Tante Tilde

Ik neem een aantal snipperdagen op van Blogland. Tot volgende week!
Voor de liefhebbers een kort verhaal…

‘Op de brede kant van de trap lopen, tante,’ waarschuwt Jurgen.
Tante Tilde snuift. ‘Jullie leuning zit aan de verkeerde kant.’
‘Nee, onze trapt loopt in tegengestelde richting dan die bij u thuis,’ legt Jurgen geduldig uit.
‘Aan de verkéérde kant dus,’ snerpt tantes stem.

Marlies slaat haar ogen ten hemel. Ze komen niet verder dan het keukenplafond. Ze loopt over van irritatie en nu heeft ze tante alleen nog maar gehóórd.
Noch zij, noch Jurgen nodigt haar uit op een verjaardag. Dat mens komt gewoon!
Marlies neemt een besluit: volgend jaar zullen ze vijfde verjaardag van de tweeling doorbrengen in IKEA. De hele dag. En tante kan bellen tot ze honderd gram weegt, niemand zal voor haar opendoen.

Zonder bij binnenkomst de overige gasten te begroeten, laat tante zich in een lege fauteuil zakken.
‘Daar zat Aad,’ zegt een vrouw.
‘Nu niet meer,’ zegt tante, en ze wil nu direct, meteen, onmiddellijk advocaat met slagroom, die  Marlies voor haar uit de keuken mag gaan halen. Waarna tante het goedje met een snelheid naar binnen lepelt waarbij bij Marlies het woord alcoholist opkomt.

Tante is een diesel op volle toeren.
‘Rapportcijfers voor vlijt. Welke school geeft die nog?’
‘Spelen de kinderen in een zandbak? Daar krijgen ze wormen van!’
‘Wie maakt tegenwoordig nog groente en fruit in?’
Elk ander positief gespreksonderwerp – “Langs de Koninginneweg hebben ze nieuwe bomen geplant,” wordt door tante geestdriftig de kop ingedrukt: ‘Er is níemand meer die voor een oudere opstaat in de tram!’
‘Vroeger, ja, vróeger speelden kinderen nog buiten!’

Tante bet haar gezicht met een zakdoek. ‘Weet je hoe je kinderen kan laten huilen zonder dat je ze pijn doet?’ Ze kijkt triomfantelijk in het rond. Alsof ze om de volledige cijfers na de komma van het getal PI heeft gevraagd, kijken alle opa’s, oma’s en tantes elkaar in verbazing aan.
‘Kom hier,’ sommeert tante Sofie en Niels.
De jarigen komen schuchter dichterbij waarna tante met iedere hand een lolly uit de sabbelende monden trekt.
Glunderend kijkt ze naar het resultaat.

Nu is het mooi geweest! Van frustratie loopt Jurgen de kamer uit. Woest beent hij op de overloop heen en weer. Het liefst zou hij tante in complete dronkenschap afvoeren naar de auto, maar ze hebben al zo’n slechte naam in de buurt. Wat dan? Iets om haar uit het gareel te krijgen. Maar hoe? Op hetzelfde moment dat Jurgen de vraag stelt, weet hij het antwoord.

‘Alstublieft tante. Tijd voor u om iets warms te drinken. Warmte moet je met warmte bestrijden.’
Tante knikt goedkeurend: warmte met warmte bestrijden, is een term die ze zelf regelmatig gebruikt.
Marlies wisselt een snelle blik met haar man: toch niet dïé mok!
Jurgen haalt zijn schouders op.

Nou, een slokje dan, denkt tante Tilde.
En nog een, en nog een. De smaakt schijnt haar te bevallen.
‘Earl grey,’ zucht tante tevree.
Bijna had tante Tilde de mok leeggedronken.
Bijna.
‘Een beest! Een BEEST op de bodem!’ gilt tante. Ze werpt stuk servies van zich af. Het valt op het het vloerkleed en blijft rechtop staan. Tante werpt er een angstaanjagende blik in.
Op de bodem zit een dikke kever met iets openstaande dekschilden, compleet met poten en voelsprieten.
Roerloos.

De kever kijkt of hij tante elk moment kan bespringen.
‘Hij beweegt!’ gilt tante Tilde en zet het op een krijsen.

Ze graait haar tas van de grond – en maait die in haar haast om weg te komen – over de tafel met drankjes en schalen zoutjes, soepstengels en toastjes. Iedereen springt overeind. Ergens valt een stoel om. Het gaat allemaal aan tante voorbij, zij ziet alleen de deur naar de gang, en rukt die open. Met dezelfde vaart zet ze koers naar de trap, waar tante aan de verkeerde kant van de trapleuning van de goede kant van de trap lazert.

