Reuring om Herman

Keek op de week (229)

Vroeger – toen wij nog portiekwoning in Rotterdam huurden – wilde mijn moeder het voorjaar in huis halen. Daartoe toog ze met keukenschaar naar gebloesemde bomen. Tevreden zette ze thuis afgeknipte roze takken in vaas.
Haar gelaat betrok: zij snufte iets. ‘Een pislucht,’  sprak ze rillend van viezigheid. En dat in huize Helderder! Haar neus volgend, kwam ze uit bij lieflijke bloemen, waaruit als toetje een oorwurm kroop.
Het voorjaar – nog maar net begonnen – verdween in vuilnisemmer.

‘Het zijn jonge ooievaars,’ zei boer. Hij stond met zijn handen onder zijn oksels en keek naar het nest. ‘Eind januari begonnen ze met inrichten, maar ze zijn te onervaren. Eerste jaar leggen ze meestal geen eieren, maar ja, ze staan op mijn erf en ik voel me verantwoordelijk.’
We keken naar kraanwagen die kistje mos, opgerolde clematisranken en berkentwijgen omhoog tilde.
De ene bewoner keek toe vanaf het dak van boerderij, de andere vanaf lantarenpaal.
Vier handen sterk vlochten nest dicht; een klusje van niets.
‘Takken laten we op de grond liggen,’ zei boer. ‘Kunnen vogels nog een beetje rotzooien. Leggen ze dit jaar geen eieren, dan doen ze het volgend jaar. De natuur laat zich niet dwingen.’

Reed auto in parkeervak, over hobbeltje middenberm en in vak ertegenover. Een zilverkleurige autoneus had zelfde plek uitverkoren als ik, en stopte.
Bestuurder was zwaar over de pis: ‘Ik snap niet dat je zo asociaal je auto parkeert.’
Meestal parkeer ik achteruit in, maar had een luie bui. Dit ging toch nergens over?
‘Meneer, dit is gewoon de openbare weg, hoor.’ De volgende keer doe ik het weer.
Kerel begon te razen en tieren, waarna woekerende ziektes met oudste beroep ter wereld volgden.
Waarom roepen mensen altijd hetzelfde? Blader eens door een synoniemenwoordenboek zodat er wat origineels uit je mond rolt.
Wilde kerel eigenlijk negeren toen ik idee kreeg. En zo’n beschaafd idee!
Knikte bestuurder vriendelijk lachend toe, wachtte tot ik zijn aandacht had en riep richting zijn raam: ‘Krijg een zweer op je jongeheer.’

Zag in achteruitkijkspiegeltje op bril dat ik door beest met tandwiel door neus werd achtervolgd.
Boer in tuin achter ijzeren hek wenkte me en opende hek.
‘Kom maar even hier staan. Herman is weer uitgebroken en niet zo’n gezellige jongen.’
Uitzicht vanaf deze kant van hek beviel me stukken beter.
Daar kwam het geteisem aan! Stier stampte midden op weg. Spieren bewogen onder zijn massieve lijf. Hij zag eruit alsof hij lijntje coke had gesnoven en ieder moment kon ontploffen. Tijdens passeren wierp stier me priemend oog toe: ik had je makkelijk kunnen hebben op je tweewieler.
Vergeet het, Herman. Mijn tandwielen zijn veel groter dan dat lullige exemplaar in jouw neus.
Boer toetste wat in telefoon: ‘We volgen Herman via buurtapp. Hij is onderweg naar Daan want die heeft een tochtige koe op stal staan. De lokroep van de natuur, hè?‘
Een tochtige koe is geen koe die op stal staat met alle ramen en deuren open, maar een eh…ontvankelijke koe die haar periode heeft.
‘Gebeuren er weleens ongelukken?’ vroeg ik.
‘Soms loopt-ie een hek plat, doorploegt-ie een moestuin en rukt-ie wasgoed van de lijn. Boer zei het op toon van: ach, het geeft reuring.
Na meerdere appjes verscheen geruststellende bericht dat stier op stal stond bij Daan.
Het platteland was weer veilig.

