Keek op de week (30)
Het was dringen bij kaaskraam op de markt. Moeder zei tegen kleine jongen: ‘Ga wat lekkers kopen bij stroopwafelkraam,’ en stopte geld in z’n knuistjes.
‘Waar dan, mam?’
‘Aan de overkant. Daar, achter het boord in de hoek,’ wees ze.
Ventje deed paar stappen en bleef weifelend staan. Keek naar overkant van markt alsof het overkant van de wereld was.
Ik liep naar ‘m toe en vroeg: ‘Zal ik met je meelopen?’
Ventje hield acuut handen met grijpstuiver op z’n rug. Was deze stokoude vrouw de heks van Hans en Grietje? Of wilde ik alleen z’n geld afpakken?
‘Je hoeft me geen hand te geven. Loop gewoon mee,’ stelde ik voor.
Knaapje knikte kort. De lefgozert.
Bij stroopwafelkraam was het opstellen in rijen van vier. Laveerde jongen tussen volwassenen door, zette ‘m pal voor neus van bakker en zei: ‘Deze kerel heeft ont-zet-ten-de trek. Mag hij voor één keer voor?’
Dat mocht.
Zoiets fijns meegemaakt. Mijn vingers staan in brand het te vertellen. Mijn boek was uitverkocht en heb derde druk besteld! Helaas geen herziende uitgave dus lezers zullen het met foute nummering in inhoudsopgave moeten blijven doen.
Sinds maart loopt Roos drie dagen per weer stage in Haarlem. Onder mom: wat je ver zoekt, is lekker.
’s Ochtends 5.45 uur jaagt Man haar met vleesvork uit bed.
06.15 rijden ze weg.
Kind ontbijt en doet make-up in auto. Pakt in Den-Haag trein naar Schiphol, stapt aldaar over op andere trein en vervolgens met bus naar eindbestemming.
Is laaiend enthousiast over bedrijf, “collega’s” en werkplek, maar man, man, die terugreis met OV naar huis.…
Zaterdag vroeg op om naar haar werk te gaan.
‘Ben je moe?’ vroeg ik ’s middags, kijkend naar haar wallen.
Wie? Zij? Huh! Ze ging boven even sporten. Kon dat nog voor het eten?
Welja, tijd zat.
Wat was het stil…Ik ging eens kijken.
Ach gut, was ze onderweg naar de zolder gestruikeld over ons bed en erop in slaap gevallen.
Hing gemoedelijk tegen Lief aan op bank met voeten op tafel. Op tv bewoog de toestand van de wereld.
‘Wat heb jij aan?’ vroeg Joris.
‘Kleren,’ zei ik.
Man, narrig: ‘Wat zit daar?’ en wees met wijsvinger.
Wist wat hij bedoelde maar deed of ik gek was.
Joris’ drukte wijsvinger in mijn linkerknie. ‘Een! Gat! In dit huis geen spijkerbroek met gaten!’
‘O, en jouw klusbroek dan,’ hoonde Kind vanaf de canapé. ‘Daar komt heel je knie doorheen!’
‘Daarvoor is het een klusbroek,’ kaatste Man.
‘Ha! Dus je geeft het toe!’ riep Roos voldaan.
Trots sprak ik: ‘Schat, mensen kopen spijkerbroeken met twee sneden op de knie alsof ze allemaal hetzelfde ongeluk hebben gehad. Dit gat is pure slijtage.’
Joris verloor belangstelling voor journaal. Jutte Rosa op: ‘Kom, we gaan naar buiten!’
Rosa trok één oog open en liet het onmiddellijk dichtvallen.
‘Wat een huishouden. Echt nie-mand luistert naar me,’ bromde Joris.
‘Is toch nooit anders geweest?’ wreef Kind erin.
‘Waarom zijn jullie het altijd met elkaar eens?’ informeerde Man.
‘Simpel,’ zei Roos, ‘omdat we altijd gelijk hebben.’