Hij kan niet praten, maar zijn lichaamstaal spreekt boekdelen. Grumpy verschanst hij zich in het nachthok met zijn dikke kont naar mij toe. Elke vezel in hem protesteert om dat verrekte reismandje weer in te moeten.
Op de passagiersstoel stampt hij in één keer alle strootjes door de auto heen. Het stof zit in mijn nek. Wacht maar, straks piept hij wel anders.
Waar oh waar zit de dierenarts? De operatie gebeurt in een andere plaats dan waar we op spreekuur geweest zijn, en ik zoek me het schompes. Ik klamp een vriendelijke ogende jongeman aan. ‘English, please,’ zegt hij, en laat er onmiddellijk op volgen: ‘This is mij first day in Holland!’ Trots wijst hij naar een groot pand recht voor m’n neus. Grote foto’s van dieren sieren de ramen en er staat met koeien van letters “dierenkliniek” op het gebouw. Ik zou toch zweren dat dat pand er de net nog niet stond!
Heb ik ff mazzel: er is nog precies één parkeerplaatsje vrij, en kijk, een spoor van hondendrollen leidt recht naar de ingang. Precies op tijd meld ik me bij de balie en geef Bobo af. ‘Dag vent,’ zeg ik, ‘flink zijn, tandjes op elkaar, en waag het eens om niet meer wakker te worden.’
Terug bij de auto schaam ik me dood. De laatste opengebleven lege plek die ik dacht te zien, is geen parkeerplaats maar de ingang naar de praktijk. Misschien moet ik toch maar meer peentjes gaan eten.
Half drie rinkelt de landlijn en zegt de assistente dat ik Bobo op mag komen halen.
Heb jij weleens een konijn een joint zien roken? Ik ook niet, maar zo kijkt Bobo wel uit zijn ogen. Stoned als een garnaal loenst hij door de tralies van de reismand, en bij elke bocht slingert hij zeeziek heen en weer. Als troost fluistert Kind lieve woordjes in zijn oor. De ouwe rakker heeft de gebitsbehandeling grootmoedig ondergaan. Hij is een tand en meneer Kakelbont een rib armer…