Onderaan blijft ze liggen.
Roerloos.
Voor het eerst sinds tantes komst, lacht Marlies.

De zes tekens

Eindelijk. Na levenslang wachten is hij vandaag achttien geworden.
Zijn moeder feliciteert hem met een knuffel. Ze kijkt haar zoon aan en Ben ziet de afkeuring op haar gezicht over wat hij straks gaat laten doen, maar zijn besluit staat vast.
Na het ontbijt kijkt zijn moeder hem na als hij op z’n fiets de motregen in rijdt. Ze zwaait niet, wat ze meestal wel doet.
Misschien had ik moeten zeggen waarom ik het ga laten doen, denkt Ben, maar hij vindt dat iemand anders het recht heeft het als eerste te weten. En ook dat het prima is als hij en zijn moeder een meningsverschil hebben.

Dries, de eigenaar van de tatoeageshop, feliciteert Ben en vraagt voor de vorm om zijn ID.
‘Ga zitten,’ zegt hij wijzend naar een gemakkelijke leunstoel.’ De man draagt een baard, een chaotische haarknot en een vriendelijke gezicht. Gemakshalve gaat Ben er vanuit dat hij ook een vaste hand heeft.
Hij neemt plaats in de stoel en ontbloot zijn arm. Na hun kennismakingsgesprek heeft Ben zich voorbereid, en hij geeft de tatoeëerder het papier met de zes tekens die hij vanaf nu voor altijd in zijn lichaam gegraveerd wil hebben.

Met een doordrukvel brengt de tatoeëerder de tekens over op Bens arm, vraagt of ze recht staan en alles naar zijn wens is.
Blij en nerveus knikt Ben dat het goed is.
De inkt heeft de kleur van een grafzerk en dat is precies de bedoeling. De pijn is goed te dragen; het voelt alsof iemand met een satéprikker stevig over zijn huid krast.
Al na twintig minuten is hij klaar.
Hij krijgt een tube zalf mee om de tatoeage driemaal daags mee in te smeren, de opdracht deze uit de zon te houden, en vooral niet te krabben als z’n huid gaat jeuken.

Buiten voelt de wereld anders. Alsof hij deel uitmaakt van een groter geheel.
Opgetogen tot in zijn tenen racet Ben naar zijn opa. Hij werpt zijn fiets tegen de pui en zwaait.
Aanbellen hoeft niet. In de gang schuifelt zijn opa hem met een grijns. tegemoet. Zoals gewoonlijk kraakt de vloer.

‘Jongen, toch! Gefeliciteerd! Kom je je eerste officiële biertje drinken?’ grapt zijn grootvader.
‘Nee,’ grinnikt Ben. Hij pakt met zijn slungelige armen zijn grootvader vast, bukt, en geeft hem drie zoenen.  ‘Opa, ik heb een verrassing voor u. Zullen we er bij gaan zitten?’ stelt hij voor.
Hij houdt de huiskamerdeur voor zijn opa open. Achter elkaar lopen ze de kleine, propvol gemeubileerde kamer in. Voetje voor voetje loopt opa naar zijn stoel bij het raam, en gaat zitten.
‘Moet ik m’n leesbril opzetten?’
‘Ja, doe maar, opa.’

Ben ontbloot zijn linker onderarm, buigt zich voorover, en legt hem op de armleuning. Hij heeft slechts oog voor zijn grootvaders gezicht. Een gezicht waaraan het zware leven is af te zien.
‘Wat heb je nou gedaan, jon…?’ De stem van de oude man breekt. Tranen lopen over zijn wang. Beschaamd slaat hij zijn eeltige handen met diepe groeven voor zijn gezicht. Dit is de tweede keer dat Ben hem ziet huilen. De eerste keer was na het overlijden van zijn oma.

‘Opa…,’ begint hij, terwijl hij een hand pakt van de man naar wie hij is vernoemd, ‘…opa, ze hebben u uw naam afgepakt en vervangen door cijfers. Iedereen die naar mijn cijfers vraagt, vertel ik dat mijn opa – u – Benjamin Klein heet en dat u Auschwitz heeft overleefd.’
Ben weet, als hij straks thuiskomt, dat zelfs zijn moeder het begrijpt.

