Leven als godinnen in Vlaanderen

Met Roosje-in-de-knop fiets ik de pont op. Aan de overkant wacht oma haar op, krijg ik m’n fietshelm terug en zet ik koers richting de Biesbosch. Eenmaal over de Moerdijkbrug fiets ik binnendoor naar Oudenbosch waar ik tegenover de basiliek mijn lunch gebruik. Via Rucphen rijd ik over de Kalmthoutse heide het Vlaamse land in. De voorjaarszon schijnt uitbundig. Ik fiets over smalle wegen, door boerengehuchten, langs kapelletjes en velden met beginnende maïs. Ik fiets van de kaart, verdwaal heerlijk en verlies zelfs de tijd.
Na Botermelk, Schoten, Wijnegem en Wommelgem beland ik in Ranst.

Daar moet ik dringend op zoek naar een overnachtingsadres. Over een half uur gaat het schemeren; ik heb trek en krijg het koud. Een bord langs de kant van de weg belooft een hotel. Aan een scheve gevel kleven de letters: H…el Rembrandt.

Ik stap naar binnen. Alles ziet er grauw en groezelig uit. De eigenaar zit vadsig op een stoel, krabt afwisselend aan zijn kruis en baard, en heeft een gebit als een afgebrand kerkhof.
Ik twijfel. Heeft deze man van schone lakens gehoord of moet ik mijn bed delen met wantsen en  mijten?
Ja, hij heeft een kamer, zegt hij, maar mijn fiets moet in de hal naast de ingang blijven staan.
Ik ren weer naar buiten.
Wat nu? Onder een brug slapen of stennis schoppen bij Rembrandt en overnachten op een politiebureau?

Aan de overkant gaat een deur open. Een gezette vrouw in een gebloemd jasschort loopt naar me toe. ‘Zoekt u een gerief voor de nacht?’  vraagt ze. ‘Ik heb een kamer. Ik woon alleen en uw fiets kan in de schuur op mijn binnenplaats staan. Alleen moet de schuurdeur openblijven want er nestelen boerenzwaluwen in.’
De vrouw heeft een lief, rond gezicht en ik kan haar wel zoenen.

Met haar Rottweiler raak ik snel bevriend. Ik zet mijn fiets in de schuur en tel zeven zwaluwnesten. Binnen wijst ze me een kamer en waar ik kan douchen. Alles is even proper.
Schoongewassen, zet ze me een Vlaams stoofpotje voor en een kriek. Wat een voorrecht!

Jeanne vertelt. Behalve de hond, heeft ze een varken dat elk voorjaar haar moestuin omspit; kippen en twee Vlaamse reuzen. Haar man Jules is overleden in de oorlog. Hij zat in het verzet en is gefusilleerd nadat hij een voorraaddepot van de Duitsers had opgeblazen. Iemand heeft hem verraden. Haar zoon – hun enig kind – is omgekomen bij een verkeersongeluk.
Ik vind haar een bijzondere vrouw. Ondanks haar gemis bruist ze van levenslust en is ze jong van geest.
We praten tot diep in de nacht. Het is alsof ik een lang verloren familielid heb teruggevonden.

Ik slaap een gat in de ochtend.
Het ontbijt is net zo weelderig als Jeannes boezem en na de koffie nemen we afscheid. We zuchten er beiden van. Het doet een beetje pijn maar we hebben mooie herinneringen gehamsterd.

Open huwelijk

Voorjaar 1987

Binkerig komt hij naast me rijden. Hij draagt een minuscuul triatlonpakje; borsthaar wappert door zijn openstaande shirt naar buiten; en met een hand kamt hij een haarlok achterover. Hij straalt een waanzinnig zelfvertrouwen uit, en het is me duidelijk: deze dude heeft mij uitverkoren om naast  te rijden.
Ik ben onmiddellijk ondersteboven van de man. NOT.

Hij geeft me een joviale schouderklap en vraagt waar ik naartoe fiets.
Dat ga ik hem niet aan zijn snor hangen. Ik lieg dat ik getrouwd ben en in Capelle woon.
Capelle, wat vindt hij dat leuk! Hij woont in Nieuwerkerk en nu mag ik fijn het hele eind met hem meefietsen. Hij is ook getrouwd, maar – knipoogt hij veelbetekenend – hij heeft een heel open huwelijk.

