Keek op de Week (220)

Vijfhonderd meter van ons huis staat melkveebedrijf met ruim honderd koeien.
Boer stond buiten. Hij droeg laarzen, spijkerbroek en schipperstrui. Zijn rug gekromd tegen de wind; handen in zijn broekzakken.
‘Zijn koeien oud en nieuw goed doorgekomen?’
‘Het is hier vrij afgelegen,’ knikte boer gemoedelijk. ‘Heel de dag radio aan tegen omgevingsgeluiden en ’s middags lampen aan in stal zodat ze de lichtflitsen niet zagen. Extra gevoerd en ’s nachts de trekker in stal laten draaien. Dat is een vertrouwd geluid, hè? Koeien gingen vanzelf slapen.’
Winterwind blies sneeuw door de straat. Auto’s, bomen en huizen…alles zag wit. Op weg lag plat gereden sneeuw die glom als ijsbaan. Hoorde onbekend geluid. Een mix van onweergerommel en sneeuwschuiver.
Geluid klonk weer. Liep naar keukenraam. Van overkant kwam wit werkbusje aanrijden. Busje rondde behoedzaam de bocht. Moest twee keer knipperen. Zag ik het goed of waren mijn ogen verstuikt?
Achter auto hing aan touw een groene kano. Met daarin twee kerels – mutsen ver over de wenkbrauwen – die zich met schrapend geluid over weg lieten slepen.
Had best met ze willen ruilen.
Werd ’s nachts wakker. Stond te snel op uit bed om naar wc te gaan en werd (wegens te lage bloeddruk) duizelig.
Meestal heb ik tegenwoordigheid van geest ergens te gaan zitten maar was deze keer handelingsonbekwaam. Ik registreerde niets. Dacht niets. Geen zuurstof naar hersenen, geen gedachte. (Dat bereikte in nou nooit met meditatie.)
Ik viel, stootte ergens tegenaan en voelde ineens een hand. Hersenen kregen beetje lucht. Ik dacht: oh, er is nog iemand in huis.
Hand trok me op iets zachts.
Waarom deed hand dat? Waarom lag ik zo raar?
‘Gaat het weer?’ vroeg Joris.
Ha! Ik was thuis en lag gedeeltelijk op bed. En moest nog steeds piesen. Kwam overeind.
‘Eerst op bedrand gaan zitten!’ commandeerde Joris.
Heel soms gehoorzaam ik Man.
Vrouw in Kruitvat liet arm vol producten pardoes in sleurmand op grond vallen. Mijn sleurmand. Die was vlak ervoor – evenals haar mand – nog leeg. We wilden tegelijk sleurmanden wisselen waardoor onze armen in knoop raakten. Na veel lachen lukte ruil. Ik keek vrouw toen pas goed aan. Het zwarte pagekapsel was nu wit – wat haar gezicht een zachte uitstraling gaf – en ze droeg nog steeds zwartkleurig montuur.
‘Heeft u op de boekafdeling in Bijenkorf in Rotterdam gewerkt?’ vroeg ik. In lunchpauze van werk kocht ik daar vaak Engelse boeken.
‘Dat klopt! Tot aan mijn pensioen.’ Ze lachte en knikte dat ze me herkende.
‘Wat is het laatste boek dat u heeft gelezen?’
‘Essex dogs,’ antwoordde ze.
‘Dat heb ik met Kerst cadeau gekregen!’ Van Roos. Wij doen aan IJslandse traditie Jólabókaflóð (boekenvloed) waarbij je elkaar tijdens donkere dagen boeken cadeau geeft.
Pensionada zei: ‘Essex dogs is net ‘Kruistocht In Spijkerbroek’ voor volwassenen. Veel leesplezier!’








