Boemelen door Georgië

Roos wilde dat afgrijselijke juk van studeren afwerpen, en een studiereis leek haar dé gelegenheid. Ze koos Istanbul. Dat vond haar moeder – alias ik – een slecht idee. ‘Je moet het zelf weten, maar daar kan je ’s avonds niet normaal over straat, het land kent geen vrouwenrechten, en dan heb je nog die achterlijke Erdogan…’
‘Oh, ligt Istanbul in Turkije?’ sprak Roos. ‘Ik dacht in Oost-Europa.’ Waaruit blijkt: topo-toetsen waar ze in het verleden tienen voor scoorde, bieden geen garantie voor geografische kennis in de toekomst.

Flexibel als Roos is, koos ze voor Georgië. Zolang je daar de grens met Rusland mijdt, is het goed toeven. Per bus reisde Roos vanaf het Erasmus naar Dusseldorf voor de vlucht naar Tiblisi. Eenmaal geland, zouden ze in een week tijd naar vier verschillende steden reizen en overnachten.
‘Regelmatig appen wordt moeilijk, want ze hebben weinig wifi,’ waarschuwde Roos.
Prima: geen nieuws, goed nieuws.

Georgië is een tweeënhalve-wereldland. Prachtige, ongerepte natuur waar de longen van de studenten zich vulden met schone, frisse lucht tijdens stevige bergwandelingen. ‘De damp sloeg van iedereen af,’ aldus Roos. ‘Maar sommigen hadden ook een conditie van niks-komma-niks,’ verzuchtte ze. Ze overnachtten in eenvoudige hostels waar Roos en kornuiten soms wat vet vlees maar vooral brood geserveerd kregen. De armoede onder de bevolking is groot. Iedereen eet van de opbrengst van een stukje land, en in supermarkten verkopen ze slechts bewusteloze groente en gebutst fruit.

Auto’s rijden rond zonder spatborden, ramen of met een doorgeroest dak. Elektriciteitskabels steken los uit de grond. Vrijwel iedereen heeft een slecht gebit, en slechts 5% van de inwoners heeft toegang tot zorg, en die happy few zijn – raad eens? juistem! – de rijken.

Roos’ delegatie bezocht een bedrijf in de gezondheidszorg en een medische faculteit. Van laatstgenoemde kregen ze een T-shirt dat Roos als nachtpon draagt. De tekst betekent zoiets als: www.tsmu.edu. Kijk gerust hier.

Het reizen met een Russische boemel was eh…apart. Bijna hadden ze ‘m gemist en hij rijdt maar tweemaal daags. Ja, ja, Georgische nachten zijn lang! Het interieur van de trein was somber, wat overeenkwam met het ochtendhumeur van de studenten.
Een beetje trein doorkruist in vier uur tijd het ganse land van Zuid naar Noord maar dit authentieke exemplaar deed vier uur over 1/3 van deze afstand. Daarbij was het de normaalste zaak dat de jeugd opstond voor ouderen.

Om dat duidelijk te maken, keken de autochtonen de Erasmusreizigers recht in de ogen en hielden dat net zolang vol tot deze hun plaats afstonden.
‘Goh, dus voor mij had je ook op moeten staan?’ riep ik blij.
‘Ook al voor mensen van de helft van jouw leeftijd,’ verzekerde Roos me.
Ik wilde er verder geen letter meer over horen.

Roos was immuun voor de volhardende blikken, want ze had haar ogen dicht. Een reisgenoot tipte haar voor de zekerheid: ‘Ogen dichthouden, anders moet je je zitplaats afstaan.’ Kind – nooit te beroerd iets van een ander aan te nemen – voldeed gewillig aan dat verzoek.
Ik heb leuke foto’s van Roos in slaaptoestand! Heel elegant met mond open. Maar ik krijg geen toestemming tot plaatsing, en dan doe ik dat ook niet, anders stuurt ze me nooit meer foto’s.

Slapeloos in bed telde ik alle landen waar Roos op vakantie is geweest: België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Italië, Engeland, Zweden, Noorwegen. Mijn vingers waren op. Telde verder op m’n tenen: Finland, Estland, Lapland, Rusland, Polen en Georgië. Zestien stuks voor iemand van 23 jaar. Ik lag er ondersteboven van.

Klapvee

Met mijn wagen volgeladen reed Roos naar Hilversum. Via het koor had ze een uitnodiging gekregen, aanwezig te zijn bij een muziekshow waar zij en drie kornuiten als klapvee mochten dienen. Onverwoestbaar goedgehumeurd zouden ze zich laten onderdompelen in een avondvullend programma.

‘Bij binnenkomst werd het publiek in tweeën verdeeld. Jonge mensen – van mijn leeftijd – vooraan. Ouderen verder naar achteren.’ Gniffelend vervolgt Roos: ‘Een mevrouw in prinsessenkleding werd achter een dikke pilaar gedirigeerd.’

In de studio was het héét, niet te harden, maar ja, gratis dus dit was niet het moment kieskeurig te zijn. Ze kregen lach- en klapinstructies. Bij een klein grapje, graag zacht lachen en kort klappen. Even oefenen: een, twee, drie, zo ja. Prima! Bij een écht goeie grap alles graag langer en enthousiaster. Een, twee, drie….niets meer aan doen!

Roos’ torenhoge verwachting werd getemperd toen bleek dat Jan Smit het programma presenteerde. Ze kreeg aandrang te vertrekken – ik maak meelevende geluiden – maar haar nieuwsgierigheid naar wat ging komen, was groter.
‘Het was wel tof dat het publiek kon deelnemen aan de muziekquiz want iedereen kreeg een stemkastje,’ aldus Kind.

Monter begon Roos aan de quiz. Helaas ging het uitsluitend om Nederlandstalige liedjes. En oud! Stuk voor stuk van vóór haar jaartelling.
Er traden meerdere artiesten op. Van de meesten had Roos nog nooit van gehoord, dus konden het ook geen BN’ers zijn.
Oké, Frans Duits zong een paar nummers maar ‘Zo iemand telt niet mee.’

Tussen de nummers door kregen ze versnaperingen in liquide vorm. Er was zelfs keus. Ongewild krijgt een mens toch bewondering voor de ganse happening.

‘Alleen, ja, alleen…’ zegt Roos met een verbeten trek om de mond, ‘had ik aan het eind van de avond maar drie punten gescoord via dat kastje.

Na afloop was het buiten stikmistig. Op de snelweg hield ik de meest rechtse baan aan en reed 70 km/uur want ik zag zelfs de belijning niet. Een lange sliert auto’s achtervolgde me, terwijl ik zo hoopte ingehaald te worden, zodat ik achter een ander aan kon rijden.’
Ellendiger kon het niet worden toen de Mac dicht bleek. Ze vergingen zowat van de honger.
Een wonder dat ze ondanks de mist en lege maag haar thuis heeft bereikt.
‘Maar,’ snoeft Roos, ‘ik heb altijd al een tv-opname willen meemaken en het is mijn persoonlijke verdienste dat ik dat voor elkaar heb gekregen.’
‘En de verdienste van mijn auto.’
‘Dat ook,’ zegt Roos genereus.

Nu is het wachten op de uitzending. Eén ding weet ze zeker. Roos komt op tv want ze zat helemaal vooraan.

Hormoonheks

In mij woont een hormoonheks. Met haar valt alleen te leven als ze voldoende hormonen binnenkrijgt. Omdat ze een hebzuchtig kreng is, wil ze steeds meer pillen en dat was een gevaar voor mijn volksgezondheid.
De huisarts somde de bijwerkingen van de overdosering op: trombose, longembolie, borstkanker…
Oud nieuws want in een vlaag van verstandsverbijstering had ik de bijsluiter gelezen.

Wat ik kon krijgen, interesseerde me geen ruk, want zonder genoeg pillen slaap ik niet, krijg ik ’s nachts hallucinaties en hoor ik overdag geluiden die er niet zijn: rinkelende telefoons, kerkklokken, claxons, een waterfontein…
Echt, na drie dagen ben je je eigen grootste vijand en wil je dood. Waarom wachten als het toch een keer moet gebeuren?

Ik ben jarenlang gek verklaard door artsen omdat ze nog nooit van mijn probleem hadden gehoord. Hun advies was steevast: zoek een goeie psychiater.

Het was een (z)ware zoektocht naar de juiste specialist en twee weken geleden kreeg ik eindelijk erkenning. Een gynaecoloog zei dat ik gewoon een vrouw ben die veel extra hormonen nodig heeft, en ze kwam met de oplossing: pleisters. Doordat de hormonen via de huid worden opgenomen kan de dosering twintig maal lager dan oraal.
‘Plak op elke bil een pleister,’ adviseerde ze. ‘Na drie dagen vervangen en rouleren van plaats.’ De arts keek nog eens kritisch naar mijn lengte en gewicht en zei dat het ook wel op m’n heupen mocht.

Thuis schrobde ik mijn achterkant, scheurde de verpakking open en haalde er een groot, ovaal en doorzichtig stuk plastic uit.
‘Waar zal ik ‘m plakken?’ vroeg Man gretig, want hem viel de eer te beurt.
‘Waar jij wil,’ antwoordde ik meegaand.
Joris koos een locatie en duwde de pleister stevig aan. Dat kun je wel aan hem overlaten. ‘Je ziet er niets van,’ zei hij. ‘Je kan er gerust naakt mee in de tuin werken,’ grapte hij en pakte pleister nummer twee.
Ja, nee, het hoefde niet meer. Een beetje geintjes maken ten koste van mijn derriere!

Nooit geweten dat pleisters op je kont zoveel impact hebben op je hoofd.
Als Joris me een corrigerende pets wil geven, roep ik: ‘Niet op mijn billen!’
Ga ik zitten, denk ik: pleisters! Zitten ze er nog? Oh ja. Adem uit.
Sta ik op denk ik aan de pleisters. Als ik buk, m’n opdrukoefeningen doe, naar de de wc ga…Mijn toch al nerveuze geest is 24/7 met die zuignappen bezig.

Een dag na het aanbrengen van de pleisters, stapte Joris uit de douche en ik erin.
Man keek aandachtig naar mijn achterwerk. ‘Goh,’ zei hij, ‘die pleisters krijgen rimpels, net als je gezicht.’
Wat was hij weer leuk! Dreigend antwoordde ik: ‘Als je nog één grap maakt, plak ik op jou ook een pleister. Driemaal raden waar.’

Tijdens de nacht zijn beide pleisters vroegtijdig overleden.
Vrouwmoedig plak ik door. Ik zal die toverkol krijgen!

Op lemen voeten

In de zon en uit de wind was het heerlijk toeven.
Mensen schoten als paddenstoelen uit hun huizen. Ook Joris en ik. We reden naar natuurgebied de Za.ag waar het wel de vierdaagse leek. Dat krijg je wanneer iets gepromoot wordt.

Een echtpaar parkeerde hun Auwdi naast onze auto en stapte uit. Allebei gehuld in zondagse kledij en akelig dure schoenen.
Joris stootte me aan en fluisterde: ‘Wedden dat die straks omkeren?’
Even later wurmden we ons door het ijzeren toegangshek. Het onverharde pad erachter lag er minder dras dan anders bij.
Desondanks schudde de Auwdi-vrouw zorgelijk haar speciaal voor rampen gereserveerde blik. ‘Hank, dit gaat ‘m niet wurden,’ zei ze tegen haar echtgenoot.

Tot onze verrassing stond er bij de splitsing naar links een bordje met “Verboden toegang.”

Iedereen liep braaf naar rechts behalve Man en ik.
Het bordje zei: “Geen wandelpad.”
Klopte helemaal! Het was een glibber- en glijpad.

Wij baggerden voort. Dan weer links, rechts, of het midden van het pad kiezend. Passeerden de autosloperij en het waterzuiveringsbedrijf. In de griend werd duidelijk waarom het geen-wandelpad-bordje was geplaatst: er werden driftig wilgen geknot. Op de achtergrond uitzicht op de Lekdijk.

Voorbij de roestige Beverbrug wrongen we ons tussen de houten palen het natuurgebied in.
De lucht blauw; knoppen aan de bomen: hier waren we voor gekomen.

Rosa – die aan een ernstige vorm van zelfoverschatting lijdt- probeerde een hele boomstam mee te sjouwen. Goed dat er geen andere wandelaars waren want die had ze van het pad gemaaid.

Joris zag het met zijn haviksogen als eerst: een zelfgemaakte hut. Wie droomt er niet van?

Onze ogen puilden uit toen we de verzamelde hoeveelheid (bouw)materialen aanschouwden. Hardop speculeerde Man – gek op getallen – hoeveel keer opa en oma heen en weer waren gelopen. In het gunstigste geval konden ze de spullen in een zeepkist over het baggerpad gesleurd hebben, waarna alles over het houten hek van het natuurgebied getild moest worden en dan nog een kilometer over hobbelig gras.
Op het bruine bord naast de ingang stond met witte verf de naam van de eigenaren en bouwers van de hut geschreven.
We leerden vooral één ding: dat opa en oma héél veel van Ferry, Sjouke, Noor, Ralf, Wies en Kim houden. En dat ze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in bed liggen met een hernia.

Erken ME!

Poeh! Goed dat ik op een stoel zat toen Dien me de NOS-link appte, anders was ik gestrekt op het keukenzeil beland:

“ME-patiënten die altijd weggezet zijn als aanstellers, krijgen eindelijk erkenning. CVS/ME
is een ernstige chronische ziekte die voorheen door artsen werd afgedaan als een psychische aandoening.”

Lezers die me langer kennen, weten dat het over het Chronisch Vermoeidheid Syndroom of Myalgische Encefalomyelitis gaat.

Tot halverwege 2010 deed ik zeven dingen tegelijk. Deed als zzp’er inkopen op de bloemenveiling en gaf ’s avonds les. Hielp op Roos’ school. Rommelde in het  huishouden. Ik racefietste wekelijks 450 km, liep 20km hard en ging naar karate, en ineens was het: BOEM! Mijn lijf zei: flikker op, ik doe niet meer mee!

Ik deed hele dagen niets en toch werd de vermoeidheid en ik kreeg griepklachten die bleven.
“U heeft een depressie,” zei m’n huisarts.
M’n grootje. Die kreeg ik er gratis bij omdat ik van stilzitten ging janken. Ik hoopte dat ik iets van voorbijgaande aard had zoals de ziekte van Pfeiffer, maar bleek een gezonde zieke: alle te prikken bloedwaardes waren oké.
Bleef er maar een ding over: “Het zit tussen uw oren.”
Ik voelde me een zandkorrel in de wind.

Wat qut is, is dat je aan de buitenkant niets ziet. Voor een activiteit eet ik pijnstillers en doe gezellig. Niemand ziet hoe ik naderhand thuis op een stoel hang en de dag erna tol moet betalen.

Bij CVS is heel je systeem uitgeput. Vergelijk het met een zware griep met spierpijn en een algeheel gevoel van slapte. Sinds ik die ziekte heb, ben ik allergisch voor licht, geluid en drukte. Meer dan drie mensen is al een menigte.

Geroezemoes, een sociaal gesprek voeren tussen tien personen…het kan me gestolen worden. Net als achtergrondmuziek want die klinkt bij mij op de voorgrond. Uit eten met een gezelschap is een straf; ik krijg al wallen als zitzakken als ik eraan dénk.

In den beginne probeerde ik uit te leggen dat dat lamlendige griepgevoel en die allesoverheersende moeheid niet tussen mijn oren zat, maar daar ben ik mee gestopt nadat een geliefd familielid zei: “Ik heb precies hetzelfde als jij maar ik ga morgen gewoon naar mijn werk.” Had ik mogen kiezen, had ik liever een mes in m’n rug gekregen.

Wees eerlijk: als jij griep hebt, heb je zin in een verjaardag van iemand waar je veel van houdt? In boodschappen doen in een dichtbevolkt winkelcentrum? Wachten op Schiphol voor een lange vlucht naar weetikveel?
Want dat vergeten mensen: leuke dingen kan ik ook niet meer.

Ik ben alleen ’s middags het vrouwtje. Zit de middag tegen dan voel ik me een eendagsvlieg die haar dag niet heeft.
Het enige continue actieve aan mij zijn mijn gedachten en tongspier.