Annelies in winterland

Maandag
Gehaast zet Annelies de boodschappentas op het aanrechtblad.
‘Schiet op met koken!’ roept haar man ter begroeting. ‘Ik wil 7 uur voetbal kijken, ja!’
Annelies opent de koelkast en pakt een flesje bier. Ze weet al wat ze in de woonkamer zal aantreffen: een onderuitgezakte vent voor de tv.
‘Wat ben je laat!’ Een lawine van scheldwoorden daalt op haar neer. ‘Zeker weer zitten borrelen na het werk?’ roept Joop minachtend.
Hád ze maar geborreld. Haar leven is ingesteld op de kost verdienen en haar man behagen.
Nog vier dagen, murmelt Annelies terwijl ze eten kookt. Vier dagen en dan…

Ze rilt en trekt haar vest aan dat over een keukenstoel hangt. Ondanks het late tijdstip van de dag straalt de zon naar binnen maar het is alsof haar stralen en warmte afketsen tegen de royale ramen in huis. Wat wil je met zo’n diepvrieskist van een man?

Dinsdag
‘Weet jij waar LHC-328 uit sectie 6 gebleven is? Hij zit niet in z’n hok.’ Monica kijkt Annelies vragend aan.
‘Eh…nee, nee, geen idee,’ liegt Annelies. Haar vingers plukken aan haar mondkapje in de hoop dat die haar roze blossen verbergen.

‘Annelies-de-pies! Je bent wéér te laat!’ brult haar man thuis.
‘File,’ fluistert ze terwijl ze hem zijn verkoelende bier brengt.
‘WAT! Altijd met twee woorden praten!’
‘Sssorry. File, Joop,’ verontschuldigt ze zich.
‘Donderdagavond komen de jongens hier eten. Ik heb de auto nodig voor boodschappen.’
‘Maar…maar…ik moet toch naar m’n werk?’
‘Moet ik je het gofferredomme nog een keer uitleggen?’
Annelies kruipt in elkaar als ze ziet dat Joop overeind komt. ‘Ik ga met het OV,’ zegt ze snel.
‘Dat is je geraden! En donderdag overwerken! We willen geen vrouw in of rond het huis!’ davert zijn stem. ‘En neem dat lelijke kolere ding mee! Wacht, ik zal het naar je harses gooien!’

Het is toeval – puur goddelijk toeval – dat Annelies de sneeuwbol met winterlandschap opvangt. Ze beschouwt het als een gunstig voorteken dat haar project zal slagen.

In de keuken denkt ze: nog drie dagen. Drie dagen zijn te doen. Ze trekt haar vest aan waarbij haar gedachten naar de zoekgeraakte langharige cavia 327 gaan. Voor de eerste keer vandaag lacht ze.

Donderdag
Het lijkt maar geen vrijdag te worden, wanhoopt Annelies in de nachtbus. Moe na de lange werkdag stapt ze thuis in bed. Joop is nog wakker.
Haar wekker knippert. De stroom zal eraf geweest zijn. ‘Hoe laat is het?’ vraagt ze.
‘Het is Joop’s tijd!’ gromt haar echtgenoot en spreidt zijn vadsige armen naar haar uit.

Vrijdag
‘Je bent zowaar op tijd!’ schreeuwt Joop vanaf zijn vaste plek voor de tv.
Nu komt het eropaan, denkt Annelies: concentratie en zelfbeheersing.
Uit een keukenkastje pakte ze de sneeuwbol, en uit haar tas een flesje druppels.
Ze heeft lang – heel lang – aan de formule gewerkt en dankzij de cavia en talloze ongeregistreerde ratten weet ze dat ze geslaagd is.
In het lab heeft ze de juiste hoeveelheid druppels in het flesje gedaan en leegt dat in het pijpje bier.
‘Schiet eens op!’ brult Joop. Hij slaat met zijn vuist op de houten leuning van de stoel.
Handenwringend kijkt Annelies toe hoe Joop het flesje aan zijn lippen wil zetten.
‘Wat sta je te staan! Vrouwenhanden moeten blijven gaan!’ roept hij en dirigeert haar met een handbeweging naar de keuken. Annelies verlaat op een holletje de kamer.

In de keuken trekt ze haar lab-jas aan. Die geeft haar altijd het gevoel dat ze iemand is. Iemand die een opleiding heeft gedaan. Iemand die een vak heeft geleerd. Iemand die onderdeel uitmaakt van een team. Een team dat haar op waarde schat.

