Juweeltje…

Dit juweeltje is te mooi om in mijn reacties te laten staan.
Alleen de titel al… Lefjef bedankt! 

Einde-lijk

ze leefden als paar tot het einde naast elkaar
de man
was een tiran
na zijn dood ging de hemel open…voor haar

Een gelukkig nieuwjaar voor haar

WE-300 van Plato voor Winterwarmte & oud-en-nieuw

Ze opent de deur van de zijkamer, loopt naar de kist en schuift de deksel opzij. Hij ligt er nog steeds. Morsdood. Niet dat ze iets anders had verwacht, maar de  zekerheid doet haar goed.

Het was haar mans uitdrukkelijke wens geweest dat de deksel op de kist bleef liggen; niemand mocht hem zien. “Daar ben ik te trots voor,” had hij gezegd, en zij had erachteraan gedacht: voor het mooie hoeft er ook niemand te kijken. Hij had trouwens alleen máár uitdrukkelijke wensen gehad, die zij stuk voor stuk had moeten vervullen. De losse deksel is haar eerste overwinning. Nu kan ze letterlijk op hem neerkijken.

Over zijn heilige stoel, die zij alleen mocht uitzuigen en verder met geen vinger mocht aanraken,  heeft ze een felroze kleed gedrapeerd. De stoel is nu van haar en gisteravond heeft ze hem ingewijd door haar teennagels er op te knippen.

Ze draait zich om naar het raam en kijkt naar de hemel. Ze heeft altijd geloofd in iets sterkers dan zijzelf. Ook al behandelde haar man haar dertig jaar als een stuk vuil, in haar binnenste was altijd een  vuurtje blijven smeulen in de wetenschap dat ze voor eentje de moeite waard is.
Ze kan niet wachten om met de rest van haar leven te beginnen.

Morgen  – op oudejaarsdag – zal hij gecremeerd worden. Precies volgens zijn wens. Hij had haar geen groter plezier kunnen doen. De begrafenisondernemer had nog het idee geopperd de plechtigheid in het nieuwe jaar te laten plaatsvinden, maar daar was ze niet op ingegaan.

Ze hoopt maar een ding: dat haar man boven, in het hiernamaals, omringd zal worden met louter Licht en Liefde, want ze weet als geen ander dat hij te midden van zoveel moois niet zal kunnen aarden.

 

Kerstverhaal: Een alledaags wonder

Geschreven voor parapsychologiezaanstreek  

Kerst. Wat Sanne betreft niets meer dan een verzameling letters. Sinds haar ouders elk contact met haar verbroken hebben, voelt ze zich rond de “feestdagen” een emotionele dweil, en wordt ze verscheurd door een verlangen naar verzoening.

Haar laatste poging tot gezinsvereniging was jaren geleden gestrand op de stoep bij haar ouders. Als een waakhond was haar moeder voor de deur gaan staan, haar armen demonstratief over elkaar geslagen en een granieten blik in de ogen. Sanne was als bevroren geweest; niet in staat iets te zeggen. Haar hersens waren gewoonweg in staking gegaan. Luid snuivend – alsof ze ineens heel verkouden was – had haar moeder haar vader naar binnen gedirigeerd, en was ze snel achter hem aangelopen.

Ze was er al bang voor geweest: haar moeder is een geharnast mens. In haar aderen stroomt geen bloed maar anti-vries. Wanneer alles niet gaat zoals zij wil, kun je rekenen op scheldpartijen, tirades, kleineringen en treiterijen. De blauwe plekken op Sannes ziel zijn niet te tellen.

Het beste was niet goed genoeg. Alles moest perfect zijn. Dat begon met de knutselwerkjes op de peuterspeelzaal en de hoge verwachtingen groeiden op met Sannes leven: haar kleding moest schoon blijven, haar rapporten uitmuntend zijn, en haar vriendinnen van uitstekende komaf. Toen haar vriendje niet werd goedgekeurd, kreeg Sanne de keus: uitmaken met hem of zij eruit.
Het liefst zou ze haar moeder in een kast opsluiten, alhoewel dat geen kerstvriendelijke gedachte is.

Haar vader is een ander verhaal. Hij kan haar naam zeggen zoals niemand anders dat kan; hij heeft  er een speciale toon voor. Ook al wordt hij getiranniseerd door zijn vrouw, wanneer de prijs hoog genoeg is, zal hij een kans op hereniging niet uit de weg gaan. Als ze hem maar op de juiste plaats weet te raken…
Ze heeft gewoon een extraatje nodig om het ijs te breken. Iets waardoor haar vader onder de rokken van zijn overheersende vrouw vandaan durft te komen. En je weet maar nooit: wie weet zou haar moeder lichtelijk ontdooien.