Foto: Pixabay – 4579754 by Sinawa

 

O-benen met gloeiwijn

Keek op de week (228)

In Bodegraven fietste ik langs molen en door nauwe straatjes. Bij blauwe poort hield ik halt. Op deur stond geschilderd: ‘Hier geen fietsen plaatsen.’
Dergelijke tekst róept om actie. Parkeerde fiets en maakte foto.
Vliegensvlug, hoor.

Twee boerkes van buut’n liepen naast elkaar en hielden halt op bruggetje.
Hun handen steunden op leuning. Ze droegen houten klompen, een blauwe werkbroek en geruit overhemd. Na een arbeidzaam leven hadden ze alle tijd van de wereld.
‘Ut benne postzegels, hè?’ gebaarde een boer met zijn hand naar de afgebakende lapjes grond van de amateurtuinvereniging. Zijn stem had een brommige ondertoon. ‘Arepels, uien…daar hebbe ze waainig werk an.’
‘Ze zitte meer dan ze sjouwe,’ beaamde ander.
Rosa dacht: kan best wezen, maar ik wil erlangs. Keek van ene naar andere boer maar er was geen passeerplaats. Of…ja toch. Met mengeling van schaamte en verbazing zag ik wat Rosa zag en liet hond begaan. Hoopte dat meest rechtse boer gevoel voor humor had. Enorme O-benen had hij al en daar stapte hond tussendoor.
Liep dichterbij en zei goedemiddag.
Eigenaar van O-benen ging opzij en ik haastte me het bruggetje over.
De brommer constateerde droog: ‘Raar volk.’

Kwam tijdens rondje Rosa vrouw met draadhaar teckel tegen.
‘Mijn man noemt ‘m Harrie maar dat is toch geen naam voor een hond?’
‘Ollie,’ zei ik.
‘Nee, de naam moet met een H beginnen,’ zei de vrouw beslist.
‘Hollie.’
We lagen dubbel.
Vond Hummer leuke naam maar ook getuigen van wansmaak om je hond in deze tijd naar Amerikaanse auto te vernoemen. ‘Hurdur,’ opperde ik. ‘Dat is het IJslandse woord voor hond. Uitspreken zoals de Zweedse kok van Muppets het doet. Hur-der.’
‘Hur-dur,’ zei vrouw met rollende r. ‘Hur-dur. Ik vind het geweldig! Deze zomer gaan we op vakantie naar IJsland,’ schaterde ze.

Het was stikmistig en koud. Van verre zag ik obstakel staan op smalle polderweg. Obstakel bleek kapotte scootmobiel met oude man erin. Verwaaid haar, bruine ogen en blauwe lippen. Zette fiets tegen lantaarnpaal.
‘Dag meneer. Draagt u een persoonsalarm?’ vroeg ik.
‘Ja, ja, nu je het zegt…Om mijn nek. Wil jij mijn jas opendoen? Mijn vingers zijn te koud.’
Sjaal af, jas open, alles weer dicht. Drukte op alarmknopje.
Vrouwenstem noemde naam zorginstelling en zei: ‘Dag meneer Berk, wat kan ik voor u doen?’
‘Mijn schootmobiel is kapot!’
‘Heel vervelend. Wij komen u meteen ophalen. Waar bent u?’
Noemde straatnaam die ik in Strava-app zag staan. ‘Op ongeveer 400 meter van stompe molen.’
‘Hoe gaat het met meneer?’
Gaan we over iemand praten terwijl hij erbij zit?
‘Wilt u dat aan meneer Berk zelf vragen?’
Man riep: ‘IJskoud! Ik vergat dat ik mijn alarm droeg.’
‘Daar gaan we een oplossing voor bedenken,’ zei vrouw.
Er verscheen werkbusje. Jonge vent in werkkleding stapte uit en opende achterkant van busje. Pakte paardendeken vouwde die met zorg om oude man heen.
Held wilde niks weten van bedankje. ‘Kleine moeite! Ik heb ook een opa.’
Rap arriveerde zorgbusje. ‘We tillen u in de warme bus en dat gaat u fijn naar huis,’ zeiden twee zorgbroeders.’
Meneer Berk begon te huilen. ‘Iedereen is zo lief voor me.’
‘Dat verdient u ook,’ zei broeder, en gaf Berk in bus tuitbeker met warme thee.
Of zou er gloeiwijn in hebben gezeten?

