Hogere sferen

‘Ik ben 42 jaar getrouwd geweest,’ zegt de man naast me.
‘Dan zult u haar wel missen,’ is mijn reactie.
‘Ze is bij me weggegaan,’ bekent hij plompverloren.
‘O,’ zeg ik. Meer komt er niet uit. Met deze mogelijkheid had ik namelijk geen rekening gehouden.
De man heeft een doorgroefd gelaat, een scherpe neus waaruit een bosje borstelige haren hangt en een zuurstofslangetje in zit,  en gemoedelijke ogen.
‘Dat komt…,’ vervolgt hij, ‘…omdat ik die beroerte gehad heb’. Zijn arm maakt een wijds gebaar naar zijn scootmobiel die van alle gemakken is voorzien: een boodschappenrek, een warme deken, twee zuurstofflessen achterop, en een zitplaats voor een bijrijder.
‘De dokter in het ziekenhuis zei dat het niet meer goed zou komen…ze had geen zin de rest van mijn leven voor me te zorgen…drie dagen later was ze weg.’ Hij grijnst verlegen. Ik knik alsof ik het begrijp, maar ik wil ’t niet begrijpen.

We zwijgen een tijdje. Ik vraag me af waarom deze plek aan het water altijd uitnodigt tot diepe, persoonlijke gesprekken. Is het ’t uitzicht, het klotsende water, de regelmaat van de pont?

‘Ik wou maar dat Onze Lieve Heer me kwam halen,’ doorbreekt hij de stilte. ‘Niet dat ik in de hemel kom,’ vervolgt hij moedeloos.
‘Waarom niet,’ vraag ik verontwaardigd, ‘bent u zo’n slecht mens dan?’
‘Nou… sinds ik niet meer in de zwarte-kousen-kerk kom, heeft mijn familie me laten vallen.’
‘God heeft de regels van de kerk niet gemaakt,’ zeg ik, ‘dat hebben mensen gedaan. Wedden dat ik u later tegenkom in het voorportaal,’ knipoog ik naar hem.
‘U komt er ook niet binnen?’ Hij glimlacht alsof hij het antwoord al weet. Ik schud  mijn hoofd.
‘Wat hebben we in de hemel te zoeken als ie volzit met alleen maar brave hendriken vol zorgwekkende vroomheid?’ concludeer ik. De man lacht hardop, en geeft me een schouderklop. Zijn ogen twinkelen. Ik sta op, want ik kan naar de overkant.
‘Tot ziens,’ grapt de man, ‘en bedankt!’, roept hij erachteraan.Wat een snel tevreden man; ik heb alleen maar geluisterd.

Roze papiertje

Roos is zestien en de wereld ligt aan haar voeten. Tenminste…als ze haar rijbewijs zou hebben. Dus of ze dat nu direct, meteen, en onmiddellijk even kan gaan halen?  Verlangend blikt ze haar vader en mij aan. Wij hollen terstond naar onze laptops om de dichtsbijzijnde rijschool te zoeken.
NOT.
In plaats daarvan trekken we onze wenkbrauwen op.
Nou kijk, vervolgt ze haastig, dat ze niks mag, zullen we haar niet horen zeggen hoor, maar om nou te zeggen dat ze alles mag…

Ik krijg zowat een hartzwakte van nijd, en noem haar uitstapjes en feestjes van de afgelopen tijd op. Maar goed dat ze naar school gaat; kan ze daar tot rust komen.
Puh! Was ze laatst van dat ene feestje niet precies op tijd thuis?
Ja, omdat ik gedreigd had haar te komen hálen, en ik elke feestganger persoonlijk een hand zou hebben gegeven.Roos kan debatteren tot ze een ons weegt, pruilen tot ze erbij neervalt, het antwoord blijft nee.
Met ogen die vuurspuwen kijkt ze me aan. Ze wil het, ze wil het, ze WIL het!

‘Okeej,’ zegt  Man onverwacht.
Kind is mijn bestaan vergeten en heeft enkel nog oog en oor voor haar vaders lippen. Ze hang eraan.
Hij kijkt haar aan en zegt: ‘Jij mag in de grote vakantie rijlessen gaan nemen…,’ Kinds ogen worden zo groot als ontbijtbordjes ‘….als…,’ houdt-ie de spanning erin, ‘als……je profielwerkstuk af is.’
Vol ongeloof kijkt ze haar vader aan. Hoe kan hij zó harteloos, koud, onderkoeld en meedogenloos hard zijn?

Is ie soms van lotje? Ze moet minimaal 120 uur tijd aan dat PWS besteden! Haar vader plettert van het ene op het andere moment met een rotknal van zijn sokkel af.
‘Ben je er in de zesde klas vanaf,’ concludeert Man nog nuchter. Roos hoort ‘m al niet meer. Met schuddende vuisten en bijpassende verwensingen loopt ze met veel kabaal en onder het roepen van ‘Kinderarbeid’ de kamer uit. Lief en ik besluiten dat het beter is om hier de rest van haar leven maar geen grappen over te maken.
Sindsdien is het stil aan het rijlesfront.

