrouw had gesteld, had ik je de tyfus geslagen. Ik wilde best een krantje, maar douw ‘m nou maar in je hol!’
Goedkeurend dacht ik: zoiets kan alleen een Rotterdammert zeggen.
Veertiger stak z’n middelvinger op.
‘Zeker de grootte van je lul. Pinkeltje!’
Liep gniffelend naar m’n fiets.

Twéé dagen lang speelde liedje in hoofd. Nummer dat ik – pak beet, laat los – dertig jaar niet op radio of elders heb gehoord.
Werd er beroerd van. Sloot ogen en concentreerde me. Haalde in gedachten CD uit speler, stopte CD in doosje, doosje dicht, in lade, lade dicht. Klaar.
Cecilia! You’re breaking my heart…galmde mijn binnenkamer. Wel verdraaid! Andere tactiek. Muziek opzetten. Beviel me goed tot ik stilte wenste.
Cecilia! You’re…
Wéér dat klerewijf. Wat een terreurdeuntje!
Wees verstandig, klik er niet op of zet je geluid uit!

Russische roulette

Keek op de week (96)

‘We zijn gescheiden!’ riep ik.
‘Is het geen corona dan is het wel een sloot!’ riep baas Puck, zoals altijd met gulle lach.
Stonden ieder op smal geitenpad te midden van weelderig koolzaad en fluitekruid. Hij in korte broek, korte mouwen; ik in zomerjurkje.
‘Het lijkt wel zomer,’ zei hij. ‘Anders is het zeikweer- mag ik thuis niet zeggen,’ schaterde hij, ‘en sinds ophokplicht schijnt de zon.’
Puck had Rosa in smiezen en wilde naar overkant zwemmen. ‘Hier blijven,’ riep z’n baas. ‘Straks kom ik met andere hond thuis, dat mot ik niet proberen. Heb je de nieuwe bordjes gezien?’ informeerde hij. ‘Die met “honden aan de lijn” bij hondenzwemvijver? Erger me kapot.’
‘Daar kunnen we wel wat aan doen…’ zei ik geheimzinnig.
Hij schaterde van voorpret. ‘Wattan?’
‘Vuilniszakken en stukken touw meenemen en om bordjes binden.’
Man kwam niet meer bij van lachen. ‘Zouhouhou je dat echt doehoen?’
‘Ja, hoor. Als geintje.’
‘Ik ook, maar dan heb ik thuis wat uit te leggen,’ lachte hij. ‘In plaats van vuilniszakken kan je hondenpoepzakjes gebruiken,’ dacht hij mee.
‘Schone of gebruikte?’
Het werd hem te veel. Hij lachte zo hard, hij stikte er bijna in.
‘Gaat het wel?’ vroeg ik.
Hij knikte en gebaarde met zijn hand dat het goed kwam. Na een tijd zei hij: ‘Ik heb nog maar anderhalve long…Ging met pensioen en maand later…bleek ik longkanker te hebben…Ik ben gezond, hoor, heb af en toe weinig adem… Loop jij naar links; loop ik naar rechts. Kijk uit dat je niet in Opsporing Verzocht komt, hè?
‘Dat kijk ik nooit.’
‘Houd ik voor je in de gaten.’
‘Is goed. Sterkte!’

Ging naar apotheek. Nooit flauwtjes binnenlopen want dan sla je tijdens wachten tegen de vlakte. Van stress zullen ze daar niet overlijden.
Eindelijk was het mijn beurt. Huisarts (met uiterlijk en uitstraling van onze vorige premier) hielp me. ‘Herhaalmedicijnen van Kakelbont, alstublieft.’
Arts kwam terug en overhandigde mij doosje onbekende medicijnen bestemd voor ene meneer R. Vonk.
‘Deze zijn niet voor mij. Ik heet Kakelbont en heb madopar besteld.’
Man keek mij aan met blik: wei make geen voute, en sprak op pastorale, belerende toon: ‘Dat…Kan…Niet,’ en schoof doosje naar mij.
Dat kan niet? Make that the cat wise. Apotheek hier is je reinste Russische roulette.
‘Het is zo. Kijk maar op het etiket,’ zei ik en schoof doosje terug.
Temperatuur in apotheek zakte aanmerkelijk.
Hij ging het navragen. En nakijken.
Doe dat. Haal ik intussen m’n duikbrevet.
Na tien minuten – het was werkelijk uniek – kwam huisarts terug mét juiste medicijn. Met glimlach alsof hij er persoonlijke slag voor had geleverd.
Ik prees zijn inzet en kreeg het zelfs voor elkaar vriendelijk ‘tot ziens’ te zeggen. Mét twee gekruiste vingers op mijn rug.