Het had een tijdje geduurd, maar uiteindelijk had ze een goede ingeving gekregen, die bovendien nog  verbazingwekkend makkelijk uit te voeren was ook.
Soms heb je een wonder nodig, en vandaag gaat ze er eentje afdwingen.
“It’s the most wonderful time of the year…” blert de autoradio. Sanne legt ‘m het zwijgen op, en bekijkt zichzelf in de achteruitkijkspiegel. Ze ziet er uit of ze vannacht niet naar bed is geweest. Lizzy heeft heel de nacht haar peuterlongetjes uit haar lijf gehoest, en wanneer ze niet hoestte, ging Sanne uit bed om te kijken of ze nog ademde.

Naast haar op de passagiersstoel niest haar dochter vol overgave. Geroutineerd veegt Sanne de snottebel weg met een tissue, en trekt de kerstmuts een stukje omhoog. Het meisje had er op gestaan om vanochtend haar kerstmuts te dragen. Het ding is alleen te groot, en zakt telkens een stukje lager over haar hoofd.

Sanne  parkeert de auto, maakt Lizzy los uit de stoel, en hand in hand lopen ze naar het bewuste huis. De lichtjes van de kerstboom glinsteren door het raam.  Je weet wat je moet zeggen, hè?’ vraagt Sanne een laatste keer aan haar dochtertje. Het meisje schudt zelfverzekerd, en haar rode vlechtjes wippen op en neer. Sanne drukt op de bel, zoekt dekking en wacht. Eénentwintig… tweeentwintig… drieentwintig…
De deur gaat open. Sanne houdt haar adem in en doet een schietgebedje.
‘Dag meneer. U bent mijn opa.’’ hoort ze Lizzy zeggen. Sanne gluurt heel voorzichtig  om het hoekje. Verbaasd en lichtelijk van slag kijkt haar vader naar de dreumes op zijn stoep. Veel tijd om aan zijn nieuwe rol te wennen krijgt hij niet, want Lizzy snottert: ‘Hatsjoe!’

Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, diept Sannes vader een zakdoek op, zakt door zijn knieen, en veegt de snottebel van zijn kerstverse kleindochter weg. Lizzy’s kerstmuts zakt over haar gezicht, de belletjes tinkelen vrolijk en ze giechelt van pret. Sanne weet het zeker: haar vader wil zijn kleindochter beter leren kennen. Véél beter. Ze ziet het aan zijn ogen.
Met een gemanicuurde hand voor haar mond heeft haar moeder er al die tijd roerloos naast gestaan, haar ogen vastgezogen aan het kind. Haar stilte is veelzeggend. Sanne zou er bijna een kerstgevoel van krijgen.

Wokken

Lief heeft een hoog cholesterolgehalte. Niks nijpend maar toch… We eten al reuze verstandig, dus waar valt nog winst uit te halen? Ik dacht: laat ik eens gaan wokken. Man kocht de pan en ik de ingredienten. Recepten genoeg, maar Kind en ik moeten er ook van mee-eten en daar wrikken onze teenslippers: allebei heetgebakerd maar een afkeer van gepeperd eten. Deze keer zou ik echter niet moeilijk doen over knoflook, gember en pepers, maar als een volwassen vent mijn bord leegeten.

Tijdens de bereiding, loerde Kind angstvallig in de pan. Die kleine rode ringetjes hè, dat is toch dat rode tuig waar je lippen van in brand vliegen en naar buiten toe omkrullen? Om over je tong maar te zwijgen. Ik moest haar gelijk geven: het eten rook pittig, en ik begon al spijt te krijgen van mijn stoere voornemen. Ik hield Bella een stukje voor. Ze snuffelde eraan en trok haar neus op: vreet dat zelf maar op. Dat gaf te denken, want Mevrouw Konijn lust alles, zelfs hulstblaadjes en distels.

Wij gingen aan tafel. Man proefde even, deed er nog wat likken sambal door, en viel verlekkerd aan. Kind en ik namen voorzichtig een hap.

Ha-ha-héét! We keken elkaar aan en dachten hetzelfde: op de verpakking van het zakje saus had “mild” gestaan. Dat was absoluut een grove leugen! Echt, Kind en ik deden ontzettend ons best, maar al naar enkele happen kregen we een loopneus, en stonden de tranen in onze ogen.

