Misselijk

Hij zou de broer van Ba.lkenende kunnen zijn: het gebrek aan uitstraling, het allesbehalve flamboyante kapsel, en de bekende Harry Potterbril. Als ik de man zie, zakt mijn broek al richting mijn hielen, en dan hebben hij en ik nog geen woord gewisseld. Volgens mij is onze mate van belangstelling wederzijds. Onbegrijpelijk; ik kan zo vriendelijk lachen en beleefd spreken.

Leve de vooruitgang!
Herhaalmedicijnen vul ik in op de website van de HuisArtsenPost en verzend ik met een muisklik. Een dag later krijg ik een mailtje terug met de mededeling dat het door mij bestelde medicijn niet verstrekt wordt vanwege de bijwerkingen.

De irritatie klotst door mijn aderen. Wat nou als de kwaal erger is dan het middel?
Domperidom eet ik tegen de misselijkheid, die een bijwerking is van mijn anti-trilpil. Als ik die trilpil niet eet, krijg ik in bed – net wanneer ik op het punt lig in slaap te vallen – elektrische schokken door mijn lijf. Zo erg, dat ik nooit meer naar bed wil.
De Dom-pil krijg ik ook nog eens op recept van de specialist, dus waar bemoeit de huisarts zich mee? Ik schrijf een beleefd mailtje met uitleg, en vraag om een mogelijkheid het gebruik mondeling toe te lichten. Geen reactie.

Gedreven door nood, bel ik na twee dagen de apotheek. De assistente – een wonder van zegenrijke hulpvaardigheid – zegt dat de Dom-pil niet meer verstrekt wordt, dat daar geen discussie met de huisarts over mogelijk is, en dat ik ook geen vervangend medicijn krijg. Ik hang op en bel de neuroloog. Nog dezelfde dag ratelt haar recept via de fax bij onze HAP binnen. Plus twee herhaalrecepten!

Verblijd fiets ik naar de HAP om de misselijke pillen op te halen. Aldaar noem ik mijn naam en vraag om de Domperidom, zonder er triomfantelijk bij te kijken. Balkje zit in het hok naast de apotheek en draait zich bij het horen van de naam van het medicijn om. Even maar. Ik knik beleefd. Hij beantwoordt mijn groet niet, maar geeft de deur een zetje, zodat ik uit zijn gezichtsveld verdwijn.
Deze uit graniet gehouwen huisarts is toch een gevaar voor de volksgezondheid? Ik heb ineens een tweede reden om de pil tegen braakneigingen te eten.

Wilde eend

In het hoge gras waggelt een eend. Het is een vrouwtjeseend, zo eentje die in het vogelboek “de wilde eend” wordt genoemd. Aan deze eend kan ik echter niets wilds ontdekken. Nog niet.

De eend maakt een eenzame indruk. Ik vind dat wel een beetje zielig, maar misschien heb je onder eenden ook kluizenaars. Ik wil mijn tocht alweer vervolgen, als ik iets vreemds zie. De eend loopt door het gras alsof-ie iets achterna zit. Zijn snavel maakt happende bewegingen en komt ineens omhoog met iets wat spartelt. Het is geen visje, maar iets groens, waarvan de pootjes druk heen en weer friemelen. Inderdaad: een kikker! Die past nooit door de eendenbek.

Niet gestoord door mijn kennis – of gebrek daaraan – doet de eend geen poging de kikker los te laten. Integendeel. Wild – dus toch – schudt hij z’n kop met kikker heen en weer, alsof-ie een hond is die ergens zijn tanden in heeft gezet.

Een foto, denk ik, een foto! Dit geloof ik zelf niet, laat staan een ander aan wie ik het vertel. Ik rommel in mijn tas op zoek naar het toestel. Ik moet opschieten want de kikker is een aardig eind onderweg om verschalkt te worden.
Ik heb ruzie met het hoesje van het fototoestel, en ben zo afgeleid, dat ik nauwelijks opmerk dat de eend alleen nog moeite heeft met de kikkerbilletjes. Wanneer ik m’n fototoestel eindelijk paraat heb, is de kikker verslonden. Ongelofelijk.

In gedachten zie ik de kikker door de eendennek naar beneden glijden. Kon ik van die gedachte maar een foto maken, dan had ik tenminste nog wát. Bij nader inzien toch maar beter van niet; wie weet aan welke dingen ik nog meer denk.

Bij thuiskomst google ik: “eend eet kikker,” en…voila:

 

Missie volbracht

Terwijl de vogels buiten het voorjaar vierden, stonden op Roos’ gezicht zware moeilijkheden af te lezen. Ze had zich voorgenomen het deze keer verstandig aan te pakken, maar leren zonder enige vorm van strategie beviel haar toch het best.

