Het kerstkindje

Met glinsterende ogen kijkt Lilly naar de engel in de kerstboom, trekt haar van de tak en geeft er een stevige kus op.
‘Niet zo knijpen, je plet mijn vleugels,’ bromt de engel.
Het kleine meisje laat zich van schrik pardoes op de grond zakken en zet de engel voorzichtig op haar schoot. ‘Sorry,’ zegt ze zacht. Ze heeft altijd gedacht dat engelen lieve, zachte wezens zijn en nu hoort ze boos gemopper.
‘Al goed, al goed,’ zegt de engel. Ze laat haar handen langs haar vleugels glijden, kijkt het meisje plechtig aan en zegt: ‘Nu mag je een wens doen.’
‘Oh!’ roept Lilly verrukt, ‘ik wil zó graag een zusje!’ Ze wil overeind springen, in haar handen klappen en de kamer rond huppelen, maar ze wil vooral vrienden met de engel blijven.
‘Dat kan ik wel,’ knikt de engel. Maar vind je mama het goed?’

‘Van mama mag het ook een jongetje zijn,’ zegt Lilly, en vervolgt op fluistertoon: ‘Alleen…alleen…ik heb geen vader meer. Hij heeft een nieuwe vriendin en nu… vindt hij mama en mij niet meer lief.’
De engel zucht. ‘Dit hoor ik vaker,’zegt ze. Waarschuwend laat ze erop volgen: ‘Babyzusjes huilen veel, en heb je aan kleertjes en luiers gedacht?’
‘We wikkelen haar in doeken en de avondwinkel is open,’ zegt het kleine meisje praktisch.
‘Je moet wel héél lief voor haar zijn, ‘ zegt de engel streng, ‘want ze komt rechtstreeks uit de hemel.’
‘Ja, natuurlijk!’ Alsof Lilly iets anders dan lief voor haar zusje  wil zijn. Boos slaat ze haar armen over elkaar heen.
‘Hoor eens, van mijn baas moet ik die vraag nou eenmaal stellen,’ vergoelijkt de engel. ‘Hang me maar terug in de boom…voorzichtig!’

Lilly doet wat haar gevraagd wordt.
Bewegingloos hangt de engel in de boom. Wat nu? Zonder dat ze het merkt, houdt ze haar adem in.
Ineens klinkt van boven een luide gil. Dat is mama! Die is natuurlijk geschrokken! Lilly hoort wel dat het een blije gil is.
Zo snel haar benen haar kunnen bijhouden, holderdeboldert ze de trap op. Dit is haar snelste tijd ooit.

Buiten adem loopt ze naar de grote slaapkamer en doet de deur open.
Op bed, naast haar moeder, ligt een klein kindje. Haar moeder straalt en huilt tegelijk.
‘Kijk eens wat we hebben gekregen!’ zegt mama. Ze veegt de tranen uit haar ogen. ‘Waar komt ze vandaan? vraagt ze. ‘Ach, laat maar,’ vervolgt ze, ‘we hebben haar nu; dat is het enige wat telt.’
‘Ze komt uit de hemel, ‘ zegt Lilly en aait met haar hand zacht over het hoofd van haar kersverse zusje dat bruine ogen en zwarte haartjes heeft. Ze ziet er heel anders uit dan Lilly zelf.
‘Wat is ze mooi,’ zegt mama. ‘Dit is geluk, puur geluk. Nu heb ik twee meisjes om van te houden,’ en geeft ze allebei een zoen.’ Opeens bedenkt ze iets. ‘Vind je het erg dat ze…dat ze…gekleurd is?’ vraagt ze.
Daar denkt de grote zus even over na. Al snel zegt ze: ‘Nee hoor, wie weet is ze familie van Jezus en hij is in een ver en warm land geboren waar alle mensen een beetje bruin zijn.’