Ik proefde zelfs geen groente of vlees meer, voelde alleen maar felle prikken op mijn tong. Alsof ik in een egel beet. In paniek pakte ik het glas cola, hing mijn tong erin en dronk gulzig het glas leeg. Kind krijste dramatisch, duwde haar stoel achteruit, en vloog naar de keuken, waar ze haar tong onder de stromende kraan hing. We hoefden niet met haar naar het brandwondencentrum, maar de rest van de avond zag ze er wel verhit uit, en had ze een verschroeiende dorst.
Met Man heb ik een pittig gesprek gevoerden sindsdien eten we milder.

Winterwarmte

WE-300 schrijfuitdaging van Plato voor december met als thema: winterwarmte.

Ondanks haar thermokleding en winddichte jas heeft ze heeft het gevoel in haar nakie te staan. Haar handen zijn ijsklompen en ze overweegt serieus haar handschoenen uit te trekken om ze warm te plassen. Alleen de gedachte aan haar blote kont in de vrieskou weerhoudt haar daarvan.

Gek dat ze van buiten zo koud is; van binnen kookt ze. Niet alleen omdat ze verliefd is, maar ook van nijd. Ze had zelf ook wijzer moeten wezen. Ze is niet bepaald het mooiste meisje van de klas, maar dat gevoel had hij haar wel gegeven en vandaar dat ze vol overgave op zijn uitnodiging was ingegaan.
Thuis had ze van gekkigheid niet geweten wat ze eerst wilde doen: van blijdschap haar bed als trampoline gebruiken, of haar vriendinnen bellen.

Voorlopig is hij ruim een half uur te laat. Tien minuten geleden heeft ze zichzelf al uit staan kafferen dat hij haar in de kou laat staan. Het wordt tijd naar huis te gaan, maar ze wil koppig zijn. Stel  dat hij domme pech heeft: een lekke band, lege accu, file…
Ze zou het in een kroeg met de eerste de beste slampamper aan moeten pappen. Haar bloed kookt en ze moet vreselijk piesen. Toch maar over haar handen dan?

Van achteren hoort ze voetstappen dichterbij komen. Ze draait zich om. Het is nauwelijks vast te stellen welk mens er schuil gaat tussen de winterjas, sjaal en schaatsmuts.
Aarzelend zet ze stap in zijn richting. Een stoeptegel heeft net een opstaand randje en om niet te vallen grijpt ze de onbekende pardoes bij de mouw van zijn jas. Het ergst denkbare gebeurt: de man kan zijn evenwicht niet bewaren, en samen vallen ze om. Ze kijkt in de ogen van haar medeglijder en gloeit van blijdschap: hij is toch op haar gevallen!

Ruimte voor de ziel

Schrijfopdracht WE-300 van Plato met als thema: scheiding.

Het is stil in de schemerige zitkamer. De zware, dichtgetrokken veloursgordijnen laten nauwelijks een reepje licht door. Roerloos zit ze op de stoel naast het bed van haar man. Hij ademt zwaar en onregelmatig. Ze heeft geen licht nodig om te zien dat de gestalte broodmager is, zijn gezicht doorgroefd, en  zijn lichaam een schim in veel te grote kleren is geworden.

Langzaam, bijna sluipenderwijs, heeft de ziekte de regie overgenomen en hem verteerd. Hij heeft de aftakeling manmoedig ondergaan; zijn geest vele malen sterker dan zijn lichaam. Hij voelde boven alles boosheid. Boos, omdat zijn lichaam hem in de steek liet. Boos, dat het wel energie stopt in baardgroei maar niet in genezing. Hij wil en kan zich niet overgeven aan dit laatste gevecht. Omwille van haar wil hij blijven en rekt hij iedere seconde.

Toen ze elkaar leerden kennen, meer dan een halve eeuw geleden, was het net of ze in elkaars gezelschap geluid konden zien, en kleur konden ruiken. Dat was altijd zo gebleven en samen hebben ze een rijk leven gehad. Ongrijpbare gedachten fladderen door haar hoofd.

Dan neemt ze een rigoureus besluit. Ze knijpt voorzichtig in de lange, knokige vingers van zijn knoestige hand.
‘Lief,’ zegt ze zacht, haar gezicht zo dicht mogelijk bij het zijne. ‘Lief… zou je niet eens gaan…? Heeft het niet lang genoeg geduurd?’ Even zoeken zijn ogen de hare. Zijn stem is niet meer dan een fluistering. Ze voelt de reactie in zijn lichaam; alsof een last van hem afvalt.
Langzaam, als een nachtkaarsje, gaat hij uit, tot hij tenslotte stopt met ademen.
Ze weet: hij is voor altijd weg.

Lange tijd later staat ze op, loopt naar de gordijnen, schuift ze opzij en opent een raam. Nu kan zijn ziel naar buiten toe. Waar altijd kleur en geluid zal zijn.