Fietspompen, mannen en regels

Ze lacht vriendelijk naar me, de mevrouw van de VVV in Stadtkyll, maar ze kan me niet aan de 117 kilometer lange routebeschrijving van het trainingsrondje van de Gerolsteiner proffietsploeg helpen. “Bovendien,” lacht ze, “is die route alleen geschikt voor getrainde fietsers, voor mannen!”

Ik schud hard van nee, dat van die  mannen mag ze niet zegge en ik laat haar mijn spierballen zien en wijs naar mijn kuiten. Ze lacht weer. Dan pakt ze een kopie van een kaart en markeert alle plaatsen waar de route langsloopt. Als ik gewoon van plaats naar plaats fiets, rijd ik automatisch de “Gerolsteiner”route.  Nou, dat kan ik wel, van plaats naar plaats fietsen.

De volgende ochtend ga ik van start.
Ik zoef de heuvel af. Spoedig rijd ik Stadtkyll in. Op de kaart staat dat ik linksaf moet en er een beklimming komt. Als ik linksaf de hoek omrijd, staat de helling meteen al voor m’n neus. Keleune, moet ik daar naar boven? Dit lijkt wel een huis zonder ramen erin! Deze lijkt minstens net zo erg als de Keutenberg. Maar hij is láng! De moed zakt me in de fietsschoenen, want ik denk aan twee van mijn eigengemaakte fietsregels:

1)je grootste tandwiel achter als reserve gebruiken, dus zo min mogelijk en
2)ik stap niet af.

Oké, ik stap niet af. Maar dat van dat laatste tandwiel, wordt niks, want ik heb al mijn tanden nodig,  Een illusie armer worstel ik me naar boven. Pfff, die helling lijkt alleen maar langer te worden. Ik proef mijn ontbijt. Ik stap niet af, ik stap niet af, zeg ik in mezelf als een mantra. Het stijgingspercentage is hoog. Zigzaggend en zuchtend kom ik toch boven, zónder afstappen!

Ik wil uitsluitend over binnenwegen fietsen, maar dat betekent wel dat ik continue moet klimmen en dalen. Ik rijd over een hoogvlakte (voor Duitse begrippen dan), waar het krioelt van de windmolens. De hoogvlakte gaat over in een dicht naaldbos. Bij een volgende klim hoor ik een raar geluid, een beetje piepend. Eerst een zucht en dan een piep. Is dat nou mijn fiets? Zou mijn achterband zijn dag niet hebben? Ik stap af, kijk, maar zie niets bijzonders. Als ik verder fiets, weer zucht-piep. Zodra ik boven ben, stap ik af en bekijk alles goed. Niets te zien. Hmm. Ik stap op en sjees de helling af. Nu hoor ik niets; het geluid is weg.

Ik volg fietsbordjes naar Olzheim, maar ben al snel het spoor bijster. Heb ik een bordje gemist? Ik ben niet van plan om te keren, want op de fiets heb ik nog een regel: ik fiets niet terug. Ik heb vier keuzes, want ik sta op een kruising van vier wegen. Fijn om zoveel keuzes te hebben, maar de kans van slagen wordt daardoor wel minder groot. De weg waar ik vandaan kom, valt af. Blijven er drie over. Eén weg gaat over in een onverharde weg, die valt ook af. Blijven er twee over. Rechts van me staat een oud bijna vervallen huisje, met in de schaduw van een reusachtige boom een oude autochtoon op een bankje. Dat ik hem nu pas zie! Hij lacht naar me. Ik naar hem.

Ik vraag hem welke weg ik moet hebben om in Olzheim te komen. Hij kijkt me verbaasd aan.
Waar kom ik vandaan?
“Van Stadtkyll.”
Waar staat mijn auto dan?
“In Stadtkyll.”

En dat ik naar Olzheim wil, moet dat vandaag nog? Maar dat kan toch niet, dat is toch zeker wel, wel…50 kilometer. Het mannetje is bijna verontwaardigd. Ben ik helemaal alleen? Hij vertrouwt ’t niet. Dan zegt hij dat ik die weg moet hebben – hij wijst links naar boven- “maar,” laat hij erop volgen, “die weg kan ik niet op fietsen.”
Ik vraag: “Waarom niet? Zitten er gaten in of wordt er aan de weg gewerkt?” “Nee, dat is ’t niet, die weg is gewoon veel te steil voor mij om te fietsen. Dat is alleen voor sterk getrainde. En hij maakt zijn zin af door te zeggen waar ik al bang voor ben: “voor mànnen. Die weg is zó steil, dat er zelfs mannen afstappen.” Ik bedankt ‘m vriendelijk en begin aan de klim.

Nou hoor ik toch weer dat geluid: zucht-piep, zucht-piep. Het heeft iets van een fietspomp. Boven aan de klim hijg ik uit (ik ben niet afgestapt) en geniet van het uitzicht. Weer hoor ik datzelfde geluid. Ik tuur in de rondte. Aha! Ditmaal zie ik de boosdoener: het is een vogeltje! Wat een klein ding en dat daar zoveel geluid uit komt! Ik doop ‘m heel toepasselijk ‘het fietspomp-vogeltje’.