De ijskoningin

De ijskoningin

Van korte afstand kijkt hij op haar neer. Er gaat een ontegenzeggelijke rust van haar uit. Een rust die Charles sinds lang niet meer gevoeld heeft.
Het was een proces geweest dat was gestart op het moment dat ze hem griefde dat pijn deed tot op zijn tandsteen aan toe. Het was alsof ze de bovenkant van zijn schedel had opgelicht, gevuld had met ijsblokjes en deze gaandeweg naar beneden gekropen waren en om zijn hart waren gaan zitten.
Was de situatie andersom geweest, dan had hij haar tot in den treure mentaal gesteund. Was het naïef geweest van haar hetzelfde te verwachten?

Met gemende gevoelens kijkt hij naar het attribuut in zijn handen. Dat was het tweede waarmee ze hem gekwetst had en het had maar een haartje gescheeld of hij had zijn knuisten op haar los gelaten.

Tijdens het laatste gesprek met de oncoloog had deze hem verteld dat Charles met dat lichaamsdeel alleen nog maar kon plassen. Dat had hij zelf allang geconstateerd maar het interesseerde hem geen zak. Hij wás er nog!
Thuis had zijn vrouw hem smalend aangekeken.  ‘Jij bent geen man meer,’ had ze gezegd, ‘Slaap voortaan maar op het logeerbed.’

Nadat de ergste ijs kou gezakt was en er levensdrift voor in de plaats was gekomen, had hij achter haar rug om een postbus gehuurd in de stad, contant geld opgenomen van hun spaarrekening, een nieuw bankrekeningnummer geopend en was hij op zoek gegaan naar nieuwe woonruimte.

Haar dood was compleet onverwacht gekomen. Een hartaanval.
Morgen zal Charles niet bij de rouwplechtigheid aanwezig zijn. Hij heeft zijn persoonlijke spullen verzameld en in een gehuurd busje gezet. Later zal hij een container huren, de rest van de inboedel van hun gezamenlijk appartement erin dumpen en de huissleutel inleveren bij de huismeester.

Hij kijkt van het attribuut in zijn handen naar haar gezicht. Tegen beter weten in zoekt hij naar zachte lijnen. De vastberadenheid die hij voelt om te doen wat hij wil doen, is volkomen.
Hij doet een stap dichter naar de kist toe en moet nog behoorlijk hannesen om het ding op de juiste plaats te krijgen.
‘Zo,’ zegt hij hardop als het gelukt is. Met iets van triomf bekijkt hij het resultaat.
Dat haar woorden tegen hem zoveel impact op haarzelf zouden krijgen, had ze nooit kunnen bedenken.
‘Geen gezicht,’ had ze gezegd toen hij terugkwam van de pruikenmaker. ‘Met dat ding op m’n kop zou ik nog niet dood gevonden willen worden.’

Het bruidsboeket

bruidsboeket

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor de maand juli met als thema: ontgroenen.

Goedkeurend kijkt Sander naar de manchetknopen die hij zojuist van zijn aanstaande heeft gekregen: parelmoer met goud omrand. Ietwat gespannen maakt hij ze vast.
Als vanzelf gaan zijn gedachten terug naar zijn eerste trouwdag. Liselore en hij waren jong, zelfbewust en hoopvol gestemd voor de toekomst. Ze hadden een plezierige baan, kregen twee gezonde dochters, financieel ging het voor de wind, ze hadden een druk sociaal leven…en vonden dat alles doodgewoon.

Had hij toen maar beseft dat hij goud in handen had.
Dat het met een vingerknip voorbij kon zijn.
Dat het met een vingerknip voorbij wás.

Het ziekenhuis had na een standaardoperatie een fout gemaakt, en van de ene op de andere dag was hij weduwnaar en de wereld niet langer een roze suikerspin.
Sander had het gevoel verdwaald te zijn in zijn eigen leven. Ter wille van zijn meiden
– hun meiden – leefde hij op de cruise control; de structuur van zijn werk hield hem overeind.
Als jij vandaag mocht kiezen of hij opnieuw met Liselore of met zijn aanstaande vrouw zou trouwen, was de keus gemakkelijk. Maar lieverkoekjes worden niet gebakken.
Hij snuit zijn neus in de zakdoek die bestemd is voor zijn vreugdetranen.

