Keek op de week (65)
Krimpenerwaard knalt uit haar voegen. Grutto’s, kieviten, tureluurs, futen/eenden/ganzen met grut, buizerds, visdiefjes, koeien, kikkers en sinds twee weken gierzwaluwen. Mis nog veldleeuwerik.
Bloemen schieten als paddenstoelen uit grond: koolzaad, orchideeën, smeerwortel, ooievaarsbek, hondsdraf, fluitenkruid….En overal die lege horizon. Ik houd ervan.
Nog geen nieuws op pleisterfront. Alleen dat ik Man heb benoemd tot Hoofd geitenbreier Pleisterplakker.
Schele hoofdpijn. Daar wil je zo snel mogelijk van af. Man krijgt hoofdpijn door nekklachten. Vertikt het naar huisarts of fysio te gaan. Heeft wel 267 verschillende kussens uitgeprobeerd.
Joris zat op vaste thuiswerkdag met zijn trouwe hondenogen in bleek smoelwerk in elkaar gedoken achter laptop te werken. Met zo’n houding houd je klachten in stand.
Kreeg eruptie van idee.
‘Zet iets onder je laptop. Als-ie hoger staat, staat je nek recht en heb je minder last.’
Idee stond hem aan. ‘Een schoenendoos?’ opperde Man.
‘Wijnkistje,’ stelde ik voor en liep naar zolder.
Rest van dag werkte Joris met twee flessen rode wijn onder handbereik. Gelukkiger krijg je hem niet.
Liep rondje met Rosa en zag in tuin kleine gevallen vrouw liggen. In impuls bukte ik en takelde kaboutervrouwtje overeind.
Hoorde getik op raam. Vrouw erachter schudde bestraffend met wijsvinger.
‘Ik zet alleen uw kabouter rechtop,’ riep ik.
Bewoonster was niet in staat van privilege te genieten en bleef zwaaien met vinger. Snapte vrouw niet: 24/7 met kaboutersnoet in zwarte aarde liggen is toch geen leven? Snapte mezelf ook niet. Bukte weer en duwde kaboutervrouw omver. Keek tel naar haar echtgenoot en gooide hem óók omver. Voelde goed.
Negeerde getik op vensterraam en liep weg.
Baas?
‘Ja, Rosa.’
Ik weet wat grote baas gaat zeggen als hij dit hoort.
‘Maar grote baas hoort het van niemand want wie geeft jouw tweemaal daags eten?’
Kon het me verbeelden maar Hond leek te knikken.
‘Mevrou-houw! Weet u hoe laat het is?’ Jongetje van jaar of zeven holde me tegemoet. Zijn viskoffer bonkte tegen z’n been. Met een schuin oog keek hij naar Rosa. Achter hem wachtten twee vriendjes – gewapend met vishengels – op antwoord.
‘Tien voor vijf,’ zei ik, en stopte mobiel terug in kontzak.
‘Tien voor vijf!’ klonk het uit drie kelen. Vrienden keken elkaar gealarmeerd aan.
‘Komen we te laat thuis. Mag ik vanavond niet buitenspelen,’ zuchtte blondste.
Kleinste zei op toon alsof doodstraf nabij was: ‘Kunnen we geen voetbal-diefie doen.’
Ik begreep: dit was volwassen leed in kleine dop. ‘Waar wonen jullie?’ vroeg ik.
Viskoffer noemde een straat.
‘Willen jullie meerijden? Mijn auto staat daar.’
Opgetogen over zoiets kleins begonnen jongens te springen. Hun avond was gered!
Bij mij sloeg ineens twijfel toe. ‘Wat vinden jullie moeders ervan als je met vreemde vrouw meerijdt?’
‘Nou ja!’ riep kleinste fel. ‘Ik ken die hond, hoor! Dat is Rosa! Die woont bij mij om de hoek!’
Viel zowat steil achterover van verbazing. Beslissing was snel gemaakt: ‘Voorwaarts mars, mannen! Zal ik helpen sjouwen met viskoffer?’
Dat liever niet.
Verstandig. Voor je het weet ligt voorraad dobbers en simmetjes op grond.