De dwarsligger

Familie Zwaan stak de provinciale weg over. In een rij van zes liepen ze in de zen-modus naar de overkant.
Raad eens wie vooraan stond in haar blauwe doos? Juistem!
De tegenligger stopte ook.
Terwijl de zwanen hun zwemvliezen omhoog optrokken en elegant lieten neervallen, waggelden ze met hun witte konten heen en weer. De voorste drie liepen in gelijke pas. Je zou er een vrolijk deuntje onder moeten kunnen zetten.

De rij wachtende auto’s werd almaar langer.
Een persoon met een matige impulsbeheersing dacht: ik rijd er voorbij. Halverwege naast mij kwam de Volvo tot stilstand. Aan het achterportier hing een colbert op een hanger en op het dashboard lag een verkreukelde Volkskrant.
De bestuurder draaide zijn bovenlijf in een bocht en zag dat de plaats waar hij gestaan had, was vergaan. Daar stond hij dan met zijn goede gedrag: hij kon geen kant op.

De stoet zwanen was intussen een aardig eind gevorderd. Ik kon de opgeluchte zuchten van mijn medeweggebruikers bijna horen.
Tot het zwaan nummer zes teveel werd en midden op de weg neerzeeg. Hij worstelde een moment tot z’n zwemvliezen naar tevredenheid onder z’n buik gevouwen lagen, en stak zijn kop in zijn verendek. Niets leek erop dat deze te-wegligging van tijdelijke aard was.

Van frustratie begon de bestuurder van de Volvo hard op de claxon te bonken. Een zinloze actie, waarschijnlijk veroorzaakt door een naderende midlifecrisis.
De zwaan keek de bestuurder even recht aan, gaapte en hernam zijn oude houding. Het getoeter hield op.

Ik zwaaide een aantal keer m’n autoportier open, dicht, open, dicht…
De watervogel stond op. Draaide een rondje om zijn genderneutrale as, produceerde een berg groene drollen en liet zich weer zakken.

Uit de auto van de tegenligger stapte een zwaar gebouwde kerel met armen als staalkabels. Hij liep naar de zwaan, zwaaide met z’n armen en riep opruiende teksten als: ‘Kssst! Kssst!’
Dat hielp. Het beest besloot ons een plezier te doen en zijn kornuiten alsnog te achtervolgen.

Je zou denken dat alles voorbij was, maar de verkeersgoden beslisten anders.
De Volvo gaf gas en probeerde zich voor mijn auto te wringen.
Hij zag mijn kritische blik en tikte met z’n vinger tegen z’n voorhoofd. Ik zóu hem voorrang kunnen verlenen ware het niet dat ik een vals karakter heb en er geen enkele passeermogelijkheid op de  smalle weg was. Drie auto’s naast elkaar – zelfs tweeënhalf – was Godsonmogelijk. Ik glimlachte vilein en reed het gaatje nog ietsiepietsie verder dicht.

Toen de Volvo van geen wijken wilde weten, stapte de man met de staalkabels weer uit. Wijdbeens dirigeerde hij de tegenpartij achteruit.
Er verscheen iets onzekers in de houding van de laatste. Het drong langzaam maar meedogenloos tot zijn stoïcijnse brein door dat een snel heenkomen ver te zoeken was. Erger nog: er bleef maar één mogelijkheid over. Hij moest ten aanschouwen van iedereen in zijn achteruit de weg afrijden tot bij het eerstvolgende kruispunt 600 meter verderop.
Ook dáár had ik graag een gezellig deuntje onder gehoord.

109 thoughts on “De dwarsligger

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *