WE-300 van Plato voor Winterwarmte & oud-en-nieuw

Ze opent de deur van de zijkamer, loopt naar de kist en schuift de deksel opzij. Hij ligt er nog steeds. Morsdood. Niet dat ze iets anders had verwacht, maar de  zekerheid doet haar goed.

Het was haar mans uitdrukkelijke wens geweest dat de deksel op de kist bleef liggen; niemand mocht hem zien. “Daar ben ik te trots voor,” had hij gezegd, en zij had erachteraan gedacht: voor het mooie hoeft er ook niemand te kijken. Hij had trouwens alleen máár uitdrukkelijke wensen gehad, die zij stuk voor stuk had moeten vervullen. De losse deksel is haar eerste overwinning. Nu kan ze letterlijk op hem neerkijken.

Over zijn heilige stoel, die zij alleen mocht uitzuigen en verder met geen vinger mocht aanraken,  heeft ze een felroze kleed gedrapeerd. De stoel is nu van haar en gisteravond heeft ze hem ingewijd door haar teennagels er op te knippen.

Ze draait zich om naar het raam en kijkt naar de hemel. Ze heeft altijd geloofd in iets sterkers dan zijzelf. Ook al behandelde haar man haar dertig jaar als een stuk vuil, in haar binnenste was altijd een  vuurtje blijven smeulen in de wetenschap dat ze voor eentje de moeite waard is.
Ze kan niet wachten om met de rest van haar leven te beginnen.

Morgen  – op oudejaarsdag – zal hij gecremeerd worden. Precies volgens zijn wens. Hij had haar geen groter plezier kunnen doen. De begrafenisondernemer had nog het idee geopperd de plechtigheid in het nieuwe jaar te laten plaatsvinden, maar daar was ze niet op ingegaan.

Ze hoopt maar een ding: dat haar man boven, in het hiernamaals, omringd zal worden met louter Licht en Liefde, want ze weet als geen ander dat hij te midden van zoveel moois niet zal kunnen aarden.