De wijze schoonmoeder

Keek op de week (227)

Stond in bieb. Op tafel waren boeken uitgestald in vorm van gewaaierde cirkel.
Was alsof ik wist wat ging komen. Het was bijna eng.
Terwijl ik keek, begonnen boeken te glijden en vielen allemaal om.
Vaste vrijwilliger keek mij aan.
‘Zonder handjes!’ lachte ik.
‘Was idee van bibliothecaresse,’ fluisterde hij. ‘Ze is nieuw.’

Fietste langs boerenerf waar vrouw voorovergebogen onkruid uit grind stond te trekken.
Ik stopte. ‘Mevrouw, mag ik u iets vragen?’
Boerin streek handen af aan werkschort en knikte.
‘Waarom hebben uw buren het ooievaarsnest uit de tuin weggehaald? Er broedden ieder jaar ooievaars.’
‘Stadse lui,’ zei vrouw met afkeurend gezicht. ‘Zijn hier komen wonen voor hun rust. Houden niet van takken, mos, en rommel. Er sprong weleens een kikker uit het nest, of de ouders gooiden een dood jong overboord. Dat is de natuur. Vinden stadse mensen onhygiënisch.’
‘Broedende ooievaars zijn toch een compliment voor je tuin?’ zei ik.
‘Precies! Het zijn zeurpieten. Klaagden dat jonge ooievaars ’s ochtends vroeg piepten omdat ze gevoerd wilden worden. Koeien loeien ’s nachts te hard, en ze hebben een klacht ingediend over geluidsoverlast door melkwagen.’
‘Van de Melkunie?’ vroeg ik ongelovig.
Vrouw knikte, zette handen in zij, keek me aan met een wat-vind-je-daar-nou-van-blik, en zei: ‘Mijn schoonmoeder zaliger zou zeggen: ‘Als je zoveel rust wilt, kun je beter in zes planken onder de grond gaan wonen.’

Fietste langs Loet en zag onderweg Karin naast fiets staan. Woont in dorp. Was vaste klant van mijn groenworkshops en met afstand de gezelligste.
‘Heb je pech of wacht je hier op de intocht van Sinterklaas?’ vroeg ik.
‘Jij zal nik hebben,’ schaterde ze. ‘Mijn accu is leeg. Een uur geleden  was-ie vol –  5 streepjes – en ineens leeg. Dit is mijn tweede accu in twee jaar! Zou iemand erin trappen als ik ‘m terplekke te koop aanbied?’ grapte ze. Serieuzer: ‘Mijn telefoon ligt thuis.’
Reikte haar mijne aan. Haar man is gepensioneerd buschauffeur met heimwee die graag mensen rond rijdt.
Karin gaf telefoon terug. ‘Bedankt. Bert is onderweg.’
‘Weet je dat er een slimme stekker is die de levensduur van je fietsaccu verlengt en oververhitting voorkomt?’ vroeg ik.
‘Heb jij óók een e-bike?’ vroeg Karin enthousiast.
Keek dorpsgenoot aan en zei teleurgesteld: ‘Ik dacht dat wij vrienden waren.’
Karin boog haar hoofd en sprak nederig: ‘Sorry. Hoe kan ik dit nog goedmaken?’
We keken elkaar aan en kregen slappe lach.
Eenmaal in de auto beloofde ze: ‘Ik zal een goed woordje voor je doen bij Sinterklaas!’

Als vrouw wil ik weleens iets anders. Geen andere man maar afwisseling.
Naast onverharde pad lagen allemaal U-bochtjes. Een graspaadje langs bomen, stukje sloot, weer bomen en over graspaadje terug naar pad. Zeven U-bochtjes op een rij.
Meneer sloeg me gade. Spiedde nog eens om en dacht: die vrouw is van het padje.
Hij was niet de enige.
Rosa keek toe. Baas, ik loop vast zachtjes door.
Thuis wachtte tweede verrassing. In Strava-app zag ik een halverwege route klein bibberlijntje. Alsof ik in dronkenschap parcours had afgelegd. En dat terwijl ik sinds eeuwwisseling droog sta!

