De Tijd

De Tijd

 

Je moet altijd op tijd beginnen,

kunt ‘m doden, negeren, winnen.

Hij is overal, maar nooit concreet,

je zegt nooit: “Ik pak ‘m beet.”

 

Laat zich niet opjagen of beknotten,

loopt gelijk voor koningen en zotten.

Kunt ‘m vieren met vreugdevuren,

of denken: ‘t zal mijn tijd wel duren.

 

Hij maakt je ouder, soms ook wijzer,

maar nooit jonger, altijd grijzer.

glipt door je vingers als los zand,

niets zo tijdelijk als een krant.

 

Decennia, millennia, één jaar, of tien miljoen,

een maand, een week, of even vluchtig als een zoen.

Thans, het hier, het nu, het heden;

duurt eeuwenlang, of is zo vergleden.

 

De tijd, een tijdje, eindeloos,   

vergankelijk of een hele poos.   

Babytijd, peutertijd, kleutertijd,  

kindertijd, pubertijd, volwassenheid.

 

Verkeringstijd, verlovingstijd,

in goede en in slechte tijd.

Kantoortijd, de baas z’n tijd,

tijdschema of vrije tijd.

 

Bedtijd, wektijd, koffietijd,

looptijd, rektijd, sluitertijd.

Bloeitijd, broedtijd, voedertijd,

paartijd, draagtijd, lammer tijd.

Zomertijd, ijstijd, wintertijd,

Joeltijd en komkommertijd.

 

Te allen tijde, te zijner tijd,

na lange of verloop van tijd.

De hele tijd, de laatste tijd,

onvoltooid verleden tijd.

 

Tijdens, tijdelijk, tegelijkertijd,

tussentijds of tezelfdertijd.

Een tijd van komen en een tijd van gaan.

Uit de tijd, of eigentijds met de tijd meegaan.

 

Hij heelt mettertijd alle wonden,

je verliest ‘m of bent aan hem gebonden.

Tijd kost geld, zeker vandaag,

maar hoeveel, dat blijft de vraag!

 

Mirjam Kakelbont

Logies aan zee

 De dag begint vroeg voor ons, maar ‘t is voor een goed dool. In het donker rijden we langs de schapen in het winterse landschap. Na een uur al komen we aan bij ons logeeradres: een prachtig strandhuis van Vrienden, op ongeveer 400 meter van zee.

Met de auto kunnen we niet dichtbij het huisje komen, dus halen we de bolderkar uit de schuur om niet ernstig te hoeven sjouwen. Met de sleutel helpen we onszelf naar binnen. Wat een winterwarm welkom! De kachel brandt, de bedden zijn opgemaakt, de kerstboom versierd, en… er liggen zelfs cadeautjes onder! We vinden echte flessenpost met lieve briefjes die zijn aangespoeld op de keukentafel en Kinds bed.

Lief gaat daarna naar z’n werk (nog maar twee daagjes werken), Kind gaat zwemmen en ik doe een dut (ja, je leest het goed).

 Na een bijzonder smaakvolle lucnh met verse broodjes, gaan Kind en ik op pad. Muts op. Sjaal om. Handschoenen aan. Een dikke jas en lange laarzen. Buiten is het een typisch geval van donkere dagen voor de Kerst. De sneeuw ligt op sommige plaatsen 30 cm hoog.  En dan komen we zomaar familie van Bella tegen! Later meer.

Vurwende soddemieters

’t Is windstil met een helderblauwe lucht. Mijn adem stoomt in wolken naar buiten. De overgang van de wal naar de sloot is op sommige plekken moeilijk te zien en bij tijd en wijle zak ik kuitdiep in de sneeuw weg. De witte wolbalen midden in het weidse landschap blijven staan dicht bij elkaar staan en krabben met de voorpoten de sneeuw weg op zoek naar gras. Eentje houdt de boel in de gaten zodat de rest pootje voor pootje op grasjacht kan.

 

Halverwege liggen drie roerloze gestalten. Zouden het dode schapen zijn of liggen ze op hun rug want er zit totaal geen beweging in. Ik klim over een hek en loop in hun richting. Vlakbij gekomen zie ik dat het gedeeltelijk ondergesneeuwde bonken hooi zijn. Aha, bijvoer voor de dames. Das mooi,want hun buiken zitten vol pootjes.

 

Als ik me omdraai voor de terugweg, staat de boer bij ’t hek. Ik steek m’n hand op. Een minimaal knikje met zijn hoofd is zijn antwoord. We kennen elkaar van gezicht.

Alhoewel, met die muts die ik op heb…

Zonder muts, sjaal of handschoenen staat hij met open jas doodleuk tegen ’t hek geleund. Een verrekijker om zijn nek. Tweemaal daags controleert hij de kudde.

  

‘Daagie daat ze dot ware?’ vraagt hij als ik dichterbij kom. Ik knik en voel me ietsiepietsie betrapt. 

 

‘’t Binne vurwende soddemieters,’ zegt hij. ‘Ze krabe liever met du potte de sniw weg voor un plukkie dot graas, dan da ze ingekooild graas vrete. Net zo eigenwijs als vrouwen,’ vervolgt hij in dialect, mij recht in de ogen kijkend, zodat ik goed begrijp wat hij bedoelt. Ik grinnik; hij zegt het met een twinkeling. ‘IJzersterk soort hè, om onbeschut bij min tien de nacht door te komen. Mijn zoon heeft voor hij vanochtend naar ’t werk ging, ‘t gras neergegooid, maar ze blieven ’t niet, zie je ‘t? Ik zou ze liever binnen halen, maar dat moet met de veewagen en dat levert teveel stress bij ze op.  

 

Heb je ’t koud? vervolgt hij op dezelfde toon. Vol verbazing ziet hij hoe ik me tot de wenkbrauwen heb ingepakt en ’t nog niet warm heb. Dat moderne volk ook. Hij stapt in zijn auto, waarvan het raampje tot halverwege openstaat en ik graaf mijn fiets uit. Als de sodemieter naar huis. Hopen dat ik niet doodvries onderweg in mijn dikke jas, thermohemd en handgebreide 100% wollen schapentrui.