Keek op de week (205)

Vinkeveen
Voelde in Vinkeveen steek in mijn voet. Op wreef – tussen sok en fietsschoen – zat een wesp. Steekbeest siste: Ik zat klem!
‘Sukkel, je bent er zelf gaan zitten,’ zei ik en piekte beest weg. Trok voet omhoog uit pedaal, en schoof sok opzij. Met andere voet trapte ik verder. (Later als ik groot ben, ga ik bij het circus.) Zag geen angel. Geen angel, geen stress, geen stop.
Tankte twee uur later melk in Oudewater. Eerst brandde mijn voet maar inmiddels jeukte-ie als de hel. Over hele voet behalve op steekplek.
Twee dagen later nóg. (Jankerd!) Ken geen jaloezie, doch voelde steek van afgunst. Zou dergelijk effect ook weleens op mens willen hebben.
Tussen twee wildroosters zag het zwartwit van koeien. Begrijpelijk, want dat was enige schaduwplek. Vrouw op scooter accepteerde haar lot en keek gelaten op telefoon. Achter me snerpte vrouw op e-bike: ‘Herman, er staan allemaal koeien!’ Haar man zweeg.
‘Dag melkmeiden,’ sprak ik koeien toe. ‘Mag ik er even langs? Ik doe jullie geen kwaad,’ en stepte ietsjepietsje dichterbij.
Dit zou toffe foto opleveren! Vanwege mijn onhandigheid liet ik dat wel uit mijn hoofd.
Was weldra middelpunt van luidruchtig gesnuif. Als er nou maar geen een begon te piesen. Fleemde tegen rund: ‘Wil jij met je beeldschone derrière een stukje naar rechts gaan staan?’
Heb aan 42 cm genoeg want dat is breedte van mijn schouders en stuur.
Koe en ik keken elkaar aan, en werkelijk, wij connectten. Rund loeide vriendschappelijk in mijn gezicht – waarbij ik gras tussen haar kiezen zag zitten – en stapte opzij. Eenmaal erlangs stapte koe weer terug.
Achter me snerpte vrouw: ‘Herman, koeien zijn gevaarlijke beesten! Hoe moet dat nou?’
Wachten tot het melktijd wordt?
Wachtte bij notenkraam op markt. Naast mij stonden twee vrouwen. Een vertelde: ‘Anton heeft mijn voorouders uitgezocht en ik blijk van adellijke afkomst.’ Spreekster knikte zijdelings naar kennis van: dringt de omvang van dit bericht tot je door? Ze vervolgde: ‘Weet je, dat vermoeden heb ik altijd gehad. In kastelen en paleizen voel ik een affectie met de grandeur. Ik ben daar thuis, begrijp je?’
Marktkoopman en ik blikten elkaar kort in ogen. Hadden we dat maar niet gedaan. We draaiden onze ruggen naar vrouwen toe. Schuddend van het ingehouden lachen.
Toen vrouwen verdwenen waren, zei ik: ‘Had nou je saxofoon maar meegenomen. Dan had je die halve freule omver kunnen blazen.’
‘Tegen zoveel poeha is weinig opgewassen.’
Op strandje langs Nieuwe Maas zat vrouw met jongetje. Een bal dreef in het water.
‘Zal ik de bal naar je toe gooien?’ vroeg ik ventje.
‘Jij moet met je handen van mijn bal afblijven!’
Het was afgaand tij. ‘Als er een boot langs vaart, raak je ‘m misschien kwijt…’
Vrouw riep: ‘Hoe durf jij je te bemoeien met mijn zoon!’
Weet ik veel. Omdat er diep vanbinnen een sprankje goedheid in me zit? Maakt niet uit, bewaar ik dat voor een andere keer.
Rosa zwom en zwom. Meeuwen joegen over het onstuimige water. Er gebeurde zoiets fijns. Binnenvaartschip beladen met zand voer voorbij, terwijl Waterbus langszij stoof.
Hield Rosa op droge. Nadat hoogste golven zich aan land hadden gestort, maakte water terugtrekkende beweging en zoog voetbal mee.
‘Mijn bal! Mijn bal!’ schreeuwde het jongetje.
Moeder veerde op. ‘Hallo! Hallo jij daar met je hond! Kan jouw hond die bal terugbrengen?’
In je dromen!








