Afwisseling

WE-300 schrijfuitdaging van Plato

Deskundig speurt hij met de Swiffer in zijn hand de woonkamer rond. Vanochtend heeft hij alles gezeemd, maar stof valt heel de dag door naar beneden. Dat zie je, zeker wanneer je zoals hij dagelijks de  ramen zeemt en zonnestralen vrij naar binnen schijnen.

Hij kent mensen die boekenplanken hebben met een grijze waas eroverheen. Of die televisie kijken zoals ze vroeger in barre winters naar buiten probeerden te kijken: eerst tegen het glas blazen en  dan met je hand een opening in een ijsbloem poetsen. Of mensen bij wie je voeten vastplakken aan de keukenvloer. Zelf poest hij alles tot het blinkt. Hij is trots, dat zijn kookplaat zo glanst dat hij zijn spiegelbeeld erin kan zien.

Na de dood van zijn vrouw kreeg hij zo’n enorme dreun van eenzaamheid, dat hij bedacht ter afleiding de meest vlekkeloze schoonmaker ooit te worden. Niet dat hij er plezier aan beleeft. Na zichzelf een weekend lang grondig geobserveerd te hebben, was het tot hem doorgedrongen dat hij een slaaf van zichzelf geworden was. Dat hij geen leven meer had, zo ernstig zat hij bij zichzelf onder de plak.

Sinds hij in therapie zit, gaat het gelukkig wat beter. Hij kan er al voorzichtig grapjes over maken: ik ben S en heb metvrees. Dat was het begin van de stap vooruit. De therapeut had gezegd dat hij niet mocht verwachten dat hij van de ene op de andere dag genezen zou zijn, maar dat het juist in kleine stapjes moest gaan. Daar is hij zich van bewust en daarom is hij ook zo tevreden over zichzelf. Twee vliegen in een klap, daar houdt hij van!

Glimlachend pakt hij de bloemenvaas. Hij gooit de bloemen weg, spoelt de vaas schoon en gooit er een tablet Kukident in, samen met zijn kunstgebit.

Overwinnen

WE-300 Schrijfuitdaging van Plato met als titel: overwinnen.


Te laat ziet ze de grote kuil in het wegdek, en voor het goed tot haar doordringt, ligt ze op de grond. Auto’s jakkeren door plassen voorbij. Geschrokken en gekneusd krabbelt ze overeind, en zet haar fiets op de standaard. Grote grutjes, moet je zien hoe ze eruit ziet: een hak van haar schoen is afgebroken; in haar panty zit een grote knol; tel daar nog de ontbrekende knoop van haar jas bij op, en ze is een wandelende zak van Max. Ze kan wel janken. Heeft het nog wel zin naar het sollicitatiegesprek te gaan?

In een wanhoopspoging heeft ze een eenregelig sollicitatiebriefje geschreven, waarin ze naar een baan vraagt, ongeacht welke. Toen ze in het antwoord de beschikbare vacature las, moest ze even slikken, maar ze concentreert zich keihard op de voordelen: eindelijk zal ze onder de mensen komen.

Thuis zit haar man die op zijn wenken bediend wil worden. Iedereen in Nederland moet langer doorwerken, maar wie mocht er profiteren van de VUT? Harrie; haar hork van een man, die haar uitkaffert en vernedert. ‘s Nachts ligt ze ervan wakker. Heel haar leven zit ze al gevangen in een keurslijf van brave burgerlijkheid, en ze weigert langer onder zijn juk te leven; er zijn grenzen aan wat een mens verdragen kan. Vastberaden stapt ze op de fiets. Ze móet die baan hebben. Thuis gaat ze dood.

Veertig minuten later staat ze bezweet weer buiten, waar het droog is en de zon schijnt. Het sollicitatiegesprek is wonderbaarlijk goed verlopen want ze is aangenomen! Nu al vreest ze Harries schamperende en honende opmerkingen. Maar zij heeft A gezegd en desnoods gaat ze door tot de Z, maar zij gaat voortaan drie dagen per week als toiletjuffrouw in de Hema gaat werken. Ze kijkt omhoog en ziet geen vuiltje aan de lucht.

Afscheid

Moederziel alleen staat haar rollator in het midden van de kamer. Ver buiten het bereik van haar handen.   
‘Ik mag er niet meer uit,’ zegt ze op beledigde toon tegen Man. Voor het gemak vergeet ze dat ze niet eens meer op haar eigen benen kán staan.
‘Het gebeurt gewoon niet meer, klaar,’ zegt Lief op een toon die hij doorgaans voor puberende Kakel reserveert. Maar zijn moeder is 82 en wil zich niet laten koeioneren.
‘Ik wilde alleen maar wat te drinken pakken,’werpt ze zwak tegen.
‘Ja, en hoe dat is afgelopen, weten we.‘
Ze is hard gevallen en kon uit zichzelf niet meer overeind komen. Twee uur lang heeft ze op de koude grond gelegen tot de ochtendverpleging haar vond. Vanaf nu zal ze niet meer alleen zijn. Ook ’s nachts niet. Ze zucht. Niet te hard, want haar gekneusde ribben barsten bijna uit haar uitgebluste lijf.