Grapje van internet.
Meisje zegt tegen haar vader: ‘Later als ik groot ben, wil ik ook haren in mijn neus.’

Postcrossing:
Kaart van Ola uit Wroclaw, Polen. Zo leuk! Herken brug van foto’s. Roos is daar zomer 2018 met drie vriendinnen enkele dagen geweest.
Ola schrijft: ‘As your favourite colour is blue, I have chosen this card with the blue Grunwaldzki bridge. I have seen your address on the map and you have so many rivers there! Unbelieveble!
Indeed, Ola. Om over (openstaande) bruggen en veerponten (die altijd aan overkant liggen) maar te zwijgen.

De zes tekens

Eindelijk. Na levenslang wachten is hij vandaag achttien geworden.
Zijn moeder feliciteert hem met een knuffel. Ze kijkt haar zoon aan en Ben ziet de afkeuring op haar gezicht over wat hij straks gaat laten doen, maar zijn besluit staat vast.
Na het ontbijt kijkt zijn moeder hem na als hij op z’n fiets de motregen in rijdt. Ze zwaait niet, wat ze meestal wel doet.
Misschien had ik moeten zeggen waarom ik het ga laten doen, denkt Ben, maar hij vindt dat iemand anders het recht heeft het als eerste te weten. En ook dat het prima is als hij en zijn moeder een meningsverschil hebben.

Dries, de eigenaar van de tatoeageshop, feliciteert Ben en vraagt voor de vorm om zijn ID.
‘Ga zitten,’ zegt hij wijzend naar een gemakkelijke leunstoel.’ De man draagt een baard, een chaotische haarknot en een vriendelijke gezicht. Gemakshalve gaat Ben er vanuit dat hij ook een vaste hand heeft.
Hij neemt plaats in de stoel en ontbloot zijn arm. Na hun kennismakingsgesprek heeft Ben zich voorbereid, en hij geeft de tatoeëerder het papier met de zes tekens die hij vanaf nu voor altijd in zijn lichaam gegraveerd wil hebben.

Met een doordrukvel brengt de tatoeëerder de tekens over op Bens arm, vraagt of ze recht staan en alles naar zijn wens is.
Blij en nerveus knikt Ben dat het goed is.
De inkt heeft de kleur van een grafzerk en dat is precies de bedoeling. De pijn is goed te dragen; het voelt alsof iemand met een satéprikker stevig over zijn huid krast.
Al na twintig minuten is hij klaar.
Hij krijgt een tube zalf mee om de tatoeage driemaal daags mee in te smeren, de opdracht deze uit de zon te houden, en vooral niet te krabben als z’n huid gaat jeuken.

Buiten voelt de wereld anders. Alsof hij deel uitmaakt van een groter geheel.
Opgetogen tot in zijn tenen racet Ben naar zijn opa. Hij werpt zijn fiets tegen de pui en zwaait.
Aanbellen hoeft niet. In de gang schuifelt zijn opa hem met een grijns. tegemoet. Zoals gewoonlijk kraakt de vloer.

‘Jongen, toch! Gefeliciteerd! Kom je je eerste officiële biertje drinken?’ grapt zijn grootvader.
‘Nee,’ grinnikt Ben. Hij pakt met zijn slungelige armen zijn grootvader vast, bukt, en geeft hem drie zoenen.  ‘Opa, ik heb een verrassing voor u. Zullen we er bij gaan zitten?’ stelt hij voor.
Hij houdt de huiskamerdeur voor zijn opa open. Achter elkaar lopen ze de kleine, propvol gemeubileerde kamer in. Voetje voor voetje loopt opa naar zijn stoel bij het raam, en gaat zitten.
‘Moet ik m’n leesbril opzetten?’
‘Ja, doe maar, opa.’

Ben ontbloot zijn linker onderarm, buigt zich voorover, en legt hem op de armleuning. Hij heeft slechts oog voor zijn grootvaders gezicht. Een gezicht waaraan het zware leven is af te zien.
‘Wat heb je nou gedaan, jon…?’ De stem van de oude man breekt. Tranen lopen over zijn wang. Beschaamd slaat hij zijn eeltige handen met diepe groeven voor zijn gezicht. Dit is de tweede keer dat Ben hem ziet huilen. De eerste keer was na het overlijden van zijn oma.