Nog steeds zit ik liever op een zadel dan op een stoel. Sport was de rode draad in mijn leven. Ik ben zowel de draad als mijn leven kwijt.
Ik ben een dubbel gezegend mensch want ik heb ook nog fibromyalgie. Doe braaf driemaal daags opdrukoefeningen. En triceps! Je zou ze moeten zien!

Kind, ach ja, Kind…één brok zonneschijn. Ze geeft me schouderklopjes, omhelzingen, verse dé-cappuccino’s en pakt een doekje wanneer ik geestelijk incontinent ben.

Ik blog zelden over m’n CVS. Ik ben meer dan die ziekte, ben niet zielig, heb een hekel aan zeiken en zie het als geestelijke fysiotherapie om de krenten in het leven te zien.

Maar toch, hè? Tegenwind gaat ook liggen. Kan iemand me misschien vertellen wanneer…?

Laad me met rust

‘Mevrouw, zou u even een paar meter verderop willen gaan staan? vraagt een studentiekoos type met een klembord in z’n hand.
‘Wie? Ik?’ vraag ik.
‘Ja, u.’
Verbijstering gaat met me op de loop maar ik houd stand.
‘Wil je erbij?’ vraag ik met een hoofdknik naar het schap met panty’s waar ik voor sta.
‘Nee, dat niet,’ antwoordt de jongeman met een raadselachtige glimlach. ‘U hoeft alleen maar even bij de rookworsten te gaan staan.’ Hij zegt het op zakelijke toon en gebaart met het klembord welke richting ik op moet lopen.
Hij is best leuk. Blauwe ogen. Een hoofd vol springerige krullen. Geen baard.

Ik begrijp er alleen geen hol van.
Je kan op dit moment een mitrailleur leegschieten in de Hema; de jongeman heeft geen belangstelling voor panty’s; er is geen brand; nergens een verstopping in een gangpad en het belangrijkste: ik blief geen worst.
Wat denkt deze leukerd? Dat ik een stakker met problemen ben? Wie mij weg wil jagen moet met steviger geschut komen. Een camera bijvoorbeeld; dan hól ik. Ik draai me om en concentreer me weer op mijn zoektocht naar nylons in de maat XXL. Kleiner hoef ik ze niet want dan hangt het kruis halverwege m’n schenen.

‘Mevrouw…’
Met een zucht draai ik me om. ‘Weet je moeder dat je hier bent?’ vraag ik vals maar op vriendelijk toon. ‘Ga bij haar koffie drinken of zo, maar laat mij alsjeblieft met rust. Oké?’
Kakel, Kakel, wat maak jij toch gemakkelijk vrienden…

Ik verwacht een teleurgestelde jongeman met een gezicht als een afdruiprek te zien, maar hij loopt met een grijns naar me toe, inclusief een uitgestrekte hand die ik negeer.
‘Gefeliciteerd, mevrouw. U bent een uitzondering! Ik zal het kort uitleggen: ik ben student psychologie aan de Erasmus universiteit en mag hier onderzoek doen in hoeverre mensen manipuleerbaar zijn, en dat bent u niet!
Sodeju! Iedereen maar zeggen dat ik dwars en eigengereid ben, terwijl ik gewoon niet-manipuleerbaar ben!

Mag ik u misschien enkele vragen stellen?’
‘Liever niet,’ houd ik vol.
‘Het antwoord op de eerste vraag weet ik al, hoor,’ zegt de student jolig.
‘Sorry,’ zeg ik, ‘vandaag heb ik geen goede dag.’ Het is nog waar ook. Ik zak bijna door m’n hoeven van vermoeidheid. Ik moest dringend naar de reformwinkel en sleepte me met m’n laatste restje energie naar de Hema, biddend dat ik onderweg geen bekenden zou tegenkomen. En thuis moet ik nog koken. ‘Als je wil, mag je de vragenlijst naar me mailen en vul ik ‘m thuis in,’ bied ik aan.
Hij wuift mijn aanbod weg. ‘Bedankt voor het meedenken, maar ik laat ik u verder met rust. Eén dingetje nog: in welke leeftijdscategorie valt u? Ik gok tussen de 20 en 30 jaar.’
Deze grap heeft hij ongetwijfeld honderd keer eerder gemaakt, maar ik vind ‘m geniaal. Mijn lach schalt door de lege winkel.
Werd het tóch nog gezellig.