De brutale vlerk

Keek op de week (224)

Hield op Zaag ineens deurkruk in hand. Terwijl ik verbaasd keek, klapte toegangshek dicht, en viel andere kruk op grond. Buiten armbereik.
Kreeg spontaan verlatingsangst voor deurknoppen.
‘Rosa, zoek een stok!’ spoorde ik hond aan.
Baas, ik heb een bal.
Doe ik het zelf wel weer.
Vond vieze stok – zat nog net geen hondenpoep aan – en schraapte handvat dichterbij.
Deurknoppen terugsteken was plakje cake. Ziezo.
Rosa blafte lang en hard. Baas, kijk eens wat ik heb!
Met incubatietijd van tien minuten had ze tak van twee meter gevonden. Sleurend aan uiteinde sleepte ze ding voort.
Rosa, you’re simply the best. Better than all the rest.

‘Ga even opzij, ik wil een boek pakken,’ zei man in bieb.
Vrouw die voor kast stond, zette verbaasd stappen opzij.
Toen kerel wegliep, zei vrouw verbolgen: ‘Nou ja, de brutale vlerk!’
‘Ik dacht dat hij bij u hoorde,’ zei ik.
‘Vroeg ik vandaag nog scheiding aan!’
Wilde boek registreren en kwam tegelijkertijd met Brutale Vlerk bij pc’s uit. Hij kwam van links. Gaf hem voorrang.
Scande bij rechtse pc mijn bibliotheekpas.
Vlerk ramde 10 x op toetsenbord en riep: ‘Hij doet het niet!’
Daarom hangt er briefje: ‘Deze pc is tijdelijk buiten gebruik.’ Kon het vanuit ooghoek zien hangen.
Hoef doorgaans geen printje van uiterste inleverdatum want wil over week vers boek, maar nu wel. Ik stond erop. Om verspilling van papier en inkt tegen te gaan, moet je eerst uitloggen en apart inloggen.
Printer is niet meer de jongste en het papier liep vast…
Vlerk liep geïrriteerd rondjes.
Mijn dag was weer goed.

Had weer onenigheid met Klaas Vaak (hoezo: váák?) Stapte uit bed, ging naar wc en nam slaappil. Mag er van mezelf na drie slechte nachten eentje innemen.
Lag kwartier in bed en dacht: nu komt het.
Tegelijkertijd zei mijn blaas: Hej, psssssssst.
Hou je mond, wij gaan slapen!
Droomde dat ik met volle blaas moest rennen om laatste bus naar huis te halen. Brug ging open. Reed in auto in file. Weg leek wel parkeerplaats. Zat vast in een lift en in overvolle trein zonder wc. In vliegtuig zonder sanitair. Had parachute willen pakken. Alles om te kunnen piesen.
Goed dat ik droog bleef. Was anders very incontinent person geweest.

Vechtend tegen winterwind fietste ik naar Haastrecht.
Aan overzijde polder stond vrachtauto geparkeerd. Passeerde cabine. Wit bestelbusje reed me tegemoet en dacht: recht van de sterkste, hup, de sloot in met je racefiets.
Krijg de asfaltering, dacht ik. In plaats van naar rechts uit te wijken, reed ik stoïcijns rechtdoor en stak mijn elleboog uit.
Begaan met het lot van zijn buitenspiegel, stopte automobilist pal naast me.
Brutaal trok ik zijn deur op kier. Zag een man van mijn leeftijd, baard van een week en ogen  groot als schoteltjes. Op gedecideerde toon sprak ik: Beleefd is anders, meneer.’
Overdonderd door mijn actie (toegegeven: zelfs ík was onder de indruk van mezelf)  sputterde kerel: ‘Ja maar…’
Smeet deur dicht en als een generaal die een veldslag had gewonnen, fietste ik voort.
Zag plots een zonnende haas in weiland en was automobilist volkomen vergeten.