‘Opa…,’ begint hij, terwijl hij een hand pakt van de man naar wie hij is vernoemd, ‘…opa, ze hebben u uw naam afgepakt en vervangen door cijfers. Iedereen die naar mijn cijfers vraagt, vertel ik dat mijn opa – u – Benjamin Klein heet en dat u Auschwitz heeft overleefd.’
Ben weet, als hij straks thuiskomt, dat zelfs zijn moeder het begrijpt.

Blote horror

Keek op de week (95)

Pianostemmer is geweest. Was ons telefoonnummer kwijtgeraakt en schreef brief of we afspraak wilden maken. Dat wilde Roos.
Man stond aarzelend voor deur met vraag of brief niet brutaal was.
Welnee, mallerd!
Hield alle deuren voor hem open en veel afstand. Tuindeuren wijd open. Buren moeten er ook iets voor over hebben…
Na stemmen speelde hij meesterlijke toegift. Daar verliest elke zure recessie het van.

Wilde me na rondje Rosa opfrissen aan wasbak. Maar eerst vuile was verzamelen.
Adviseerde mezelf: pak eerst schone handdoeken uit kast. Tsssk, alsof ik die zou vergeten.
Wasautomaat aangezet.
Pak nou handdoeken. Jaha, straks!
Planten watergeven.
Je voelt ‘m al aankomen zeker?
Inderdaad, daar stond ik: naakt en nat.
Man had een chat. Wie weet zelfs videochat.
Roos was nergens te bekennen. Deur, raam en gordijnen van haar slaapkamer open met uitzicht op huizen (twintig meter) achter ons. Huizen waar wellicht mensen thuiswerkten.
Begeerde droogdoeken lagen in slaapkamer van Joris en mij; ook alles open.
Dacht: wacht tot ik opdroog. Na twee seconden was geduld op.
Douchemat omslaan? Te krap.
Afdrogen met sokken? Te klein.
Jankerd! schold ik tegen mezelf. Dat hielp. Trok pijlsnel Roos’ kamerdeur dicht. Dat was horde één. Ik leefde nog.
Probleem in onze slaapkamer was Franse balkondeur langs straatkant. Liggend voor deur deed Rosa dut. Toen ze mij hoorde, opende ze oog en bekeek me met groeiende interesse.
Baas, wat heb jij weinig haar en waarom loop jij zo raar dubbel?
‘Bemoei je met je eigen!’ schold ik.
Keek schichtig naar stoep en weg – leeg! – graaide vervuld van immense blijdschap doeken uit kast en rende naar douche. Aldaar bleek ik droog.

Luisterde, hoorde louter stilte en deed deur werkkamer Joris open.
O, horror!
Twee gezichten van onbekende kerels staarden me op riant beeldscherm gefascineerd aan. Liet bijna mok thee, en melkchocoladerotsjes op schoteltje uit handen vallen.
‘Ik zit video te bellen,’ zei Joris schaapachtig en overbodig.
Ik ga waarachtig liever dood dan op foto…Wilde abrupt omkeren maar dacht: ik kan dit. Ben aangekleed en incognito door zonnebril.
Vertrok geen spier, zette versnaperingen op Mans bureau en verdween met snelheid van licht.
Achter dichte deur hoorde ik Joris hard lachen.
Toen kust veilig was, riep hij: ‘Ze vroegen of ze ook iets konden bestellen.’
‘Wat heb je gezegd?’
Joris stikte zowat. ‘Ihhik zei dat ihhik hahaha! niet zo’n hahaha! makkelijke vrouhouw hahaha! heb.’
‘Ben trots op je, schat,’ zei ik naar waarheid. Wie wil nou als meegaand te boek staan?
‘Is grapje! Is grapje!’ riep hij mij na.
Na avondeten vroeg Joris op zoete toon: ‘Krijg ik morgen weer thee met lekkers?’
‘De tijd zal het je leren,’ lachte ik vals.

Las iets op internet. Heb fantastische verrassing voor Joris in gedachten:
“Komen de gezichten van je collega’s tijdens videobellen je je neus uit? Vanaf nu kun je een geit of lama laten mee vergaderen!