De man is één bonk zelffelicitatie. Wat wil je als je verstand hebt van kunst en politiek; regelmatig een triatlon wint; en het goed doet bij de vrouwtjes? Die laatsten struikelen allemaal over zijn charmes. Stoicijns en niet gehinderd door mijn gebrek aan belangstelling, komt hij steeds een stukje dichter tegen me aan fietsen. ‘Rijdt lekker, hè?’ vraagt ie, en oh, had hij al gezegd dat hij een open huwelijk heeft?
Ik word niet goed en sla spontaan rechtsaf een gehucht in. Ik zwaai demonstratief zodat hij weet dat dit een  afscheid is, maar meneer zet doodleuk de achtervolging in. Wel met een wat verwonderde uitdrukking op zijn gezicht:  laat ik hem – een brok dynamiek – zomaar schieten?
Ja, ja, het leven is een tranendal jongen.

Hij houdt toch van kunst?, vraag ik in Oudewater.
Nou en of!
Moet hij eens kijken naar die beelden in de vijver daar. Ik beloof dat ik aan de overkant bij de kerk op hem wacht.
Ik jakker over de keitjes en rijd in rechte lijn een smal steegje in. Privé en uit het zicht gluur ik naar de kerk recht ertegenover. Daar is Dude. Kijk ‘m loeren…De leegschedel denkt zeker dat ik net zo blond ben als ik er uitzie?

Zet-ie z’n fiets tegen de pui van het VVV-kantoor!
Ik ga niet blijven staan wachten tot hij vertrekt. Ik loop zo dicht mogelijk langs de gevel, en loop gehurkt naast mijn fiets onder het grote raam door. Voorbij de ruit ga ik weer rechtop staan. Dat heb ik mieters handig aangepakt, al zeg ik het zelf.

Waarom zie ik nu pas op dat er bij het stadhuis zoveel toeschouwers staan? Het gros heeft mijn kunstje gevolgd en gaapt me aan alsof ik een aap in een circus ben. Ik kan het ze niet kwalijk nemen: ze hebben niets beters te doen dan op het bruidspaar wachten. Schaamte giert uit al mij poriën.
Met de prikkende ogen van de Dude in mijn rug worstel ik me met een afgewend hoofd tussen de wachtenden door.
In de verte zie ik het licht van de brug knipperen. Rijden, rijden, rijden! Pal achter me gaat de brug omhoog.
Eindelijk samen met mijn snorrende derailleurwieltjes!

Shimano dura ace

Een Citroen, een tuinman en een goede ruil

Estaing

Lang geleden vierden Lief en ik vakantie in Frankrijk. We hoeven veertien dagenlang alleen maar 125 kilometer bergje op en bergje af te fietsen; de rest was geregeld: hotelverblijf met  ontbijt/diner, en bagagevervoer. 

De vrouw heeft een figuur en een gezicht alsof ze driemaal daags alleen citroenen eet. Met een geleerd gezicht inspecteert ze onze paspoorten en beveelt Lief een formulier in te vullen “voor het geval ze ons moet aangegeven bij de politie.”
Man vult als werkgever “Hendrik Jan de Tuinman” in en met dezelfde creatieve inslag ons adres en telefoonnummer.
In ruil daarvoor overhandigt Citroen ons een sleutel en prijst onze hotelkamer aan alsof het een suite met vijf sterren is.

De kamer is een vierkant hok, ruikt muf en heeft een bruin tapijt vol vieze vlekken. Op de douche zou ik het liefst de brandslang zetten. Hij is niet alleen vuil en beschimmeld, ook liggen de afgeknipte teennagels van de vorige gast nog op de vloer. Speciaal voor dergelijke gelegenheden hebben Lief en ik waterschoenen bij ons, maar helaas is onze bagage nog niet gearriveerd. Het zou me niet verbazen als Citroen die- om ons te pesten – achterhoudt in een bezemkast.

Voor een open raam tegenover ons hotel zit een oude vrouw op een stoel naar ons te kijken.
Ik zwaai en roep beleefd: ‘Bonjour!’
Ze reageert niet. Zou ze iets mankeren?

Ik trek mijn fietsschoenen uit en laat me op het tweepersoonsbed vallen. Er liggen twee doekjes op. Ik vouw ze open: er zitten luchtgaten ter grootte van mijn hoofd in. Laat me raden: hier moeten Lief en ik straks onze billen mee afdrogen. Onze vaatdoekjes thuis zijn van hogere kwaliteit.
‘Heb jij in de douche handdoeken gezien?’ vraag ik aan Lief.
Joris schudt ontkennend zijn hoofd.
Ik voel het onstuitbare wicht in me naar boven komen, vouw de lapjes op en loop ermee de hotelkamer uit.
Niemand te zien in de gang…
Ik loop de kamer tegenover de onze in, en ruil onze lapjes om voor twee roze badhanddoeken die ik daar in het voorbijgaan had zien liggen.

Terug op de kamer komen er vreemde geluiden uit de douche. Het blijkt Lief te zijn die met het douchematje muggen aan het pletten is.
‘Ik heb er al negen gevangen!’ roept hij trots.
Ik prijs zijn inzet.

Zonder kloppen gaat onze kamerdeur open en sjouwt de hotelbaas onze twee sporttassen naar binnen. Zonder een woord te zeggen, loopt hij weg en laat de kamerdeur open staan.
Ik wil me al gaan ergeren als ik onverwacht Citroen hoor roepen: ‘Aaaaah…cherie! Margot et Pierre!’ Koket loopt ze op twee voor mij onzichtbare mensen af en geeft ze een paar klinkende zoenen.
Zo onzichtbaar mogelijk sluit ik zachtjes de kamerdeur.

Ik kijk nog eens naar de overbuurvrouw. Ze lijkt wel een ijssculptuur: aan haar houding is niets veranderd. Ik wil zeker weten of ze helemaal in orde is en steek mijn tong naar haar uit. Wel twee seconden lang.
Gelukkig, ze is niet blind; ze heeft gewoon een hekel aan toeristen.
Citroen straks vast nog veel meer!

De schildersmossel

Uit de oude doos: 

In mijn spiegeltje zie ik hem steeds dichterbij komen. Hoofd voorover en de handen onderin de beugels. Hij doet verwoede pogingen het gat tussen hem en mij dicht te rijden. Als ie vlakbij is, kan ik hem amechtig horen hijgen. Ik wacht op het moment dat de fietser me triomfantelijk voorbij zal rijden, maar dat gebeurt niet. Tevreden gaat hij in mijn achterwiel hangen. Bah, een vreemde seigneur aan mijn billen. Ik pas altijd op dat ik als nette vrouw mijn keurige reputatie niet te grabbel gooi, dus houd ik mijn benen stil. Hup, er voorbij jij!

Chagrijnig rijdt hij langs; zijn benen wagenwijd uit elkaar. Er hangt iets groots geschapens tussen. Ja, zijn buik, hè? We houden het hier wel netjes. Hij gromt. ‘Gvd, je bent een wijf!’
(Een persoon van het vrouwelijk geslacht, heet zo iemand. Heeft die man geen opvoeding gehad?) Ik vat het maar op als een compliment.

Twee meter vóór me duikt hij ineens in elkaar en hangt hij vol in zijn remmen. Welja! Gaat ie met zijn fiets dwars op de weg staant! Tierend kijkt ie naar mij. Hij is boos.
‘Stom wijf!’ zegt ie, ‘dat doe je toch niet! Ik zou je een klap op je bek moeten geven!’
Totale verbijstering bij mij; waar heeft die man het over? Hij briest van nijd; zijn hoofd ziet zo rood als een tomaat; en woedend boren zijn ogen zich in de mijne.

‘Je gooit wat naar mijn harses! Ja, kijk maar niet zo schijnheilig! Wie doet nou zoiets?’
‘Nou ík niet!’ zeg ik.
‘Nee, ze komen uit de lucht vallen, nou goed?’
‘Waar zou ik dan mee moeten gooien?’
Hij wijst naar iets wat op de weg ligt.
Ik kijk. Daar ligt een kapotte mossel. Een schildersmossel.
‘Die heb ík niet gegooid,’ zeg ik, ‘ze komen echt uit de lucht vallen!’
De man kijkt me aan met een blik van: mij maak je niks wijs. Hij is toch zeker niet van Lotje getikt?

‘Nee, ik neem u niet in de maling. Meeuwen eten die schildersmossels graag, maar ze krijgen zelf de schelp niet open. Daarom laten ze die vanuit de lucht naar beneden op iets hards vallen. Kijk, kijk, daar!’ wijs ik.
We kijken omhoog naar een kraai met een mossel in zijn bek; even hangt de vogel stil en opent zijn bek. PATS! knalt de schelp op het fietspad. Een levensechte powerpointpresentatie door een kraai. De vogel zit al op de schelp en vreet de inhoud op.
Ongelovig kijkt Lotje van de lucht, naar de kraai op de grond, en naar de kapotte mossel voor zijn voeten. Hij weet zich met zijn houding geen raad. Hij hakkelt, stamelt, stuntelt en krabt op zijn hoofd.

Schoorvoetend bekent hij schuld.
‘Mevrouw, echt, het spijt me heel erg. Ik dacht echt dat  u het was die iets naar mijn hoofd gooide (zoveel spijt hoeft ie nou ook weer niet te hebben; ik heb er anders wel het lef voor, hè?)
‘Ach, het geeft niks,’ zeg ik. Zelf ben ik ook zo impulsief als de pest, dus ja… Lotje reikt mij de hand.
Die schud ik.
‘Goh, ik moest maar weer eens gaan,’ zeg ik.
‘Mevrouw, nogmaals sorry. U ziet er bij nader inzien best aardig uit. Kan ik u verderop misschien op een kop koffie trakteren?’
Dat wijs ik van de hand. Zó’n aardige vrouw ben ik nou ook weer niet.

Hannibal

Oeros van Dien

Altijd als ik op de fiets zit, gebeurt er wat. Zo ook vandaag.
Onderweg kijk ik graag naar koeien. Rond Oudewater staat een kudde met kalfjes. Vandaag staat er ook een tractor in de wei. De boer heeft het gras op het weiland naast de koeien geschud en is onderweg naar de uitgang. Hij moet een stuk schrikdraad losmaken om in de wei van de koeien te komen. Een klusje van niets, maar er is een probleem: een stier met het formaat van een olifant staat naast het stukje draad en is niet van plan opzij te gaan. De boer zwaait met zijn armen en roept allerlei verwensingen, maar zonder resultaat.
Ergo: de stier neemt een dreigende houding aan en schraapt met zijn poot over de grond.

Na vijf minuten heb ik het gezien en wil ik opstappen, maar ik krijg medelijden met de boer.
Ik loop over de weg naar het gezichtsveld van de stier, trek mijn bontgekleurde fietsshirt uit en begin er mee te zwaaien. Mijn actie trekt toeschouwers. Ellendig is dat.
Onder hen staan drie stoere mannen op mountainbikes. Ze dragen helmen, wappershirts en witte kniekousen. Ze vermaken zich dik en verroeren geen vin.
Ik voel me een blote idioot, maar nu ik toch voor joker sta, wil ik volslagen in mijn plan. Die stier zal me in zijn vizier krijgen en ik zal laten zien dat ik meer ballen heb dan die drie stoere binken bij elkaar!

De stier zwaait met zijn kop en kijkt in mijn richting. Langzaam loopt hij op me af.
Oh shit. Eerlijk gezegd heb ik het niet zo op stieren. Zo’n groot beest en maar zo’n klein stukje draad tussen ons in. Zal ik me achter de mountainbikers verstoppen? Dan maar geen lefmeid.
Maar het is te laat. De stier zet er de sokken in.

Ter plekke blijf ik bijna dood. In mijn ooghoek zie ik de verrichtingen van de boer: uitstappen, draad losmaken, instappen, doorrijden, uitstappen, draadje vastmaken en weer instappen.
Ik heb het gevoel alsof de tijd stil staat. Bewegingloos sta ik langs de kant. Ik wil weg, maar mijn voeten luisteren niet.
Steeds dichterbij komt de stier.
Ik zie zijn kolossale lijf, zijn massieve kop, machtige horens en zijn neusvleugels die snel bewegen. Ik kan hem zelfs ruiken. Hij ziet er geïrriteerd uit. En door wie zou dat komen?
Dat draadje knapt straks en dan loopt-ie zo over me heen.
Achter me staan de drie binken zich te verkneukelen. Stelletje langharig tuig!