Foto: Pixabay 5374707 by TheOtherKev

De escape-garage

Keek op de week (217)

Zat in metro.
Student sprak me aan. ‘Dag mevrouw. Een vriend en ik sparen linnen tasjes. Uw tasje hebben we nog niet. Wilt u het ruilen voor andere linnen tas?’
‘Nee, dank je. Tas is cadeautje.’ Van Roos uit Estland.
‘Het is voor een project,’ verduidelijkte student.
Voor mij part was het voor zijn stokoude grootmoedertje. Schudde nee.
‘Kan ik u ergens mee verleiden?’ vroeg student en gooide blonde lok koket achterover.
‘Laat dat maar uit je hoofd.’

‘Richard wilde per se tien kilometer van vliegveld parkeren,’ vertelde vrouw voor zuivelschap in AH tegen vriendin. Ze deed stem en mimiek van haar man na: Weet je wat parkeren op Schiphol kost? Meid, we moesten zelfs een bus nemen,’ verzuchtte vrouw. Er reed niet eens een taxibusje! Zó ver was het. We hadden net zo goed met de bus van huis kunnen gaan. Je weet hoe hij is: ik mag er niks van zeggen. Mijn mening doet er niet toe.’

Verkeersbegeleider bij wegwerkzaamheden tussen Waarder riep met brede glimlach en Turks accent: ‘Deez héél weg izze van jou. Lingz, rechdz. Alle auto’z zaain vandaak wek.’
Wat een verwennerij: een compleet lege weg!
Toetje van fietstocht was spoorwegviaduct Papekop. Die van autoweg is steiler en dieper dan ernaast gelegen fietspad. Wierp me omlaag en trapte omhoog. Bovenaan dacht ik: nog een keer!
Na derde keer passeerde ik zelfde verkeersregelaar. Lachend riep hij: ‘Heb je het heen en weer?’

Jij bent enige in dorp met drie verschillende achternamen,’ zei postbode.
Eindelijk, ik was iemand.
Officiële naam is mijn geboortenaam. Wil ik anoniem zijn, gebruik ik Joris’ achternaam, want daarvan zijn er 16 in een dozijn. Alleen in onze straat wonden zes families met die naam.
Nummer drie: Kakelbont, van mijn blog.
Voor mij part sturen ze post naar Mirjam Rolgordijna (kwartet!) Als ik maar post krijg.

Na afloop van Roos’ kerstconcert met koor Twentysomething liepen Joris en ik naar parkeergarage. Daar binnen geraken, was kunst. Een bijgelovige had dit als voorteken gezien. (Garage sloot 22.00 uur. Telefonisch was ons verzekerd dat later uitrijden mogelijk was.) Parkeerkaart scannen, kenteken intoetsen…niks werkte. Tot ik met kleurterimplus alle icoontjes tegelijk indrukte.
Ruimte rondom betaalautomaat was afgesloten; telefoonnummer op parkeerkaart buiten gebruik. Sta je dan met je goeie gedrag in hartje Rotterdam onder Hofbogen.
‘Dat wordt met een Uber naar huis,’ grapte Joris.
Not, not en nog eens not.
Rondje door garage leverde mij drie nooduitgangen naar straatniveau op die stonken naar zeik. Bij terugkomst zei Joris: ‘Ik hang in de wacht. Nummer van internet.’
Liep naar automaat bij slagboom. Maakte foto, en drukte op belicoontje. Het geluid galmde door ganse garage. ‘Wie het eerst contact krijgt, betaalt garage!’ riep ik.
Na kwartier wachten won Joris. ‘U mag naar uw auto lopen en instappen.’
Joris: ‘En dan? Zal ik aan telefoon blijven?’
‘Nee, dat is van latere zorg.’ Tuut, tuut, tuut.
Bij slagboom voerden we parkeerkaart aan automaat. Te betalen 7,70 euro. Was het zo simpel?
Apparaat spuugde telkens pinpas op grond. Schoftentuig!
Opmerkelijk: in 45 minuten dat wij in garage stonden, zagen wij nul mensen. Eenmaal voor slagboom verschenen drie auto’s. Hadden zij een abonnement?
Raapte pas op, en drukte weer op belicoon. Het duurde en duurde…
Eindelijk: verbinding. ‘We willen parkeergarage uit. Betalen lukt niet.’
Slagboom schoot omhoog.
Binnen een uur ontsnapt!