 

Ze pakt Mans hand vast.  
‘Ik heb vannacht zo vreselijk gedroomd…echt vreselijk…ik droomde dat jij in het schuurtje van Opa van der Vaart zat…alles stortte in elkaar.’ Ze stopt even om op adem te komen. ‘Ik riep: ‘Joris, Joris, leef je nog,’…gaat ze verder, ‘jij gaf geen antwoord…ik wist dat je dood was…maar wilde toch hulp gaan halen…maar ik mijn huis niet uit…’

 

Van vermoeidheid vallen telkens ogen dicht. Af en toe doet ze ze even open, en kijkt naar haar Jongste: hij zit er echt. 

 

De tijd verstrijkt. Het kastje van haar matras maakt zuchtende geluiden. Buiten in het park laten mensen hun hond uit. Kinderen voeren de eendjes. Langzaam begint het te schemeren en zien we in huizen steeds meer lampen aangaan.  Ieder zitten we aan een kant van haar bed. We vragen ons maar één ding af en alleen de tijd zal ons het antwoord geven.

Afscheidsbriefje

Huilend snijdt hij de uien. Hij doet alles voor haar: het huishouden, de boodschappen, de was… En zij? Zij doet alles voor zichzelf, waaronder vreemdgaan met de man die hij kortgeleden nog zijn beste vriend noemde. En achter zijn rug wordt er gegniffeld. Zijn vochtige ogen vertroebelen zijn blik en hij snijdt zichzelf in de vinger. Dit Is Met Recht De Laatste Druppel! Terwijl hij zijn vinger met een keukenpapiertje dept, staart hij door het raam in de verte…hij moet de eer maar aan zichzelf houden en haar verlaten.

Gewoontegetrouw vult hij tijdens het koken de broodtrommel van zijn vrouw – zijn ex-vrouw  – voor de volgende dag. Hij doet dat steevast met precisie, want ze heeft een glutendieet. Haar collega’s weten dan ook niet beter dan dat zij eigen lunch meeneemt. Het is net als bij Jiskefet, vertelde ze dikwijls, iedereen wil weten wat er in de trommel zit.
Glimlachend vult hij haar doos tot de rand en schrijft er een briefje bij.

Ze is blij dat de vergadering wordt onderbroken, want ze snakt naar iets eetbaars. Verlekkerd licht ze de deksel van haar broodtrommel. Niet begrijpend staart ze naar de inhoud. Dit moet een vergissing zijn: ui- en aardappelschillen, stukken prei, een keukenpapiertje met een bloedvlek, een klokhuis…En een briefje. Haar hand trilt als ze het openvouwt. Twee collega’s lezen met haar mee:

“Wie zich gedraagt als een varken,
zal ook eten als een varken.”

Vuurrood van schaamte sluit ze de trommel.
Het zal nooit meer worden wat het geweest is.

 

Schrijfuitdaging van Aline met als thema: eten.

Vuurwerk

Zul je net zien: zoek je een hondendrol om er een rotje in te steken, is er nergens eentje te bekennen. Samen zoeken ze stoep af. Gelukkig: de trouw langslopende leverkleurige hond heeft verdekt zijn boodschap achtergelaten. Moeder en Kind hebben de taken snel verdeeld:  moe drukt (ha! woordspeling) het rotje in de drol; Pubermeisje steekt het lontje aan.

 

Dan staan ze in dubio: blijven ze kijken naar de poepspetters, of kiezen ze het hazenpad? Het wordt het laatste. Giebelend hollen ze naar de overkant van de straat. Op datzelfde moment lopen twee stoere pubers voorbij. Van pret slaan ze op elkaars schouders. Haha, zie dat stelletje angsthazen eens wegrennen! Juist wanneer ze langslopen, spat het rotje uit elkaar: pvvvt.  De stoere mannen lachen nu nog harder. ‘Bang voor een babyrotje!’ joelen ze. 

 

Een donker gekleed figuur zien ze over het hoofd. Hij zit in elkaar gehurkt naast een zinken gieter die hij als lanceerinrichting voor vuurwerkpijlen gebruikt. In de schuine schenkbuis staat een vuurpijl – goedgekeurd door de Nederlandse vereniging van huisvrouwen -en de lont brandt. Met het geluid van een gillende keukenmeid in doodsnood, schiet de pijl met veel raketvertoon omhoog de lucht in, de kant van de pubers op.

‘Pas op!’ gilt de man, ‘deze is illegaal!’ 

De stoere binken verstaan de man niet, maar vatten het op als een waarschuwing. Uit puur overlevingsmechanisme zetten ze het op een lopen. De vuurpijl is een vluggertje en zo gedoofd; bescheiden knalt ie uit elkaar. De pubers stoppen.  

‘Poesies!’ gilt de man ze na. Dát verstaan ze wel. De twee dames die het van een veilig afstandje aankijken, hangen slap van de lach om een lantaarnpaal heen gevouwen en houden hun buik vast.

 

Aaaaargh, de pubers schamen zich bijkans bewusteloos dat ze voor zo’n mager pijltje op de loop zijn gegaan. Wacht maar, ze zullen eens laten horen wat zij gekocht hebben. Nog geen minuur later klinkt er zo’n diepdreunende knal dat de ramen in de sponningen trillen. Oh hartklopping! Het pubermeisje vliegt van schrik de armen van haar vader in. Haar trommelvliezen denderen bijna uit haar oren. ‘Wat was dat?’ vraagt ze met een schor stemmetje. ‘Een granaat.’  

 

De straat is gehuld in nevelen en kruitdampen. Nog snel lopen ze naar de overkant om de drol te checken: daar is niets van over. Genoegzaam maar ook enigszins beschaamd, vragen ze zich af of het babyrotje nog remsporen achtergelaten zal hebben…