Beneden, heuvelafwaarts, ziet hij de bestelwagen van de bloemist aan komen rijden. Wanneer deze de oprijlaan bereikt heeft, loopt Sander naar de voordeur om het bruidsboeket in ontvangst te nemen.

Het is een zwoele, warme nacht. Hun voeten knarsen over het grind en verstoren de rust op de anders zo stille omgeving.

Zijn aanstaande was eerst verbluft geweest over zijn suggestie, had tijd nodig gehad om aan het idee te wennen en had uiteindelijk ingestemd met zijn verzoek.
Samen leggen ze het boeket op de grafsteen. Al zal Liselore altijd een leegte blijven die ruimte inneemt, Sander is klaar voor zijn leven met Karin.

 

Het carillon

Schrijfuitdaging WE-300 van Plato voor mei-juni 2016 met als thema: musiceren. 

‘Kom schat, we moeten opschieten!’ jut Thijs zijn vrouw op. Hij weet dat ze een hekel heeft aan zijn muzikale uitstapjes, helemaal op haar enige vrije dag van de week. De harmonie in hun huwelijk is de laatste tijd dan ook ver te zoeken. En hij heeft nog wel zo zijn best moeten doen om vanavond als enigen de toren te mogen beklimmen.
Stiekem gooit hij een pilletje in Claudettes kopje espresso. “Houd er geen stemvork bij in de buurt,” had de verkoper hem gewaarschuwd, “want dat maakt de werking van de pil ongedaan.”

Het carillon strooit haar klanken uit over de oude binnenstad.
Claudette knippert verdwaasd met haar ogen, kijkt haar man aan als in trance en begint sneller te lopen. Haar armen voor zich uitgestrekt alsof die het eerst boven willen komen. In de haast dichter bij de muziek te zijn, loopt ze passanten schaamteloos omver.

Bij het begin van de torentrap kijkt ze haar man een tikkeltje angstig aan. Ze is altijd bang geweest voor nauwe ruimtes.
‘Niet opgeven nu, lieveling, je bent zó dichtbij,’ fluistert Thijs tegen haar.
Haar naaldhakken lopen ongemakkelijk over de ongelijke, smalle stenen.
‘Doe ze maar uit,’ adviseert hij.

Het lijkt wel of iedere gespeelde noot Claudette nog harder roept dan de vorige. Hijgend komt ze bovenaan tot stilstand.
‘Laat mij maar even,’ zegt Thijs. Ze passeren ongezien de carillonspeler en Thijs doet de deur naar de jubelende torenklokken open.
Zijn vrouw siddert en lijkt een climax nabij. Ze klautert over een houten hek, wacht een moment, werpt zich zonder aarzelen op de grootste klok en klampt zich daaraan vast.
Er klinken vijf afgrijselijke valse noten, dan wordt Claudette letterlijk opgeslokt door de klok.
Thijs glundert. Nu kan hij op zoek naar een onbespeeld muziekinstrument dat zijn leven opnieuw klank zal gaan geven.

Wassend water

wateroverlast

Gniffelend bekijkt hij de kelder die vol water staat. Hij heeft de opmerkelijke gave van alles het positieve in te zien. Zijn vrouw en kinderen zijn al geëvacueerd, en het zal niet lang meer duren of het water zal vóór het vallen van de avond tachtig centimeter gestegen zijn. Voor hij vertrekt moet hij eerst nog een noodzakelijk klusje wegwerken om later persoonlijk leed te voorkomen. Als een blindeman neemt hij in lieslaarzen de benedenverdieping onder handen.

