Keek op de week (218)

Foto: Pixabay
‘Mijn kat is dood,’ snotterde man in Madeliefstraat. Hij snoot zijn neus leeg in zakdoek. Uit zijn lichtblauwe ogen – in mager gezicht – rolden druppels. Onder dakrand van zijn huis hingen verlichte ijspegels.
‘Het spijt me dat uw kat dood is. Heel verdrietig voor u. Was hij ziek?’ vroeg ik.
‘Ineens at hij niet meer. Sliep alleen nog maar. Dan is het foute boel, hè? Dierenarts dacht dat het zijn darmen waren, maar medicijnen hielpen niet, en Tommie kreeg het benauwd. Bleek dat de doorbloeding naar zijn hersenen niet goed was. Daarom had-ie ook geen trek, en ja…hij moest een spuitje.’ De oude man schokschouderde van verdriet en veegde zijn wangen nat.
‘Hoe oud was Tommie?’
‘Nog maar anderhalf. Dat verwacht je toch niet? Zijn neus en oren werden wit…heel raar. Dierenarts zei dat het met vogelgriep te maken kon hebben.’
‘Ik zag ‘m weleens slapen op de schutting.’ Een cyperse kat met een belletje om.
‘Ongelofelijk dat katten dat kunnen, hè?’ Even lachte de man.
‘Heeft u ‘m in de tuin begraven?’
‘Onder de appelboom. Hem begraven was een goede therapie.’
‘Zo wijs waren die drie wijzen uit oosten nou ook weer niet,’ zei Roos. ‘Wat hadden Maria – en het kindje Jezus – aan wierook, goud en mirre? Ze hadden beter voor bed, brood en bad kunnen zorgen. Typisch iets voor mannen. En ze waren ook nog te laat,’ aldus Roos.
‘Oma, u laat toch weleens scheetjes?’ vroeg meisje in kringloopwinkel.
‘Ja hoor. Dat doet iedereen, zelfs de koningin,’ zei Oma die kinderboeken bekeek.
‘Oma Truus zegt dat ze dat niet doet.’
‘Dan jokt ze, maar dat mag je niet tegen haar zeggen.’
‘Waarom niet?’
‘Dat is niet netjes. Oma Truus bedoelt vast dat ze alleen scheetjes laat wanneer ze alleen thuis is.’
‘Nee, want als ik bij haar logeer, doet ze het ook.’
‘Joho, Joho!’ riep Kerstman en zwaaide met bel. Hij bukte zich voorover naar klein jongetje met ernstig gezicht en harrypotterbril. Hij hield zijn baard vast zodat die niet in gezicht van ventje hing. ‘Wil je iets vragen?’ vroeg Kerstman vriendelijk.
‘Is Sinterklaas uw broer?’ vroeg jongetje.
‘Wij zijn elkaars béste vrienden,’ zei Kerstman. Hij zat in locomotief van treintje waarop ‘The Polar Express’ stond. Hokje waarin hij zat was dusdanig krap dat zijn knieën naar buiten staken. ‘Wil je meerijden?’ vroeg Kerstman. ‘Stap maar in,’ gebaarde hij.
Bij ingang treintje stond Kerstvrouw met blonde krullen die toezicht hield.
‘Opa! Blijf jij hier staan?’ riep meisje vanuit trein.
‘Ja lieverd, opa wacht hier op jou! Hou je goed vast, hè?’
‘Moet deze toestand per se het weekend vóór Kerst?’ snauwde passant. Hij duwde mensen opzij om bij poelier inkopen voor vreetzaamste dagen van het jaar te doen. Aan kerstlied “In de mensen een welbehagen” – dat uit speakers klonk – had hij geen boodschap.
Kerstvrouw hielp jongetje met harrypotterbril trein in. Stapte zelf in, klapte hekje dicht en blies op fluitje.
Kerstman liet fluitsignaal en geluid van vertrekkende stoomtrein horen. Omstanders applaudisseerden en zwaaiden alsof kinderen op schoolreis gingen in plaats van plaatselijk rondritje door winkelcentrum.
Trein reed in schildpaddentempo. Kerstman zwaaide, zijn ogen halfdicht geknepen van plezier.
Hij had hier duidelijk het hele jaar naar uitgekeken.








