Wát een dag!

Na het grauwe ochtendgrijs liet de zon zich van haar beste kant zien.
De Porsche waarin het bruidspaar naar het gemeentehuis kwam, hoorden we eerder dan we ‘m zagen. Het stel dat uitstapte straalde zo dat er bescherming in de vorm van een zonnebril nodig was.

In het gemeentehuis zat Kind uiterlijk onbewogen, maar innerlijk trillend van angst, achter een tafeltje te wachten op wat komen ging. Alles liep gesmeerd. De bruidegom bleef onnavolgbaar zichzelf: een tikkie onderuit gezakt en wijdbeens hoorde hij de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. Het ja-woord van bruid & bruidegom kwam er welgemeend uit en Roos deed het fantastisch.

Op de feestlocatie was het goed toeven en na een smakelijk diner reden we ’s avonds in een lang lint naar de kerk. Binnen heb ik nog een stukje van de dienst meegepikt, maar toen moest ik toch ècht naar Bella toe.

Het feest na afloop bruiste als champagne, maar dat heb ik helaas van horen zeggen. Roos daarentegen weet er alles van…

 

Ja, ze willen!

 

Vrijdag 28 september is een feestdag want dan trouwt onze favoriete oudste neef met zijn verloofde. En wij mogen er bij zijn. De hele dag!
De gehuurde Porsche staat reeds te glimmen voor de deur om het stel naar het gemeentehuis en de kerk te rijden. Uiteraard zonder chauffeur, want daar is geen plaats voor 😉

Toen een aantal maanden geleden aan Kind werd gevraagd of ze bruidsmeisje wilde zijn, ontplofte ze bijna van blijdschap en sprong ze sterren in de parketvloer. Totdat vrij snel de bibbers toesloegen.
Ze mag namelijk de ringen aandragen op het kussentje. Helaas heeft ze verkeerde genen van haar moeder geërfd, en is ze bang dat ze over haar eigen voeten struikelt, het kussentje uit haar handen laat vallen, of dat ze iets op haar nieuwe  outfit morst, en de rest van  dag voor joker loopt…
Maar Roos draagt deze lieve last met vreugde. Eén ding heeft Kind niet van mij: ze straalt op elke foto!
Zelf kan ik er niet heel de dag bij zijn, en ga ik voor de broodnodige rust tussendoor Bella gezelschap houden.
Bovendien draait het niet om ons: het gaat om het bruidspaar.
Het stel is zó verliefd, ze lopen niet, nee, ze zweven.
We wensen Bas & Joyce een lang en voorspoedig leven!

Toekomstdroom

Schrijfopdracht WE300 van Plato (van de maand augustus) met als thema: uittreding.

‘Je mag gaan persen,’ zegt de vrouw naast haar.
Persen? Moet ze nou ook nog gaan persen? Ziet dat mens niet dat ze niet meer kán? De weeen hadden elkaar in zo’n rap tempo opgevolgd, dat ze ze niet meer weg had kunnen puffen. Ze is nat van het zweet, en haar lange haren plakken op haar gezicht en in haar nek. Het irriteert haar dat de vrouwen tussen haar benen kijken en nauwelijks aandacht aan haar besteden. Oh…ze weet precies wat die ouwe zeuren van haar denken: dit is je straf. Nette meisjes bevallen niet ongetrouwd van een kind.

Alsof zij de zwangerschap gewild heeft. Ze was weleens met haar kleren en jas aan in haar bed  gekropen, in de hoop dat haar vader het teveel moeite zou vinden haar uit te kleden, maar zelfs daar had de keurige katholieke kerel zich niet door laten weerhouden. Daardoor was zij een schande voor haar familie geworden. Omdat de kerk het niet mag weten, en haar vader gewoon verder wil met zijn dagelijks leven, moest zij vertrekken. Haar leven was naar de gallemiezen. En haar moeder zou ze nooit meer zien.

Wat er ook zou gebeuren, zij zou achter haar kind blijven staan. Altijd. Het zou geen gemakkelijk leven  voor haar worden, maar ze zou het er beter vanaf brengen dan haar schijnheilige vader.

‘Persen,’ roept de non weer, ‘je bent er bijna!’
Ze voelt hoe haar vliezen breken en tegelijkertijd wordt haar dochter geboren. Een mooi en compleet meisje. Ondanks haar vermoeidheid stralen haar ogen.
‘Hoe ga je haar noemen?’
‘Michelle,’ zegt ze trots. ‘Michelle Martin.’