Leren deed ze overal: op de bank met de tv aan, op ons bed (lekker breeduit), in haar eigen bed, in de tuin onder de luifel… Haar boeken slingerden logischerwijs in en om het huis, en alle vragen van Manlief en mij, over hoe een eindexamen gegaan was, beantwoordde ze met lauwe belangstelling, of vol chagrijn. Ja, ook als ouders moet je er wat voor over hebben.

De spreekwoordelijke laatste loodjes wogen het zwaarst. Voor Latijn heeft ze – op twee uurtjes na – heel de nacht doorgeleerd. Als je vanochtend de kringen onder haar ogen telde, zou je niet zeggen dat Roos in de bloei van haar leven is.

Twaalf juni weten we of ze geslaagd is. Tot die dag rommelen we ons een weg door het leven, maar de uitslagdag zal er eentje van enorme zenuwaanvallen worden.
In de tussentijd vermaakt Roos zich met de dingen waar ze het best in is: uitslapen, feestjes vieren, shoppen met vriendinnen, filmpjes kijken… Dat zij nu al vrij heeft en “de rest” nog minstens een maand school heeft, vindt ze een verdiende, vervroegde vrijlating. Als ze geslaagd is, hoopt ze dat er een magnetische storm over haar interne harde schijf trekt, die alle verworven kennis van saaie vakken wist.

Binnenkort wordt haar op één na liefst wens vervuld en gaat ze met Lief een weekje naar Euro Disney in Parijs. Roos telt de dagen af. Man en ik zijn al tevreden wanneer de vermoeidheid van haar afgedropen is, en Roos haar opgeruimde natuur weer terug heeft. Alleen dát is al een reden tot een feestje!

Vlooienbunker

‘Waar ga jij met die leverworst naartoe, jongedame?’ Jolijns hand was snel, maar haar moeders ogen net iets sneller. ‘Zeker voor die vieze vlooienbunker buiten?’ laat ze erop volgen. Zó oneerlijk om dat te zeggen. Het beest heeft alleen een was- en knipbeurt nodig, een soort honden-APK. Als Jolijn in de ogen van de straatschooier kijkt, voelt ze kriebels in haar buik.

Met twee kilo lood in allebei haar schoenen loopt ze naar de dierenwinkel.
Dit is haar enige kans.

‘Hoeveel kost het om…mijn…eh…deze hond te wassen en knippen?’ De bazin ruikt meteen hoe laat het is. ‘Te duur voor jou, liefie, 45 euro.’ Jolijn slikt en bestudeert haar schoenen. Weifelend vraagt ze: ‘Mag het ook voor de helft, en dat ik na schooltijd in de winkel kom werken?’

Uiterlijk houdt de bazin haar gezicht in de plooi, vanbinnen vindt ze het meisje  een toonbeeld van doorzettingsvermogen.

‘Weet je moeder het al?’ wil ze weten.
‘Nou…’ zegt Jolijn geruststellend, ‘als het maar een dameshond wordt die een beetje naar wc-reiniger ruikt, zal mijn moeder geen bezwaar meer hebben.’ De oude vrouw lacht, en zegt dat het goed is. Jolijn weet niet wat ze het eerst zal doen: lachen, zingen of springen. Ze begint maar met het legen van haar spaarpot.

‘Kom maar,’ wenkt de bazin wanneer ze het meisje weer ziet. ‘Ik heb nog een verrassing voor je.’
Zodra Jolijn haar hoofd om de hoek van de trimsalon steekt, slaat ze verrast haar hand voor haar open mond. Ze herkent alleen de kop van het dier nog! Het lijf is anderhalf keer zo klein, en ze giechelt als ze naar de poten kijkt. ‘Wat is ze mooi geworden!’ zegt Jolijn trots. Ze legt haar spaargeld op de toonbank en verlaat opgewekt de dierenwinkel. Op de voet gevolgd door Doortje met twintig gelakte nageltjes.

De liefde

Leuk! Een groot hart met twee namen: Frans en Nel. Niet in een boom gekerfd, of gespoten met een ordinaire spuitbus, maar met zorg op het wegdek gekalkt.
In gedachten zie ik Frans met een blik verf en kwast voorovergebogen op het fietspad aan het werk. Het kan ook Nel geweest zijn, maar een vrouw pakt het volgens mij subtieler aan. Met een whatsapp of een liefdesverklaring op het internet; allemaal fluitjes van centen tegenwoordig.
Zal de liefde wederzijds zijn, of heeft Nel alleen een regio-overschrijdende aantrekkingskracht op Frans?
Ach ja…de liefde. Ik had een vriendin die er verliefd op was.