Post!
Wat zijn bloggers toch lieve mensen. Viel cadeau door brievenbus. Voor mij! En helemaal mijn smaak: pure chocolade. Postbezorging ondervindt hinder van corona dus verrassing kwam later dan door Lies gepland. Geeft niks: anders was sjokla al opgegeten.
Bedankt Lie(f)s! ♥

Onslow

Keek op de week (94)

Wil niet klagen, want komen tot nu toe pandemie geruisloos door, maar toch. Twee mensen (plus hond) 24/7 op m’n lip…raakt mijn ME-lijf uitgewrongen van.
Op dag dat mijn speldenkussen weer vol zat, zei ik tegen Roos: ‘Je vader kan best in Den-Haag gaan werken. Geen file, er werkt daar niemand, lunchpakket mee, alle drankautomaten tot z’n beschikking…’
Roos vond idee fan-tas-tisch.
Kreeg daarna oprisping van schuldgevoel. Heb blijkbaar toch empathische genen.
Vroegah – toen ik nog op Vriendins huis paste – ging ik daar weleens zitten. Nam ik zelf koffie mee. Zat ik in stromende regen onder riante veranda. Druppels roffelden op dak. Voelde knus. Nu doen “nieuwe” bewoners hetzelfde. Raar volk.
Bij gebrek aan ruimte om op te kunnen laden, wil ik klein huisje. Ergens op lapje grond in polder. Alleen: hoe vertel ik het mijn man?

Liep met Rosa over smal pad langs hondenzwemvijver. Midden op pad stond auto van Staatsbosbeheer. Op bankje zaten twee boswachters te lunchen. Wenste ze smakelijk eten en vroeg: ‘Mag ik langs de auto lopen of is dat niet de bedoeling?’
‘Dat mag, als u maar wel uw hond aan de riem doet.’
Had weinig behoefte aan gesprek waarin nieuwe regel zou worden toegelicht.
Lijnde geïrriteerd Rosa aan. Verderop voorbij bocht liet ik haar weer los.
Forout with the goat!

Dagen later declameerde Joris uit plaatselijke courant: ‘Omdat het steeds drukker wordt in de Krimpenerwaard heeft de gemeente besloten van wijde omgeving rondom Surfplas een recreatiegebied te maken. Daardoor moeten honden aan de riem en zullen regels strikt worden gecontroleerd. Op overtredingen staan boetes variërend van 95 tot 140 euro.’
Man keek mij betekenisvol over leesbril aan, alsof hij wilde zeggen: een gewaarschuwd mens betaalt voor twee.
Klinkt als uitdaging.

Het was dringen – op afstand – bij kassa’s. Zelfscans bij AH bleken dienstweigeraars.
Uiterlijk van man naast mij in rij deed me denken aan Onslow uit tv-serie Schone Schijn. Er was weinig appetijtelijks aan kerel. Om mijn gedachten te rechtvaardigen, krabde hij ongegeneerd aan z’n gat, pulkte broek uit bilnaad en wreef over ontblote horecaspoiler.
Wendde gelaat af en keek in dat van vrouw naast me, die kort naar kerel-met-pens knikte en afkeurend hoofd schudde. Als antwoord deed ik oogrol. Een oudere dame knikte ons goedkeurend toe.
Onslow had ongezonde belangstelling die hij wilde deelde met man in rij: ‘Leuk om naar jonge maaisies achter de kassa’s te kaaike, hè?’
Aangesprokene deed of z’n neus bloedde. Ik mocht ‘m onmiddellijk, en dacht: iemand met buik als Onslow past vast niet aan beademing op z’n buik op IC-bed. (Kakel, Kakel, dat je zoiets denkt, alla, maar dan ook nog opschrijft…)
Loerde in zijn winkelwagen: bier, braadworsten, bier, gehaktballen, bier, chips en gevulde koeken. Als Onslow niet oppast, ontwikkelt-ie nog scheurbuik.
Rij winkelwagens schoof door. Gaf oudere dame van rechts voorrang. Onslow wilde invoegen van links en stond ineens naast me, almaar wrijvend over pens.
Wilde er kreunend van zuchten, maar voor je het weet heb je naam in dorp.
Oudere dame voor me maakte fout: ze wierp blik op Onslow, waarop hij – grijnzend en  wrijvend – tegen haar zei: ‘Goed gereedschap hangt altijd onder een afdak.’
Mens geneerde zich dood.
‘Iets wat onder een afdak hangt, wordt zelden gebruikt.’ Hoorde het mezelf zeggen en schrok ervan. Blossen kleurden mijn wangen.
Oudere dame echter lachte hard met hoge uithalen. Zo gul en gracieus dat het wachtenden alom aanstak. Op één persoon na.
Dat hielp.