Ze wacht tot de vijf langste minuten van haar leven voorbij zijn. Dan loopt ze met korte, snelle passen naar de stoel en buigt zich voorover. Hij is leeg. Herstel: hij is zo goed als leeg. Door Annelies’ lichaam trekt een golf van euforie. Het is alsof haar borst van intense vreugde uit elkaar scheurt. Met victorie kijkt ze neer op een driftig millimeter-mannetje dat met twee gebalde vuistjes boven zijn hoofd ongetwijfeld iets lelijks roept.
Annelies lacht alle spanning eruit, gaat op haar knieën zitten en opent de sneeuwbol. Met een pincet pakt ze het mannetje vast, propt ‘m in de bol, schroeft die weer dicht, en zet de bol op de vensterbank.

Tevreden ziet ze hoe de kleine Joop naar boven zwemt om adem te halen. Als hem dat is gelukt, schudt Annelies het sneeuwlandschap heen en weer. Alle opgekropte woede laat ze los op de bol. Ze zet ‘m weer neer en ziet hoe schuim en vlokken zachtjes neerdalen. Joopje heeft zich geprobeerd vast te klampen aan de top van een  dennenboom maar die is geknakt.
Annelies steekt haar tong uit en houdt ‘m pal voor de bol. Het zal het laatste zijn wat Joop ziet voordat hij door gebrek aan zuurstof wordt overmand.
Het is alsof Annelies de winterse kou langzaam in zich voelt ontdooien.

Gajes

Stevig omklemt Willem de kom met twee handen. De inhoud is het predicaat soep onwaardig. Het is weinig meer dan bouillon met een sliertje verlepte groente maar het is in elk geval warm. Wie weet heeft een bewaker erin gepist of gespuugd – daar worden iedere dag grappen over gemaakt – maar dat zoeken ze in zijn buik maar uit.

Voor de zoveelste keer vraagt hij zich af hoe het zijn vrouw en kinderen vergaat. Het is een droefenis die zwaar op hem drukt. Hij wil Geertruida zeggen dat alles goedkomt. Eens, wanneer Nederland weer bevrijd is, in hun gezamenlijke toekomst. Alleen heeft hij geen toekomst want binnenkort wordt hij naar de D-gang gebracht.
Daar mag hij in zijn laatste uren contact met andere gevangenen hebben. Om te praten, zingen, huilen, bidden. Wie weet een brief schrijven naar familie, en dan wacht hen de  volgende ochtend de fusillering op de Waalsdorpervlakte. Ondanks de warme bouillon rilt Willem in zijn dunne gevangenishemd

Op de gang klinken zware voetstappen. Grendels van deuren worden verschoven en zo te horen van iedere cel in zijn blok. Wat is er zo belangrijk dat de bezetters tijdens schafttijd overgaan tot actie? Vertel hem niets over Duitse pünktlichkeit!
Willen hoort geschreeuw, drinkt snel de soep op en juist als hij de kom op de grond zet, zwaait zijn celdeur open.
‘Mitkommen!’

Op de gang schieten Willems ogen heen en weer. Samen met zeven andere gevangenen wordt hij gedwongen tussen bewakers met geweren door diverse gangen te lopen en tot hun verbazing worden ze buiten de gevangenismuur gebracht.

Gretig vullen Willems longen zich met frisse lucht.
Verbluft door de onverwachte wending kijken de gevangenen elkaar aan. Ze zijn allemaal gearresteerd vanwege illegale activiteiten in het verzet. Van de verspreiding van illegale kranten, het drukken van extra voedselbonnen tot het vernietiging van gemeentearchieven aan toe.

Ze worden niet lang in spanning gehouden.
Een onbekende die door een Duitser onder schot wordt gehouden, roept na enig aandringen: ‘Handen achter het hoofd! Opstellen in een lange rij en meelopen!’
De gevangenen doen wat ze gesommeerd wordt. Het is een hele optocht die langs de gevangenismuur voort stapt.
Met tegenzin roept man: ‘Halt houden en met de rug tegen de muur gaan staan!’
Onderling wisselen verzetsstrijders nerveuze blikken. Wat staat ze te wachten? Worden ze hier ter plekke gefusilleerd?