Ze kan niet vermoeden dat haar dochter vijftig jaar later in een klooster haar leven zal slijten, en het beter voor haar veiligheid is, om er nooit meer een voet buiten te zetten.  

 

Kaaskop!

Ik neem jullie even mee terug naar de vakantie. Ook daar moet gegeten worden en vol goede moed loop ik naar een rij winkelwagentjes. Nou, nou, deze karretjes kunnen naar ‘n museum: er moeten nog Belgische franken in. Ik gok dat vijftig cent genoeg zal zijn, wil het muntstuk in de gleuf steken, als een geparfumeerde dame met paars haar, haar karretje in de rij wil aanschuiven. ‘Zal ik ‘m van u overnemen?’ stel ik voor, en druk haar vijftig cent in de hand.

Binnen in de super wordt mijn aandacht getrokken door een hoge glazen kast. Het ding ligt vol aardappels. Met een ruk aan de hendel kun je elke gewenste hoeveelheid piepers laten vallen en verpakken. Handig voor mensen zoals wij, die met tien kilo een jaar doen en bij wie piepers altijd op eigen kracht de kast uitlopen.

Juist op het moment dat mijn hand de hendel grijpt, hoor ik een mannenstem boos roepen: ‘Mevrouw! Mevrouw!’ Verschillende dames draaien zich om. Ik ook. De boze man kijkt naar mij en beent met grote passen op me af. Toen had ik meteen met het winkelwagentje over ‘m heen moeten rijden, maar dat kon ik nog niet weten. In zijn kielzog volgt de mevrouw met het paarse haar. Ze kijkt niet blij. Terwijl ik koortsachtig verzin welke grove fout ik heb gemaakt, klit een kleine optocht winkelwagentjes samen rond de aardappelkast.

Wijdbeens en gehuld in schutkleuren vraagt de man: ‘U bent Nederlandse zeker?’ Ik knik beduusd.
‘In plaats van twee euro, heeft u mijn moeder vijftig cent gegeven voor het wagentje,’ blaft de man.
‘O,’ zeg ik. Meer komt er niet uit. Even maar hoor, want direct doet mijn tong het weer.
‘Waarom heeft uw moeder dat niet gezegd? Dan had ik haar toch die twee euro gegeven?’
Nee, nu wordt ie helemaal mooi! De man is getergd  tot in zijn knieholten en zegt ziedend: ‘Staat u hier ook nog de schuld in mijn moeders schoenen te schuiven? Gierige kaaskop!’ Hij kijkt of hij elk moment zal gaan spugen. De klanten volgen ons gesprek op de voet: een uitje in hun dagelijks sleurbestaan. Zijn moeders houding zegt dat ze door mijn actie het vertrouwen in de volledige mensheid heeft verloren.

Ik word een beetje onzeker van al die starende blikken, pak mijn knip, graai er anderhalve euro uit en druk het de man in z’n hand.
Ruzie om anderhalve euro. Lekker goedkoop.

Veel kommer, geen plezier: je leest het hier (2)

‘Gaat het, mam?’ vraagt Kind. Omdat ze het antwoord al weet, zegt ze: ‘Hier heb je een glaasje water. Staat om de hoek.’ Ik beweeg met mijn arm als dank, en ga verder met de bestudering van de binnenkant van de toiletpot. Wat later ga ik op de trap zitten. Er wil nog meer naar buiten en de trap is de kortsteroute naar het toilet.

Kind komt de trap afhollen en slaat haar badjas om me heen.
’Dan heb je ’t niet zo koud,’ zegt ze moederlijk. ‘Als je nog iets nodig hebt, moet je me wel roepen, hè.’ Ze zegt het op een toon dat ik het niet in mijn hoofd hoef te halen het niet te doen.

Niet veel later houd ik het voor gezien. Tandenpoetsend kijk in de spiegel en kom tot de teleurstellende conclusie dat overgeven mijn uiterlijk niet ten goede komt: mijn anti-aging dagcreme doet by far niet wat het belooft, mijn ogen zien eruit alsof ik aan Myxomatose lijd, en mijn rimpels lijken wel greppels. En dan heb ik het allee nnog  maar over de buitenkant.