Ik eet een banaan en een boterham, stap op de fiets en laat me naar beneden vallen. Ik zie weer fietsbordjes en een tijdlang gaat het echt heel goed. Ik fiets van Olzheim en Schonfeld naar Gerolstein en Pelm. De weg gaat op en neer. Jammer dat er hier in de Duitse Eifel geen bordjes met stijgingspercentages staan, zoals in België. Nu kan ik eenmaal terug in het vakantiehuisje, niet opscheppen tegen Man en Kind hoe steil het onderweg wel niet was.

In de afdaling naar Pelm zie ik aan de andere kant van het dorp de weg alweer de volgende helling opgaan. Dat belooft weer wat! Ik hoop daar water te kunnen krijgen, want mijn beide bidons zijn leeg. Het is ook zo héét! Het verbaast me dat ik nog geen fietspomp-vogeltje dood van het dak heb zien vallen. Ik heb geluk, want er staan twee dames over de heg met elkaar praten. Zonder aarzelen vult één van de twee kordaat allebei mijn bidons. Grote klasse!

De klim omhoog dient zich aan. Het fietspomp-vogeltje is er ook weer. Nu is het echter mijn beurt om te zuchten. Pfff, wat is het steil en het is zo warm… Piepend kom ik boven. Zo, daar heeft het vogeltje niet van terug.

Het zweet loopt langs mijn rug. Wat waait het hier lekker! Ik gooi allebei mijn armen in de lucht. Niet bij wijze van triomf, maar dan kunnen m’n oksels even doorwaaien. Ik voel me betrapt als er een auto langs rijdt. Het valt me trouwens op dat ik bijna niemand tegenkom onderweg; zelfs geen hond.
Eigenlijk vind ik het wel genoeg voor vandaag en besluit Hillesheim links (op de kaart rechts) te laten liggen. Het is gewoonweg te heet!

En dan die vliegen, en dan die zweetdruppels die van m’n hoofd in m’n ogen rollen. Maar de hitte heeft ook een groot bijkomend voordeel, want nu kom ik aan een andere fietsregel van mezelf niet toe: pies waar je kan. Oftewel: zodra zich een geschikte locatie voordoet (bomen, greppels, benzinestations….) afstappen en een plasje doen. Door deze hitte hoef ik helemaal niet naar de wc. Ik zweet gewoon al het vocht eruit.

Ik fiets een stuk door een heerlijk koel bos, over verstilde treinrails, langs beekjes en langs koeien, die nu eens niet met hun kont naar de regen maar naar de zon staan.

Waarom fiets ik niet langs bordjes? Bordjes maken het leven zo gemakkelijk. Als ik bij een kruising een man met een hond zie staan, vraag ik de weg naar Stadtkyll. Stadtkyll, vraagt de man moet u daar vandaag nog naar toe? En waar kom ik vandaan? Ik vertel dat ik vanochtend gestart ben en nu  terug wil naar ons vakantiehuisje. Hij kijkt me aan alsof ik de leugendetector bedrogen heb.
Dat is toch veel te ver… Ik weet al wat er komen gaat en ja hoor, “getraind zijn” en “mannen”.

Zal ik hem vertellen dat ik een man ben, maar me om heb laten bouwen tot vrouw en nu een eigen televisieprogramma heb? Maar ach, waarom zou ik? Niemand is hier blijkbaar aan fietsers gewend. Hij wijst me de weg en vraagt of ik nog wel voldoende te drinken bij me heb. Zal hij me nog wat water geven? Zijn auto staat daar, wijst hij. Ik loop even mee. In zijn kofferbak staan drie kratten. De flesjes lijken op bierflesjes maar er blijkt water in te zitten. Aan de man z’n sleutelbos zit een flesopener en ongevraagd vult ie beide bidons met echt Gerolsteiner bronwater. Ik bedank hem en vraag of ik ‘m nog zal betalen voor het water? “Wegwezen! zegt ie”, en “goede reis.”

Het water smaakt heerlijk. Naar spa rood maar met minder bubbels. Zo haal ik de camping wel! Maar iets knaagt er in m’n acherhoofd: de steilste beklimming moet nog komen: die naar ons vakantiehuisje boven de camping. Waar ik niet voluit naar beneden kon en zere handen kreeg van het remmen… Daar moet ik nog naar boven!

Ga maar lopen, zeggen m’n knieën, wij doen niet meer mee. Ik ben de baas, zeg ik, en ik stap niet af. Worstelend, piepend en zigzaggend kom ik boven. Ik kan niet meer. Ik heb ook geen zin meer om te koken. Hoe vertel ik het mijn Man?

Hijgend kom ik bij ons tijdelijke huisje aan. Wat is het héét!
Na het douchen heb ik nog steeds geen zin om te koken. “Koken,” zegt m’n man, “daar is het veel te warm voor. Beneden in het dorp heb ik een Italiaans restaurant gezien.” Ik grijns. Mánnen!

PS wat zie ik thuis liggen, helemaal onderop de stapel vergaarde post? Het blad FIETS. Met een artikel genaamd: “fietsen rond de basis van Gerolsteiner.” Wat blijkt? De schrijver startte ook vanuit ‘mijn’ vakantiepark bij Stadtkyll. De klim naar Kersenbach blijkt ruim 1,5 kilometer lang met een steiging van 15%. En die naar het vakantiehuisje boven de camping rond de 20%. Lag het toch niet aan mij!

6 thoughts on “Fietspompen, mannen en regels

  1. ja goewere, ik zit hier te zweten van lezen alleen al! heel eerlijk: ik bewonder je karakter enorm, maar ben tegelijk vreselijk blij dat ik met jou niet gehuwd ben! 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *