Keek op de week (226)

Luidruchtige spreeuwen hadden buikjes volgegeten met pindakaas. Daarna werd het stil. Blijf zitten waar je zit en verroer je niet… Boosdoener was sperwer die op onze beukenhaag was neergedaald. Gele poten kromden zich vast om het blad. Onbeweeglijk – de veren nauwelijks bewegend in de wind – ontging haar niets.
Op menukaart stond: een huismus, vink, merel, duif of mees.
Korte tijd later vloog sperwer op en stortte zich neer.
Hebbes. Haar prooi trok ze in repen open en verschalkte ze op beukenhaag.
Wat restte was een bergje grijze veren.
Onbekende man duwde met bouwvakkersdecolleté autodeur dicht. Sjokte naar voordeur met in iedere hand boodschappentas plus orchideeënplant in plastic. Smeet planten op grond en sleepte zichzelf en tassen naar binnen. Deed deur dicht.
Op terugweg stonden bloemetjes nog steeds buiten. Ik belde aan.
‘Alstublieft meneer, uw planten hebben het koud.’
Kerel keek me vinnig aan, rukte plastic zakken uit mijn hand en smeet pontificaal deur dicht.
Ik keek naar vitrage waarachter minstens tien gestorven orchideeën stonden. Logisch; bij zo’n stuk chagrijn is gevoelstemperatuur altijd -15. Sprak monter tegen dichte deur: ‘Graag gedaan,’ en keerde om.
Toevallig passerende vrouw schoot in lachstuip. ‘Daar woont zo’n gezellige man,’ schaterde ze. ‘Hij wordt door hele blok Boze Buurman genoemd.’
Dát hielp.
Was afgelopen week stem kwijt. Bewaar haar doorgaans op vaste plek. Overal gezocht: onder bed, in vriezer, besteklade, trapkast, tussen cd’s…
Droeg stippentrui maar was allesbehalve in nopjes.
Man sprak gniffelend: ‘Stop maar met zoeken, ik kan wel wennen aan stilte.’
Had ik fut gehad, had ik Joris met vleesvork achterna gezeten door het huis, om hem in zijn kont te prikken tot hij genade riep.
Heb stem terug. Lag bij gevonden voorwerpen.
Wind blies vlagen miezerregen over natuureiland. Bovenkant elektriciteitsmast verdween in het grijs. Het rivierwater zag zwart.
Banjerend naast Gijs vertelde hij: ‘Kreeg weer contact met jeugdvriend, Pim. Een aantal keer route gewandeld. Hij bepaalde alles; mijn voorstellen lachte hij weg. Kleineerde mij en mijn vrijwilligerswerk.’
‘Klinkt niet als een vriend,’ constateerde ik.
‘Nee. Mijn verzoek op te houden met kleineren, deed hij af met: dat doe ik niet. Hij kwam met voorstel Pieterpad te wandelen. Ik legde uit waarom ik niet mee ga. Pim accepteert geen nee…Blijft aandringen.’ Mismoedig haalde Gijs schouders op. ‘Mijn opmerkingen glijden van hem af. Hij verandert niet want hij heeft geen zelfinzicht. Zit vast in een groef. Ik heb ‘m geblokkeerd op mijn telefoon. Gisteravond stuurde hij een mail. Wéér over Pieterpad. Hij walst gewoon over me heen.’
‘Kunt u die mail zien als een test die u gaat winnen? Het contact bloedt vanzelf een keer dood.’
‘Heb jij daar ervaring mee?’
‘Iemand die – ondanks mijn verzoeken daarmee te stoppen – kritiek bleef uiten op mijn man en dochter. Ik verbrak het contact. Hij dacht: ze zegt nee maar ze bedoelt ja, en probeerde het op andere manieren.’
‘Vond je dat moeilijk?’
‘Waarom zou ik iemand die over mijn grens blijft gaan nog een kans geven? Hij zei niet één keer sorry. Mijn vertrouwen was weg. In mijn leven is geen plaats meer voor emotioneel onvolwassen mensen die alleen aan zichzelf denken. Het houdt een keer op.’
We stonden bij een stuik waarin roodborstje zong. Beestje hipte wispelturig in willekeurige richtingen.
‘Ik wou dat ik wat meer een haantje was,’ zei Gijs.
‘U bent iets veel mooiers: een roodborstje.’
‘Dat zijn pittige vogeltjes, hoor.’
‘U toch ook als het nodig is?’
‘Een beetje wel,’ glimlachte Gijs. Hij zweeg een paar seconden, en knikte: ‘Het houdt een keer op.’

Foto: Pixabay-4650039 by Mike001