‘Maar kijk nou eens naar de natuur,’ mijmer ik hardop tegen Man. ‘Zwaluwen scheren door de lucht; kalveren liggen naast hun moeder in de wei; aalscholvers staan te drogen langs de kant; het Fluitenkruid in de berm bloeit als wit kant. De liefde kan Nel toch niet onberoerd laten?’ Opgetogen over deze gedachte fietsen Lief en ik verder.

Een week later is de toestand verergerd: Frans heeft iets aan de tekst toegevoegd. Er staat nu: “Frans treu love Nel.” Frans’ Engels kan wel een up-dateje gebruiken, maar misschien dat het verstand van de jongeling door de liefde ietwat vertroebeld is. En wat is een spelfout als je hart vrolijke overslagen maakt? Lief en ik trappen zorgeloos over tastbare liefde heen.

Weer een week later – juist als ik een foto wil maken – zijn de weersomstandigheden slecht: het plenst. Joris en ik trappen door want we ruiken de stal. Eerst nog even over Frans en Nel heen fietsen. Maar wat is dat? Het hart staat nog op het wegdek, maar door beide namen staat een vette streep. Eigenlijk zijn de strepen meer uitgelopen klodders verf. Er dringt zich een groeiende berg onrust aan ons op.
Welk drama heeft zich afgespeeld? Zou Frans ongewenst als een griepvirus het leven van Nel binnengedrongen zijn? Is haar hart gestolen door een ander? We zullen het nooit weten. De liefde zat diep maar was van korte duur. Hopelijk duurt onze zomer langer.

Dappere Ankie

Ankie leerde ik kennen tijdens yoga. Ze was reeds in de zestig; een leuk mens met een meisjesachtig postuur, een lenig lijf en een positieve inslag. Als andere dames klaagden over hun snurkende echtgenoot, dan zei zij dat ze zo’n snorrende man wel gezellig vond. Hardnekkig bleef ze rondrijden in een oude eend, die haar tijdens vakanties in Frankrijk steevast onverwachte ontmoetingen bezorgde.

Slechts bij hoge uitzondering miste Ankie een yogales. Vroeg ik daarna of ze ziek was geweest, dan kreeg ik een ontwijkend antwoord. Heel on-Ankie want zij was doorgaans een open boek. Zelden kwam ik haar “los op straat” tegen. Behalve die ene vrijdagmiddag op de weekmarkt. Ankie had de weken daarvoor drie yogalessen gemist en bij navraag hield de yogajuf informatie achter, wat Ankies goed recht was.

Die middag op de markt stond Ankie er verslagen bij. Ik liep op haar af.
‘Hallo Ankie, gaat het wel goed met je?’ Niks beleefdheden, gewoon recht voor zijn raap. Als ze geen behoefte had in een gesprek, zou ze dat wel zeggen. Van dichtbij had haar gezicht dezelfde kleur als het grijze shirt dat ze droeg. Ze keek me aan en ontweek mijn vraag niet.

“Nee, ’t gaat niet,’ zei ze. ‘Van deze toestand heb ik vaker last, maar nu duurt ie langer.’ Ik zei niets en wachtte af of ze ging vertellen wat ‘die toestand’ was.
‘Het komt door vroeger,’ begon ze, ‘door mijn moeder. Ik heb verlatingsangst omdat zij, toen ik negen was, zelfmoord heeft gepleegd. Ze had zichzelf opgehangen…ik heb haar gevonden. Een paar keer per jaar overvalt me die verlatingsangst. Ik heb er therapie voor gehad, maar dat beeld van mijn moeder raak ik niet kwijt…dan zie ik haar hangen in het trapgat. Welke moeder doet dat nou zoiets? Ik heb ‘t geprobeerd te begrijpen, maar het lukt me niet. Zo zit dat.’ Ik knikte; probeerde haar te begrijpen.
‘Kan ik wat voor je doen?’ vroeg ik.
‘Dat je luistert is genoeg.’

Alsof het afgesproken werk was, liepen we in de richting van haar geparkeerde eend. ‘Wat is je huisnummer?’ vroeg ik; haar straatnaam wist ik al.
‘Honderdvier,’ gaf ze als antwoord. Het minste wat ik kon doen, was haar een kaartje sturen. ‘Dag Ankie,’ zei ik, terwijl ik haar een zoen op haar wang gaf.
‘Ik zie je maandag weer bij yoga,’zei ze, ‘dan is het vast over.’

Ze stapte in haar eend en sloeg de deur dicht. Het raam wapperde met een klap omhoog toen ze wegreed. Door een voorbijrijdende bus kon ik haar niet meer zien. In gedachten zwaaide ik haar na.