Met ijzeren hardnekkigheid tast hij met een bezemsteel de keukenkastjes af. Hier moet er ergens ook nog eentje liggen. Jammer dat die krengen niet ronddrijven in het water, dan hoefde hij niet zoveel moeite te doen…
Hebbes! Hij voelt hoe de steel onder zijn handen reageert, trekt ‘m omhoog uit het water, en sjort zijn vangst omhoog naar de bovenkant van de stok. Dat is nummer zes, nog één te gaan, denkt hij tevreden.
Jarenlang heeft hij zich fulltime in het zweet gewerkt om van die rotdingen verlost te raken en dankzij het overvloedige water zal hij zegevieren.

Wadend door de gang ziet hij dat de wc-pot onder water verdwenen is. Toiletrollen hebben zich volgezogen met water en klonten bijeen in een hoek, en een lege prullenbak dobbert troosteloos voort. Alsof het allemaal nog niet erg genoeg is, stinkt het hele huis naar lege viskommen.

De laatste kast krijgt hij maar met moeite open. Met zijn laars verplaatst hij bergen suiker, meel en rijst, en maakt met de lange stok roerbewegingen tot achter in de kast. Pok.…eindelijk…de laatste!
Als een trofee hangt hij de bezemsteel aan de kapstok. Zijn blijdschap komt niet helemáál van binnenuit, maar na zich jarenlang geërgerd te hebben aan die rotbeesten, is de ganse generatie compleet verzwolgen. Als ze voortaan een piep horen, is het van een deur.

Door dik en dun

overwicht

Ze heeft vandaag gezeur van haar baas aangehoord, boodschappen gehaald, gekookt en de vloer gedweild.
En wat heeft haar man gedaan? Hoogstwaarschijnlijk naar half ontklede vrouwen langs de waterlijn gekeken en een appeltje geschild met zijn survivalmes.
In het huishouden doet hij niets. En maar praten, praten, praten…
‘Houd nou eens je mond, ik wil m’n boek uitlezen,’ zegt ze snibbig.
‘Jij altijd met je boeketreeksjes, ik wil ook wel eens aandacht!’
‘Boeketreeksjes…’ schampert ze. Met haar linkerhand steunt ze op de armleuning van de bank terwijl ze overeind komt. Haar hart hamert alsof het zich een weg naar buiten probeert te slaan.

Beledigende scheldwoorden over haar overgewicht doen haar niets. Zodra iemand in de buurtsuper moeilijk doet, gaat zij midden in het gangpad staan en geen hond die er nog langs kan. Nadat ze eenmaal dit voordeel van haar gewicht was gaan inzien, houdt ze zich er met haar volle 136 kilo aan vast.
Ze zal haar man verpletteren onder haar aandacht!

‘Nu je toch staat, kan je net zo goed een biertje voor me halen,’ zegt hij gevat.
Ze krijgt zin het laatste beetje lucht uit ‘m te drukken, maar in plaats daarvan doet ze wat ze meestal doet: tot twintig tellen en ‘m zijn zin geven.
Onderweg naar de keuken vraagt ze zich af wat meer inspanning zal vergen: hem heropvoeden of verticaal begraven in de tuin. Ach, ze leest te veel thrillers, dat zal het zijn!

Terwijl ze haar neus snuit in een keukenpapiertje kijkt ze uit het raam. Op het bankje in de binnentuin zit een zoenend stelletje. Hoe lang is het geleden dat zij zo verliefd was? En wat is er met haar gevoel voor humor gebeurd?
Ze gooit de tissue weg, opent een keukenkastje, pakt een pijpje en een glas, en duwt met haar kont het deurtje weer dicht. Met koud water spoelt ze het glas om. Plotseling schiet haar een passage uit haar boek te binnen: “De wijn vloeide rijkelijk maar niet in het glas.” Wat zal Sjors opkijken als ze zijn biertje over het krokodillenmerkje van zijn poloshirt giet! Eerst gniffelt ze maar al snel begint ze met haar volle gewicht te schudden van de lach.
Zomaar ineens is haar nukkige stemming verdwenen. Had ze net niet te cru gereageerd? Ze kan van tijd tot tijd zo’n bitch zijn… Hoe vaak heeft hij nou de kans om een dagje te vissen? Dat boek kan ze morgen ook wel uitlezen… Ze krijgt zin in iets gezelligs. Neuriënd loopt ze naar binnen met het bierflesje en het glas.

