Toekomstdroom

Schrijfopdracht WE300 van Plato (van de maand augustus) met als thema: uittreding.

‘Je mag gaan persen,’ zegt de vrouw naast haar.
Persen? Moet ze nou ook nog gaan persen? Ziet dat mens niet dat ze niet meer kán? De weeen hadden elkaar in zo’n rap tempo opgevolgd, dat ze ze niet meer weg had kunnen puffen. Ze is nat van het zweet, en haar lange haren plakken op haar gezicht en in haar nek. Het irriteert haar dat de vrouwen tussen haar benen kijken en nauwelijks aandacht aan haar besteden. Oh…ze weet precies wat die ouwe zeuren van haar denken: dit is je straf. Nette meisjes bevallen niet ongetrouwd van een kind.

Alsof zij de zwangerschap gewild heeft. Ze was weleens met haar kleren en jas aan in haar bed  gekropen, in de hoop dat haar vader het teveel moeite zou vinden haar uit te kleden, maar zelfs daar had de keurige katholieke kerel zich niet door laten weerhouden. Daardoor was zij een schande voor haar familie geworden. Omdat de kerk het niet mag weten, en haar vader gewoon verder wil met zijn dagelijks leven, moest zij vertrekken. Haar leven was naar de gallemiezen. En haar moeder zou ze nooit meer zien.

Wat er ook zou gebeuren, zij zou achter haar kind blijven staan. Altijd. Het zou geen gemakkelijk leven  voor haar worden, maar ze zou het er beter vanaf brengen dan haar schijnheilige vader.

‘Persen,’ roept de non weer, ‘je bent er bijna!’
Ze voelt hoe haar vliezen breken en tegelijkertijd wordt haar dochter geboren. Een mooi en compleet meisje. Ondanks haar vermoeidheid stralen haar ogen.
‘Hoe ga je haar noemen?’
‘Michelle,’ zegt ze trots. ‘Michelle Martin.’

Ze kan niet vermoeden dat haar dochter vijftig jaar later in een klooster haar leven zal slijten, en het beter voor haar veiligheid is, om er nooit meer een voet buiten te zetten.  

 

Kaaskop!

Ik neem jullie even mee terug naar de vakantie. Ook daar moet gegeten worden en vol goede moed loop ik naar een rij winkelwagentjes. Nou, nou, deze karretjes kunnen naar ‘n museum: er moeten nog Belgische franken in. Ik gok dat vijftig cent genoeg zal zijn, wil het muntstuk in de gleuf steken, als een geparfumeerde dame met paars haar, haar karretje in de rij wil aanschuiven. ‘Zal ik ‘m van u overnemen?’ stel ik voor, en druk haar vijftig cent in de hand.

Binnen in de super wordt mijn aandacht getrokken door een hoge glazen kast. Het ding ligt vol aardappels. Met een ruk aan de hendel kun je elke gewenste hoeveelheid piepers laten vallen en verpakken. Handig voor mensen zoals wij, die met tien kilo een jaar doen en bij wie piepers altijd op eigen kracht de kast uitlopen.

Juist op het moment dat mijn hand de hendel grijpt, hoor ik een mannenstem boos roepen: ‘Mevrouw! Mevrouw!’ Verschillende dames draaien zich om. Ik ook. De boze man kijkt naar mij en beent met grote passen op me af. Toen had ik meteen met het winkelwagentje over ‘m heen moeten rijden, maar dat kon ik nog niet weten. In zijn kielzog volgt de mevrouw met het paarse haar. Ze kijkt niet blij. Terwijl ik koortsachtig verzin welke grove fout ik heb gemaakt, klit een kleine optocht winkelwagentjes samen rond de aardappelkast.

