Keek op de week (50)
Joris, Roos en ik betraden oude sodafabriek. Het pand van eind 19e eeuw – waar fotografen camera’s te kort komen – was een feest.
En koud! Maar binnen moesten onze hersenen zo hard werken dat we kou vergaten.
Wij – drie volwassenen in bezit van volledig verstand – lieten ons vrijwillig en tegen betaling, een uur opsluiten voor zinloze maar onweerstaanbare bezigheid. Opdracht: zoek de ketting die een zielig meisje bevrijdt uit klauwen van Dracula.
Alles draaide om cijfers en codes. Code op juiste kistje leverde nieuw spel-onderdeel op: een legpuzzel, sudoku, vreemdsoortige letters, XVI “vertalen” in vier cijfers, geurzakjes determineren en veel, veel raadsels oplossen, zoals:
1) Ik kan niet zonder zuurstof maar heb geen longen
2) De maker wil het niet houden. De koper wil het niet hebben. Degene die het krijgt, weet het niet.
De minuten tikten weg…
Uiteindelijk leverden al onze inspanningen één vreemd woord op. Een woord met te veel letters om slot van doodskist van Dracula te openen. Roos had ergens woordenboek gezien en zocht vertaling: ‘Steen!’
In doodskist naast Dracula lag ketting met daaraan een sleutel.
Nog 1 minuut en 39 seconden…
Sleutel paste in enig overgebleven niet-gekraakte kleine kast. Deur open, tuinmeubelhoes viel naar buiten en daar was het ontsnappingsluik. Op het nippertje!
Joris en ik waren het volgende dag met elkaar eens: zonder Roos zaten we nóg opgesloten in escaperoom. Zij heeft aangeboren intellect en overzicht dat wij ontberen.
Ging met lekkende laarzen naar schoenenwinkel.
‘Heb deze pas laten verzolen maar ze laten los.’
Verkoopstertje keek naar zolen die erbij hingen als natte kranten, en zei met hardgrondige desinteresse: ‘Tja…ze zijn gelijmd. U hebt er zeker mee in de regen gelopen?’
‘Mensen met regenlaarzen doen dat vaker,’ bekende ik.
‘Dáár komt het dus door. Ik denk niet dat ze nog gemaakt kunnen worden.’
‘Denk dan nog eens opnieuw,’ moedigde ik haar aan.
Verkoopster toonde gelaatsuitdrukking van iemand voor wie denken tegennatuurlijk is.
‘Mag ik je bazin even spreken?’ vroeg ik.
‘Die is er vrijdag pas weer,’ klonk het kortaf.
‘Prima. Tot vrijdag!’
‘Wat een herrie van jewelste bij jullie. Is iemand de woonkamer aan het verbouwen?’ vroeg Opa Kakelbont door de telefoon.
‘Nee, dat is Saar. Die wil een groen blaadje, en dat laat ze weten door haar lege schoteltje heen en weer te smijten op de parketvloer.’
‘Sjonge, jonge, het zal je huisdier maar zijn.’
Stiekem vindt Opa Saar wel lief, want mevrouw Konijn staat kwispelstaartend naast Rosa om Opa bij binnenkomst te begroeten.
Zocht plekje midden in de polder want het was weer zo ver.
Jas omhoog, vest en T-shirt ook. Ha, daar waren knoop en rits van m’n spijkerbroek.
Pssssssssssssssst.
Klaar.
Daarna alles weer ophijsen.
Dacht ik klaar te zijn, bolde jas vreemd op. Was geen gezicht. Alles weer omhoog. Bleken franjes van vest in m’n spijkerbroek te zitten. Ik rukte en trok…
‘Hebbie de kouwe pies?’ hoorde ik vrouwenstem vragen. Keek in gezicht van Verschrikkelijke Sneeuwvrouw. Haar strak getrokken capuchon, jas, skibroek en laarzen waren volledig besneeuwd. Ze was in prettige gezelschap van twee labradors.
Mijn schaamte kende grenzen: met Roos’ Laplandmuts was ik zo goed als onherkenbaar.
‘Ik heb hier ook m’n vaste plekjes, hoor,’ sprak ze geruststellend.
Sneeuwvrouw bleek veel minder verschrikkelijk dan ik dacht.