Kind loopt met me mee naar boven. Ze pakt een emmer uit de douche en stopt er een plastic zak in. ‘Als je nou toch nog moet overgeven, hoef je de emmer niet schoon te maken,’ zegt ze, terwijl ze het emmertje naast mijn bed zet.  Daarna pakt ze nog een extra deken uit de kast, legt die over mijn dekbed en stopt me in. ik krijg een dikke zoen toe.
‘Truste mam.’
‘Bedankt lieverd.’

Ongelofelijk, denk ik, zo’n door de hormonen aangedreven puberKind is toch meer waard dan de hoofdprijs in de Staatsloterij.
Morgen ga ik dokter House mailen. Je weet wel: die dokter die zijn vieze zakdoek (link) terug wilde.  Somber gestemd staat mijn beluit vast: ik stop met de hogere dosering gelukspillen. Ze komen mijn maag neus uit.

Ik neem knollen voor Lief

Taart uit eigen tuin

Onze achtertuin is een georganiseerde bende, en ik doe er alles aan dat zo te houden. Door Liefs inspanningen staan de laurierboompjes, buxusbollen en halfronde beukenhaag er gelikt bij, en ik wil niet flauw doen, maar netter moet het niet worden. De klusjes die overblijven mag ik doen. Zonder al teveel structuur zwaai ik de hark over de tuin. Kieskeurig ben ik niet: akelei, stokrozen, vingerhoedskruid, zonnebloemen, riddersporen, vrouwenmantel, zenegroen en (oh, alleen die naam al) wildemanskruid.

In het voorjaar, als Man en ik samen onkruid rukken – daarbij zwaar in de weg gelopen door Bella –  vraagt hij, wijzend naar een bladrozet: ‘Is dat iets?’ ‘Ja,’ zeg ik dan. ‘Dat worden toch niet van die lange stengels hè?’ ‘Nee hoor.’ Bij “nee hoor” kruis ik mijn vingers, want dan telt de leugen niet.

Stokrozen en vingerhoedskruid, Lief gruwt ervan. Ik probeer hem hun schoonheid bij te brengen. ‘Hoor je de hommels bbzzztik-tik-tikken in de hoedjes van het vingerkruid vliegen? En als ze eruit komen, zien ze geel van het stuifmeel.’ Man denkt er het zijne van. Klaprozen? Vindt ie rommel.  ‘Heb je hun zaaddoosjes al gezien? Bovenop zit een kroontje en als je met de stengel schudt – hoor dan! – zijn het net sambaballen.’ De blik van Lief naar mij, ik zal ‘t je besparen.

Lief houdt van dahlia’s en gladiolen. Gladiolen mensen, nou vráág ik je… Maar goed, uit liefde poot ik de bollen – die ik minzaam knollen noem –  op een door mij uitgezochte geschikte locatie. Ik  markeer ze met een end hout en geef gul water. Je ziet ze alleen niet vanuit de woonkamer, jammer hè?

Als ik geen zin tijd heb gehad de uitgebloeide stengels uit de vrouwenmantel te knippen, geef ik ze toch gerust een gieter water. ‘Hoezo geef jij dat dooie gras water?’vraagt Man. ‘Omdat daar kikkers onder wonen, plus nog een grote dikke pad met bulten. Die vinden dat vochtige klimaat fijn,’ zeg ik geheel naar waarheid. ‘Heb je soms van het papaverzaad gegeten?’vraagt Lief achterdochtig. Daar ben je dan mee getrouwd…

In de herfst: ‘Graaf jij die lange stengels ff uit? Weg met die bende!’ ‘Oké.’ Lief is onder de indruk dat ik doe wat hij zegt, en knikt tevreden. Ik graaf de stengels uit en zodra Man zich heeft omgedraaid, schud ik kwistig het zaad in het rond, gelijk een pastoor met een wierookvat. Zo, met die lange stengels komt het volgend jaar ook weer goed.

Tuinieren, je kunt het een beetje vergelijken met een huwelijk: het blijft geven en nemen. Ik zal Man krijgen! Stad en boerenland zal ik afspeuren en moeite noch kosten zal ik sparen om een kakelbonte variatie van knollen aan te schaffen. Plus nog een netje uien, want die doen het ook uitstekend in de grond. Met Sinterklaas zal ik Man alles overhandigen. Liefde…geen kruid tegen gewassen!