Wijdbeens en gehuld in schutkleuren vraagt de man: ‘U bent Nederlandse zeker?’ Ik knik beduusd.
‘In plaats van twee euro, heeft u mijn moeder vijftig cent gegeven voor het wagentje,’ blaft de man.
‘O,’ zeg ik. Meer komt er niet uit. Even maar hoor, want direct doet mijn tong het weer.
‘Waarom heeft uw moeder dat niet gezegd? Dan had ik haar toch die twee euro gegeven?’
Nee, nu wordt ie helemaal mooi! De man is getergd  tot in zijn knieholten en zegt ziedend: ‘Staat u hier ook nog de schuld in mijn moeders schoenen te schuiven? Gierige kaaskop!’ Hij kijkt of hij elk moment zal gaan spugen. De klanten volgen ons gesprek op de voet: een uitje in hun dagelijks sleurbestaan. Zijn moeders houding zegt dat ze door mijn actie het vertrouwen in de volledige mensheid heeft verloren.

Ik word een beetje onzeker van al die starende blikken, pak mijn knip, graai er anderhalve euro uit en druk het de man in z’n hand.
Ruzie om anderhalve euro. Lekker goedkoop.

De coole kikker

Is het een kikker of een pad? Hij is in elk geval groen met vlekken.
Ga nou weg daar! Straks komen je pootjes vast te zitten in een vlonderspleet! Ik heb het nog niet gedacht of wat denk je dat de sukkel doet? Komt-ie er met zijn kop in vast te zitten. Tja, in zo’n klein koppie passen natuurlijk ook maar weinig hersens.

Eerst denk ik: het beest redt ’t wel. Totdat ik ‘m stuiptrekkingen met zijn lijfje zie maken. Het ziet  er best elegant uit; ik doe ’t hem in ieder geval niet na. Hij zwiert zijn lijf met pootjes en al omhoog, wappert met zijn zuignappen, en klapt weer terug. Dat doet ie een keer of vier; daarna houdt ie er mee op. De stakker zal wel moe zijn.

Meteen komt de hulpverleenster in mij naar boven. Ik heb geen duidelijk reddingsplan voor ogen en besluit ‘m eerst zachtjes met een vinger aan te raken. Als ie zich doodschrikt, heb ik ook geen plan meer nodig. Ik zet mijn vinger op zijn rug en duw. Geen reactie. Maar waar moet ik hem nou mee omhoog wippen? Mijn vinger is te dik, en ook te kort. Alhoewel, mijn middelvinger…Wat dan? Een breinaald! Ik hol naar binnen. De kop is te dik voor de vlonderspleet, maar de punt past. Voorzichtig  manoeuvreer ik de naald onder het koppie. Eerlijk gezegd heb ik weinig vertrouwen in mijn actie. Ik prik het beest ongetwijfeld lek, of ik wurg ik ‘m.

Tot mijn verbazing en plezier schiet de kop los uit de spleet. Ik pak de pad met twee handen vast, en aarzel dan. Zal ik ‘m nog zoenen? Niemand die het ziet. Maar ja, stel dat ie in een  prins op een paard verandert…ik ben tenslotte al getrouwd. Om problemen te voorkomen, zet ik de kikker maar gewoon in het gras, en ren naar binnen voor mijn fototoestel. Mijn euforie verdwijnt in een wip: met drie sprongen zit de kikker bij de schutting en hupt er onderdoor naar de buren. Vuile overloper.

Misselijk

Uit een klein zwart autootje stapt een middelbaar setje: een vrouw met een plaid in een hand, en een grote man. De vrouw spreidt het plaid uit op het gras, werpt zich erbovenop en de man volgt  haar voorbeeld. Ze liggen amper of ze beginnen te zóenen! Die zijn  die zijn de afgelopen week echt iets tekort gekomen! Mijn aanwezigheid ervaren ze beslist niet als hinderend. Schaamteloos plukken ze aan elkaars kleding. Ik weet niet waar ik moet kijken of eigenlijk weet ik dat wel, en loop naar de sloot.

Net gooide ik achter een bosje mijn lunch eruit, en net toen ik zo voorovergebogen stond, werd ik afgeleid door het autootje, en keek even opzij. Had ik dat maar niet gedaan, want tegelijkertijd voelde ik iets warms op mijn voet, en een koude rilling over mijn rug.

Ik hang mijn vieze voet in de sloot en wriemel wulps met mijn tenen. Straks bijt er een grote karper in, pest ik mezelf, en ik trap er nog in ook: snel trek ik mijn voet op het droge. Dan mijn slipper. Die lusten karpers niet. Even spoelen, uitschudden, klaar.

Sta ik rechtop, zie ik er ter hoogte van mijn kruis een grote groene vlek zitten. Hoe krijg ik dát nou weer voor elkaar? Uit mijn ooghoeken kijk ik naar het vrijende stel. Ze zitten aan elkaar vastgezogen en kronkelen als slangen om elkaar heen. Mij zien ze niet staan, dus kan ik best in mijn legging en topje gaan staan. Ik trek m’n tuniek uit, en werk het kroos weg met een zakdoek. Daarna kan de jurk weer aan. Hè, wat sta ik toch te hannesen. Waarom krijg ik dat ding niet over m’n hoofd? Rukken en trekken helpt niet. Uit dat ding. Ach, probeerde ik mijn hoofd door een armsgat te persen.

Eindelijk aangekleed, draai ik me om…en kijk recht in de ogen van een fietser. Mijn ogen dwalen automatisch af naar zijn fiets, en in een flits heb ik ‘t gezien: een Basso van carbon met verchroomde voor- en achtervork. Ook nog een blauwe, bah!

Hoe lang staat de man daar al? Aan de lach om zijn mond te zien, heeft hij mijn verrichtingen op de voet gevolgd. Waarom kijkt hij niet naar de twee zuignappen op dat kleedje? Ik heb niks bijzonders gedaan en toch voel ik me betrapt. Met de natte slipper in mijn hand, hink ik zo elegant mogelijk over het gras naar mijn auto.

Mijn oog valt op ’s mans GPS. Die zou ik best even in m’n hand willen houden. (Alléén zijn GPS, hè.) Afgeleid, struikel ik bijna over een molshoop, maar ik weet mijn evenwicht nog net te bewaren. De elegantie is weer ver te zoeken en de fietser doet zijn best niet te lachen. Ongeschonden, en de blik van de fietser ontwijkend, klim ik in de auto. Ik start en zet per ongeluk de ruitenwisser in de hoogste stand. De fietser geeft het op en zit te schokschouderen van het lachen. Misselijke vent. Ik zou eens een paar keer over zijn fiets heen moeten rijden. Kijken wie er dan lacht.

Bekijk het van de positieve kant, houd ik mezelf voor: ik zal straks op de pont niet zeeziek over de railing hoeven te hangen.

Gelukspillen

Als je van jezelf niet vrolijk bent, word je ’t in de dokterspraktijk zeker niet. Er staan strijk en zet  drommen mensen te wachten en het personeel is achter bezig. Waarmee? Joost mag ’t weten.  Stelletje helpdesk-horken.

Links van me klinkt het geluid van een lekke band. Rechts klaagt een vrouw: ‘Ik sta hier al twintig minuten, en er gebeurt he-le-maal niets.’
Een oudere man wordt het wachten teveel. Hij klampt zich vast aan de kapstok, maar dat is een  belabberd wiebelding en de man kapseist. Een meneer met Popey-armen schiet hem te hulp. Als de tobberd weer staat, hijgt hij als een stoomlocomotief en verzucht hij: ‘Ik hep son paain in me poat. Ik ken ur nie mir op staon.’ Nergens een lege stoel voor de man…Oh, maar wacht eens…in de douche staat een krukje! De douche is er om  overmatig transpirerende assistentes afkoeling te bezorgen, en wordt nooit gebruikt. Doet het krukje in elk geval nog dienst.

‘Mevrouw!’ roept een assistente ineens snibbig, ‘het is niet de bedoeling dat iemand op dat krukje gaat zitten!’ Merkwaardig dat ze ineens in de gaten heeft wat er om haar heen gebeurt. Dat heeft ze anders nooit. Haar commentaar haalt weinig uit, want de grijsaard zit al en niemand die hem van die kruk krijgt. Popey verkondigt luid tegen de assistente: ‘Doktersadvies, mevrouw! Meneer mag niet te lang op z’n zere been staan.’ Iedereen gniffelt. Eindelijk een reden om te lachen. De assistente is duidelijk geirriteerd. Bij wijze van triomf roffel ik met mijn nagels op de balie.