Ineens is de tractor er en is alles voorbij. Als bij toverslag laat de stier alle belangstelling varen, en kuiert bij me vandaan naar zijn harem toe. Tien meter verderop gaat- ie met zijn kont in mijn richting staan schijten. Zelfs van deze afstand kan ik de vlaaien horen vallen.
Alle toeschouwers stappen weer op de fiets.
Ik weet niet hoe snel ik mijn shirt weer moet aantrekken. Door de haast trek ik ‘m achterstevoren aan; echt iets voor mij.
De boer rijdt de weg op en wenkt me. Is dat wel verstandig?

Hij schatert luid: ‘Hahaha, je bent voor mij nog banger dan voor de stier!’
Ik geneer me. Snel over iets anders gaan praten.
‘Moet u eh…morgen weer het gras schudden?’
‘Ja, en overmorgen moet de baalwagen erdoor.’
Mooi. Weet ik waar ik de komende twee dagen waar ik niet naar toe moet fietsen!

Je hebt het vast al gezien: de foto is van Dien! Senk joe dier.

Een klein dikkerdje

Het fietstocht met de koeien was nog niet compleet, maar ik vond het te lang om in één keer te posten, dus hier het tweede deel.

Roze

Het zonnetje lokt massa’s mensen naar buiten. Overal nijvere huisvrouwen. Ik zie versgezeemde ramen, grind dat wordt aangeharkt, stoepjes geschrobd. Als vrouw krijg ik daar soms enorme complexen van. Vandaag is soms. Alhoewel: stoepje boenen, tsss. De weinige vrienden die wij hebben, letten niet op onze stoep (daar heb ik ze op uitgezocht, maar dit schrijf ik in vertrouwen). Ik snuif de agrarische luchten op, en krijg een enorm schoolreisjesgevoel. Oh, oppassen dat dit geen streekroman wordt.

Een kort dikkerdje op een mountainbike fietst helemaal links op het fietspad. Ik bel bescheiden, hij kijkt om, en blijft links rijden. Dan ga ik er toch rechts langs. Rijd ik ‘m voorbij, probeert ie me een hijs te geven. Uiteraard sla ik op tilt zoals alleen een ouderwetse flipperkast dat kan. Charmant steek ik mijn tong uit, en achterom kijkend zeg ik: ‘Kóm dan.’ Hij presteert niets behalve een hoop gehijg; de stumper. 

Om kapsones te voorkomen word ik weinig later ingehaald door de BIK-ploeg. Hun komst dient zich aan met een geluid dat als muziek in mijn oren klinkt: soepel snorrende derailleurs. Even is het alsof ik stilsta, ik sluit bij de achterste aan, heel even maar, want ze rijden ruim 40 km/uur…

Alweer op de terugweg – bijna bij de pont – staat de brug open. In mijn spiegeltje zie ik het korte dikkerdje van ‘t  terras afkomen. Aha, hij heeft afgestoken, de luiwammes. Kijk hem staan, hij waant zich een vedette. Slalommend komt ie steeds dichter bij mij staan. O wee als ie gaat meppen! Ellebogend dringt ie zich vóór mij in het rijtje. Van een afstand lijkt hij best betrouwbaar: kortgeknipte haar en een buikje. Hij kijkt mij aan of ik hem wel goed zie staan, en daarna steekt de griezel zijn middelvinger naar me op. Kan die man niet gewoon op een saai kantoor gaan werken?

Brug open en gaan! Het dikkerdje mag van mij best even vóór me fietsen, het is toch maar voor kort. Ik gun zo iemand wel een Fanta. Hij voelt de hete adem van mij in zijn nek. Hij fietst, trapt, zwoegt, snuift  en hijgt. Hij fietst 25…24…23…
Ja, daar ga ik dus niet achter hangen; straks val ik om. Ik wacht op de juiste bocht in de dijk (daar met de meeste windtegen) en ga er dan als een speer vandoor. Dikkerdjes gehijg gaat over in gereutel. Ik kijk achterom: voelt ie ‘m? Hij voelt ‘m!
Hé de pont ligt er, en ik trek een sprintje. Gehaald!
Ach, wat jammer…het dikkerdje is net te laat.