Sjors kijkt haar lachend aan. ‘Wat heb jij ineens een lol,’ zegt hij.
Ze grijnst en doet ‘m een voorstel: ‘Als jij straks de vaatwasser leeg ruimt, maak ik nu wat hapjes klaar. Zullen we dan samen naar een film kijken?’
Hij kijkt haar verbouwereerd aan, herstelt zich snel en reageert bewonderenswaardig lenig. ‘Tuurlijk, schat. Daar drink ik op!’
Ze is blij dat ze niet bovenop ‘m is gaan zitten.
Veranderingen beginnen bij jezelf.

Winterwarmte

winterwarmte

Ondanks haar thermokleding en winddichte jas heeft ze het gevoel in haar nakie te staan. Haar handen zijn ijsklompen en ze overweegt serieus haar handschoenen uit te trekken om ze warm te plassen. Alleen de gedachte aan haar blote kont in de vrieskou weerhoudt haar daarvan.

Gek dat ze van buiten zo koud is want van binnen kookt ze. Niet alleen omdat ze verliefd is, maar vooral van nijd. Ze had wijzer moeten zijn. Ze is niet bepaald het mooiste meisje van de klas, maar dat gevoel had hij haar wel gegeven en vandaar dat ze vol overgave op zijn uitnodiging was ingegaan.
Thuis had ze van gekkigheid niet geweten wat ze eerst wilde doen: van blijdschap haar bed als trampoline gebruiken of haar vriendinnen bellen.

Voorlopig is hij ruim een half uur te laat. Tien minuten geleden heeft ze zichzelf al staan uitkafferen dat hij haar in de kou laat staan. Het wordt tijd naar huis te gaan, maar ze wil koppig zijn. Stel dat hij domme pech heeft: een lekke band, lege accu, file…
Ze zou het in een kroeg met de eerste de beste slampamper moeten aanpappen. Haar bloed kookt en ze moet zo ontzettend piesen. Toch maar over haar handen dan?

Van achteren hoort ze voetstappen dichterbij komen. Ze draait zich om. Het is nauwelijks vast te stellen welk mens er schuil gaat tussen de winterjas, sjaal en schaatsmuts.
Aarzelend zet ze een stap in zijn richting. Een stoeptegel heeft net een opstaand randje en om niet te vallen grijpt ze de onbekende pardoes bij de mouw van zijn jas. Het ergst denkbare gebeurt: de man kan zijn evenwicht niet bewaren, en samen vallen ze om. Ze kijkt in de ogen van haar medeglijder en gloeit van blijdschap: hij is toch op haar gevallen!

Eeuwige sneeuw

eeuwige sneeuw

De winter is zelden zo hardnekkig geweest. Hadden ze de sneeuw eerst in centimeters geteld, weldra waren dat decimeters geworden, waarna de sneeuw hen boven het hoofd was gevallen. Het is dat ze geen koelkast hebben anders hadden ze die opengezet om de kamer te verwarmen.

Er rest hen niets dan het houten geraamte van het huis. Daarbinnen is alles opgebrand. Katinka heeft eerst de poten van het bed afgezaagd waarna de onderkant er aan moest geloven. Een voor een heeft ze de weinige boeken prijsgegeven aan het vuur van de potkachel. Gods woord deed er niet langer om over as te worden dan de lettergrepen van Tolstoi of Konsalik. Na de houten tafel en stoelen, verstookte ze hun enige wodka-vat. Het belangrijkste is dat de temperatuur van het huisje boven het vriespunt blijven, anders zijn hun uren geteld.