Hallelujah, ik ben aan de beurt.
Ik krijg een papieren zakje aangereikt en controleer de inhoud.
‘Er zit-ten te wei-nig pil-len in, me-vrouw,’ zeg ik. ‘De do-se-ring is ver-hoogd.’ Ik praat luid en  langzaam, want de assistente is erg blond. Ze kijkt me verwijtend aan.
‘Ik kan even niet bij het recept,’ zegt ze koeltjes. Ik tover een kopie van het recept tevoorschijn. Nee, alléén kijken. Ze bestudeert de dosering van mijn chemische gelukspillen. ‘Tja,’ zegt ze dan, ‘moet u morgen maar even terugkomen voor het restant.’ En weer een half uur wachten? My ass!

Als ik moe ben, wil ik nog weleens primair reageren, dus zeg ik niets. Dat hoeft ook niet want mijn gezicht is een open boek. Op mijn voorhoofd staat dat ik blijf wachten, desnoods tot zonsondergang. Ze leest het. Zie ik daar iets van berusting? Ze haalt diep adem, sjokt naar achteren en komt vijf minuten later met het restant. Er kan geen glimlachje van af. Zelf zou ze ook eens zo’n doosje gelukspillen op moeten eten. Zal haar goed doen. Ik pak het doosje van haar aan en  bedank haar beleefd. L a n g z a a m, dat wel.

Een apart mensch

De deur zwaait open en een meneer in een lange, witte jas roept verheugd: ‘Mevrouw Kakelbont, daar bent u weer!’ Hij spreidt er zijn armen bij alsof ik de verloren gewaande zoon ben. Lachend loop ik naar ‘m toe.

Binnen in de spreekkamer geef ik hem een cadeau in liquide vorm.
‘Alstublieft,’ zeg ik, ‘nog van harte met uw 80ste verjaardag.’
‘Ketel 1! Hoe weet u dat dat mijn favoriete merk is?’ roept hij blij. ‘Ik ga niet zeggen dat u dat niet had hoeven doen, haha! Dank u wel, mevrouw, ik zal ‘m leegdrinken op uw gezondheid.’

Terzake.

Mijn vermoeidheid wordt veroorzaakt door een depressie. Het probleem is dat bij mij medicijnen onvoldoende werken.
‘Ongelofelijk,’ zegt de arts, ‘dat van deze hoge dosering zo weinig in uw bloed is terug te vinden. U bent een apart mens. Maar ja, hier komen alleen mensen waar de wetenschap geen raad mee weet.’

Ondertussen ben ik wel ziek van de bijwerkingen. Op verzoek som ik mijn klachten op en een mistige wolk drijft voor mijn ogen. Ik moet naarstig mijn neus snuiten, heb geen zakdoek bij me en zit aan de zoom van mijn tuniek te denken, maar de dokter is me voor.
‘Hier, neemt u mijn zakdoek maar. Die neem ik speciaal mee voor verdrietige meisjes.’ Normaal gesproken vind ik dergelijke opmerkingen denigrerend, maar van deze man kan ik het hebben. Aarzelend pak ik de schone snotlap aan. ‘Kom kind, snuit ’t eruit,’ moedigt hij me aan.

Ik ga akkoord de dosering van mijn medicijn voor de laatste keer op te schroeven, ook al wordt dat doorbijten thuis.
Tot slot mag ik nog even bloed laten prikken door een assistent. Arm in arm loopt de dokter met me mee naar het prikhok en terplaatse vleit hij me in een stoel. ‘Uw zakdoek krijgt u de volgende keer schoon terug,’ beloof ik, maar oh nee, daar wil de beste man niets van weten. ‘Geef maar terug mevrouw. Uw neus is mijn neus.’ Hij pakt de zakdoek aan, propt ‘m in zijn broekzak, en verzekert me dat alles goed komt. Ik geloof hem nog ook.
Buiten schijnt de zon. Daar ga ik om te beginnen maar eens een voorbeeld aan nemen.