Een aantal Duitsers komt van de tegenovergestelde richting aanlopen. Ze hebben een verbeten trek om de mond; ze zijn niet bij het leger gegaan om emmers te sjouwen.
In de gaten gehouden door zwaarbewapende moffen, krijgt iedere gevangene een emmer sop en een boenborstel aangereikt.
‘Omdraaien en schoonmaken!’
De verzetsstrijders draaien om. Even staan ze daar onbeweeglijk. Er valt een korte betekenisvolle stilte, die overgaat in instemmend gemompel en daarna in een luid gejuich. Op de muur van de Scheveningse gevangenis staat met grote letters gekalkt: “In deze bajes zit geen gajes, maar Hollands glorie potverdorie!”

Hun gejuich wordt onmiddellijk afgestraft – ook Willem krijgt klappen – maar het is het waard. Na het schoonmaken zal de tekst verdwenen zijn maar als een fluisterend vuurtje alle gevangen bereiken en extra kracht geven. OZO!

(Oranje Zal Overwinnen!)

Het duivelsverbond

‘Je zal de mooiste romans schrijven en beroemd worden,’ belooft de onbekende haar.
Een halfuur geleden had hij naast Julia plaatsgenomen op het parkbankje. Ze had zitten dagdromen, haar gezicht naar de zon, een dichtgevallen boek op haar schoot.
‘Hoeveel kost dat?’ vraagt ze. De man heeft iets ondefinieerbaars. Een glad gezicht met oude wijze ogen, en een warme uitstraling die haar onderhuids doet rillen. Ze had zijn naam gevraagd maar daar had hij overheen gepraat.

‘Als tegenprestatie wil ik je gedachten lezen,’ antwoordt de vreemdeling.
Zoiets simpels? Julia had een gigantisch geldbedrag verwacht om haar vurigste wens in vervulling te laten gaan. Ze vindt het een vreemd voorstel; misschien moet ze er een nachtje over slapen…
De man staat op en zegt: ‘Ik moet gaan. Per dag kan ik een beperkte hoeveelheid wensen vervullen, begrijpt u?’

Julia’s ster is rijzende. Ze schrijft roman na roman, wordt uitgenodigd voor het Boekenbal en ontvangt onderscheidingen bij de vleet. Overdag lijkt haar leven een volmaakt vijfsterrenfeest.
’s Nachts echter lijdt ze ondraaglijke pijnen. Een niet te stuiten oorlog in haar hoofd.
‘Jij…jij…Creep! Je hebt tegen me gelogen!’ schreeuwt Julia wanhopig. Snikkend laat ze erop volgen: ‘Waarom doe je me dit aan?’
‘Jouw duisternis is mijn brandstof.’
‘Op het bankje kon je mijn gedachten ook al lezen, hè?’
Zijn voldane lach lijkt door Julia’s merg en botten te stromen.

Julia kan niet meer. Zittend op de houten vloer wiegt ze huilend heen en weer. Ze piekert in het donker. Ze is verdwaald in haar eigen leven. Hoe verslaat ze de duivel, want dat hij de duivel is weet ze inmiddels zeker. Als hij van duisternis leeft, moet ze hem bestrijden met licht…
Geniepig lacht de duivel: ‘Elke kaars en lucifer blaas ik uiuiuit!’

Midden in haar ellende herinnert Julia zich een uitspraak van haar oma: “Hoop is een lichtje in je hart.” Dát kan hij niet uitblazen! ‘Ik moet sterk zijn!’ roept Julia. Hardop spreekt ze zichzelf moed in: ‘Ik zal flink zijn! Ertegenin, ertegenaan!’
Ze staat op en holt naar de zolder. Daar pakt ze de oude stormlamp, en sleept trede voor trede een leeg aquarium achter haar aan naar beneden. In een kast rommelt ze tot ze een kaars gevonden heeft.

De volgende dag, wanneer de duivel nieuwe dagdromers ronselt, steekt Julia laat in de middag de kaars in de stormlamp aan en tilt het aquarium eroverheen.
Zodra de zon onder is, pakt ze een spa, graaft een gat in de tuin en begraaft symbolisch de duivel.
‘Ik leef nog!’ knarst hij.
‘Voor mij ben je dood!’ gilt Julia.

Ze loopt naar binnen, naar de stereo, en pakt een cd uit het rek. Zodra ze de eerste tonen hoort, zet ze het geluid harder, véél harder. Ze wil de bas in haar buik voelen bonken. Het is of de muziek speciaal voor deze situatie geschreven is. Theatraal. Majestueus. Zo hard ze kan zingt Julia mee:

‘Jouw hemel blauw met gouden hallen
Jouw wolkentorens, ijskristallen,
Kometen, manen en planeten, aah, alles draait om mij…’

Op de muren flakkert het lamplicht.
De stormlamp gaat bijna uit!
Julia knielt en tilt het aquarium een stukje op om er wat zuurstof in te laten. Op datzelfde moment ziet ze een dunne, stroperige sliert naar binnen bewegen. Van schrik laat ze de glazen bak los. Te laat: de duivel blaast haar kostbare lichtje uit.