Aleksandrj ligt ineengedoken onder een stapel dekens. Sinds hij in de oorlog een been is verloren, is er weinig beweging in de man te krijgen; alsof hij langzaam is uitgedoofd.
Katinka probeert haar man zoveel mogelijk bij het dagelijks leven te betrekken, maar kan zelden op zijn steun rekenen.
Knorrig van de kou staart ze naar het steeds kleiner wordende vlammetje. Ieder moment kan de dooi inzetten. De wind is gedraaid en waait nu uit de goede hoek. Er zijn zelfs smalle reepjes blauw zichtbaar in de lucht en zodra de zon maar even schijnt, is het met de ergste kou gebeurd.

De warmte tussen haar en haar man is verdwenen en de honger en nietsontziende winterkou heeft er nog een schepje bovenop gedaan. Er is één laatste kans om het vuurtje levend te houden, maar hoe vraagt ze het Aleksandrj? Wat verwacht hij eigenlijk van haar? Dat ze net als hij sneu in een hoekje gaat liggen? Doodgaan ziet Katinka niet zo zitten.
Ze staat op, priemt haar wijsvinger tussen de stapel dekens tot ze een reactie hoort, en spreek op gebiedende toon: ‘Aleksandrj, wees een vent!’

Onder de dekens beweegt een bult die zichtbaar wordt als twee handen de berg dekens opzij duwen. Boven een verwilderde baard kijken de ogen van haar man haar gealarmeerd aan. Hij weet dondergoed wat er van hem verlangd wordt.
Katinka’s strenge gestalte torent boven hem uit. Haar gezicht – kouder dan het ijs buiten  – verzacht als ze beseft welk offer ze van haar man vraagt. ‘Je móet me helpen het vuurtje brandend te houden, Aleks,’ pleit ze.

Haar man kruipt onder de berg vandaan; zijn adem in stevige stoten. Ondanks de traan die over zijn stoere gezicht biggelt, kijkt hij zijn vrouw woedend aan. Dan zuigt hij zijn longen vol lucht – een dappere prestatie in de stinkende kamer – maakt de gulp van zijn broek los, vervolgens de knoop en trekt zijn broek moeizaam naar beneden. Met grote tegenzin pakt hij zijn houten been en overhandigt het aan zijn vrouw.

Zoenend naar de overkant

Voor C.

Afscheid

‘Weet je het zeker dat je het alleen kunt?’ vraagt de vrouw die ik Dominique mag noemen.
Ze kijkt me nauwlettend aan. Ze is niet alleen bezorgd om mijn welzijn; ze wil ook geen toestanden.
Ik knik zelfverzekerd. Als zij mij zegt welke knop ik moet indrukken, lukt het wel.

Maar laat ik bij het begin beginnen.
Mijn man en ik hebben elkaar voor ons werk op de Brienenoordbrug leren kennen. Logisch dat we voor ons trouwen foto’s op diezelfde brug hebben laten maken.
Vlak daarvoor hebben we een intentieverklaring afgelegd waarin we beloofden zo goed mogelijk voor elkaar te zorgen. En die belofte zijn we nagekomen tot het gaatje. Zijn gaatje.

Mijn man had een bloedtransfusie gekregen en al na een halve dag had de kanker de helft van zijn verse rode bloedlichaampjes opgevreten. Toen de morfinepomp ook niet langer toereikend was, zei hij tegen me: ‘Ik ben er klaar mee.’
Ik gaf ‘m groot gelijk.
Zijn moeder was tegen euthanasie maar toen ze zag hoeveel pijn hij had, zei ze: “Het is goed, jongen, ga maar.”

Terwijl wij elkaar intens zoenden, heeft hij afscheid genomen van het leven. Wij waren op dat moment heel rustig. De aanwezige artsen moesten huilen.