 

Juweeltje…

Dit juweeltje is te mooi om in mijn reacties te laten staan.
Alleen de titel al… Lefjef bedankt! 

Einde-lijk

ze leefden als paar tot het einde naast elkaar
de man
was een tiran
na zijn dood ging de hemel open…voor haar

Wokken

Lief heeft een hoog cholesterolgehalte. Niks nijpend maar toch… We eten al reuze verstandig, dus waar valt nog winst uit te halen? Ik dacht: laat ik eens gaan wokken. Man kocht de pan en ik de ingredienten. Recepten genoeg, maar Kind en ik moeten er ook van mee-eten en daar wrikken onze teenslippers: allebei heetgebakerd maar een afkeer van gepeperd eten. Deze keer zou ik echter niet moeilijk doen over knoflook, gember en pepers, maar als een volwassen vent mijn bord leegeten.

Tijdens de bereiding, loerde Kind angstvallig in de pan. Die kleine rode ringetjes hè, dat is toch dat rode tuig waar je lippen van in brand vliegen en naar buiten toe omkrullen? Om over je tong maar te zwijgen. Ik moest haar gelijk geven: het eten rook pittig, en ik begon al spijt te krijgen van mijn stoere voornemen. Ik hield Bella een stukje voor. Ze snuffelde eraan en trok haar neus op: vreet dat zelf maar op. Dat gaf te denken, want Mevrouw Konijn lust alles, zelfs hulstblaadjes en distels.

Wij gingen aan tafel. Man proefde even, deed er nog wat likken sambal door, en viel verlekkerd aan. Kind en ik namen voorzichtig een hap.

Ha-ha-héét! We keken elkaar aan en dachten hetzelfde: op de verpakking van het zakje saus had “mild” gestaan. Dat was absoluut een grove leugen! Echt, Kind en ik deden ontzettend ons best, maar al naar enkele happen kregen we een loopneus, en stonden de tranen in onze ogen.

Ik proefde zelfs geen groente of vlees meer, voelde alleen maar felle prikken op mijn tong. Alsof ik in een egel beet. In paniek pakte ik het glas cola, hing mijn tong erin en dronk gulzig het glas leeg. Kind krijste dramatisch, duwde haar stoel achteruit, en vloog naar de keuken, waar ze haar tong onder de stromende kraan hing. We hoefden niet met haar naar het brandwondencentrum, maar de rest van de avond zag ze er wel verhit uit, en had ze een verschroeiende dorst.
Met Man heb ik een pittig gesprek gevoerden sindsdien eten we milder.

Jeugd

Ik sta op de pont. Ergens tegen een uur of drie ’s middags. Het waait debiel hard en de boot ligt dwars in het water om een containerschip voorrang te verlenen. Best lekker dat onstuimige gedein; doet me aan het schip in de Efteling denken.

Zeven pubers kluwen samen in een hoekje. De langste torent binkerig boven de rest uit. Eén jongen is duidelijk de klos: zes voorwielen bonken tegen de zijkant van zijn fiets. Een meisje probeert het stuur uit zijn handen te trekken, en een tweede  rochelt op zijn schoen. Het slachtoffer kijkt niet blij. Zijn rug lijkt in te zakken onder het gewicht van het gepest. Hij knipt onzeker druppels weg, onderneemt geen poging iets te zeggen, en kijkt wat onzeker naar mij.

Ik ben op voorhand geirriteerd als ik oneerlijke geduw en getrek zie, maar zes pubers…hoe krijg je die aan het lachen? Ik ga het proberen.
‘Hé! Nokken jongens! Anders gooi ik jullie fietsen over de reling!’ Er staat zoveel wind, ik schreeuw bijna mijn keel uit de kom. Hoongelach stijgt op uit zes monden. Logisch. Met een beetje geluk – als ik de deining meeheb – kan ik wellicht één fiets in de Lek gooien, laat staan zes.
‘Wel als jullie me er even bij helpen. Dit is de kans om je spierballen te laten zien!’ Ze lachen nu nóg harder.
Een bijdehandje zegt: ‘Dat vindt mijn moeder vast niet leuk, mevrouw.’
‘Vindt je moeder het wel leuk als je iemand pest?’ vraag ik.
Hij overweegt een antwoord, maar haalt in plaats daarvan zijn schouders op.
Toch lijkt de lol van het pesten er een beetje af.
Het slachtoffer grijpt een pakje kauwgom achter een rits vandaan.
‘Lekker,’ zegt Bijdehandje.
Bijtende honden kun je beter maar te vriend houden, dus deelt het slachtoffer uit. Het snoep valt in de smaak. Kauwend wacht het clubje op de overkant.

De pont schuift aan wal en de bomen zwaaien open.
‘Hé, mevrouw!’ roept Bijdehandje. Nu gaat-ie iets onaardigs zeggen, weet ik, of zijn middelvinger naar me opsteken. Had ik me er maar niet mee moeten bemoeien, maar ik kan nou eenmaal niet niks doen.
‘Het was wel een goeie grap,’ grinnikt hij. ‘U bent net zo gek als m’n moeder.’ Hij geeft me nog een knipoog toe ook. Ik val bijna flauw.
De jeugd van tegenwoordig…ze blijft me verbazen.