Angstig deinst ze achteruit. Zullen de lamp en het aquarium exploderen? Ze wacht en wacht…
In de duisternis verliest ze ieder gevoel van tijd. Terwijl ze het steeds kouder krijgt, lijkt alles in haar langzaam lichter te worden. Julia moet er zelfs aan wennen dat het in haar anders zo drukke hoofd verbazingwekkend stil is…

Het diner

‘Voortaan gedraag je je, Elsemieke!’ moppert haar man wanneer ze in de auto stappen.
Ze had geweigerd tijdens het diner bij de ambassadeur een kreeft op haar bord met één vinger of stuk bestek aan te raken.
‘Marnix, je kent mijn principes,’ sprak ze kalm. ‘Voortaan stuur je ze maar een vel handgeschept papier met producten waar ik zogenaamd allergisch voor ben. Kreeft, slakken, mosselen – alles wat levend gekookt wordt. En verder: walvis, tonijn en kalfsvlees. O, en oesters, want die vind ik smerig. Zoek anders maar een gezelschapsdame die je begeleidt naar je chique diners.’
‘Dat kan ik toch niet maken!’
‘Dan weet je wat je te doen staat.’

Elsemieke prikt weer een vorkje weg. Dit keer bij de consul van Ghana. Van deze man druipt de ijdelheid af. Knap dat hij het met zichzelf uithoudt.
De gastheer klapt in zijn handen en roept trots: ‘Nu komt hét hoogtepunt van het diner! Het is een verboden delicatesse – dat zijn tevens de smakelijkste, kan ik u verzekeren– maar het is bovenal een goed bewaard geheim wát u eet en dat zal het helaas ook moeten blijven.’

De borden worden opgediend. Te midden van een saus in de kleuren van de Ghanese vlag ligt een stuk gebraden medaillon.
Elsemieke snijdt een stuk af en wacht zo onopvallend mogelijk op de reacties van haar disgenoten.
‘Heerlijk!’ roept een mannenstem.
Een vrouw zegt goedkeurend: ‘Zacht als kalfsvlees.’
De consul kijkt Elsemieke verwachtingsvol aan.

Beleefd stopt ze haar vork in haar mond. Voor het mooie net een iets te grote hap.
Ze kauwt en kauwt, en er trekt een huivering van haar hoofd via haar ruggenmerg naar haar stuitje. Zo snel mogelijk slikt ze alles door. Ze probeert naar de consul te glimlachen maar het lijkt of haar mond alleen nog maar uit tong bestaat. Haar keel zwelt op en slikken wordt moeilijk. O God, prevelt Elsemieke in stilte, wat heeft die griezel ons voorgeschoteld? Giftige slang? Van ellende duizelt het haar.

In paniek schuift ze haar stoel met een ruk naar achteren en komt met moeite overeind. Ze stamelt: ‘Ik…ik…voel me…niet goed.’
Het is haar aan te zien. Ze heeft een vale gelaatskleur, haar ogen fladderen in hun kassen en ze ademt gejaagd in en uit.
Een bediende kan haar nog net op tijd opvangen.

Marnix staat op en holt gealarmeerd naar zijn vrouw. Gesprekken verstommen en iedereen kijkt toe.
Een arts in het gezelschap staat op en stelt voor: ‘Met uw permissie, consul, stel ik voor mevrouw in de aangrenzende kamer op de sofa te leggen. Dan onderzoek ik haar daar.’ De gastheer knikt. ‘Waarde consul,’ vervolgt de arts, ‘ik moet u helaas verzoeken welke delicatesse u ons heeft aangeboden. In verband met de eventuele behandeling. Het geheim blijft uiteraard binnen deze kamer.’

Er valt een lange, akelige stilte.
Met leed overmande blikken kijkt iedereen naar Elsemieke die de kamer wordt uitgedragen.
De consul is finaal van de kaart. Hij veegt zijn mond af aan zijn servet. Het kost hem zichtbaar moeite zijn geheim te onthullen. Met een stem verstikt van spanning zegt hij uiteindelijk: ‘Het is…het is mensenvlees.’