We hebben zo’n intens leven gehad. Met modderige dalen en bergtoppen vol eeuwige sneeuw. Er is niets onbesproken gebleven. Ik ben onze verklaring met alle liefde nagekomen. Nu sta ik hier om zijn wens te vervullen. Het zwaarste laatste loodje.

In zijn Landrover heb ik zijn kist naar het crematorium gereden. Het is een mooie kist van steigerhout met touw rondom als handvatten. Robuust en sterk. Net zoals mijn man was. Uit gewoonte zette ik de radio in de auto aan en meteen weer uit, want ik vond het ongepast. Toen kwamen de tranen.

Ik adem diep in.
De bovenkant van mijn jurk wijkt een beetje. Hij is niet alleen oud maar ook iets te groot geworden.
Dan…drie…twee…één…druk ik op de mij aangewezen knop.
De hitte van de oven zal goed passen bij de kleur van mijn cerise-rode jurk. Mijn trouwjurk. Die heb ik vanochtend in een opwelling aangetrokken, want waar je aan begint, dat moet je afmaken.

De rendiertrui

Liefde

Sinds hun vijftiende zijn ze samen. Al zijn ze een aanhankelijk stel, er is een onderwerp dat ze mijden als de pest. Haar man is een fervent jager en dat gaat elk sprankje levenslust bij Mia te boven. Zij is niet voor niets vleesgetariër geworden. Dus heeft ze voorwaarden gesteld: thuis wordt niet gesproken over de jacht en de vangst, en geen foto’s getoond. ‘Anders schiet ik persoonlijk met je eigen geweer een schot hagel in je kont,’ had Mia dreigend gezegd.
Hubertus geloofde van dat laatste geen barst van maar ging akkoord met haar regel. Elke liefde heeft zijn prijs.

Onverwacht komt Mia een uurtje eerder thuis. Ze gooit haar sleutels op het aanrechtblad, werpt een blik op het brood in de Aga-cooker, schenkt voor zichzelf een kop koffie in en stapt de woonkamer binnen.
Haar man is zo geanimeerd aan het woord dat hij haar binnenkomst niet bemerkt. Hun oudste zoon echter laat geschrokken zijn onderkaak vallen.
Hubertus draait zijn hoofd om en klapt tegelijkertijd met een hand zijn laptop dicht. Het kwaad is al geschied. Op het beeldscherm stond een foto van zijn trotse zelf met in iedere hand een dode haas. ‘Het is net als bij The A-team, schat,’ probeert hij nog, ‘je ziet geen spatje bloed!’
Die opmerking maakt Mia nog razender dan ze al is.

Toch denkt ze na het incident: laat dat schot hagel maar zitten. Ik ben er te weekhartig voor.
Ze pakt het liever op andere manier aan.
Na een week in de logeerkamer wordt Hubertus weer liefdevol ontvangen in de echtelijke sponden. Hij is in zijn nopjes.
Zij ook, want ze heeft nog een troef achter de hand.

Zijn Noorse rendiertrui nadert de voltooiing. Op de voorkant sneeuwsterren met een rij rendieren, en op de achterkant een enkel exemplaar met een indrukwekkend gewei. Ze heeft haar man beloofd de trui op tijd af te hebben. Hij wil er de blits mee maken tijdens de jaarlijkse jagersvergadering.
Ze moet wel zien te voorkomen dat haar echtgenoot zijn nieuwe trui zonder leesbril bekijkt en aantrekt.

De “fout” zal niet lang onopgemerkt blijven door de jagersblikken, en gegniffel opleveren. Waarschijnlijk van korte duur maar serieus genoeg om haar man eraan te herinneren dat hij de huisregel heeft overtreden.
Mia prijst zich gelukkig met haar creatieve inslag. Al is het niet zo heel moeilijk een rendier te breien met een – iets te korte – poot extra op een voor de hand liggende plaats.