Uit de brand

Bij daglicht is de schade goed te zien: de hele achterpui is zo goed als verbrand; alles in huis is zeiknat en ligt onder de bagger; het door mijn vader gelegde parket ligt kromgetrokken op de vloer;  de koelkast is gesmolten; vlammen hebben aan de keukenkastjes gelikt en alles, werkelijk alles, is zwart en beroet.

 

Van de schuur is niets over. Ergens op de grond liggen twee verkoolde lijfjes.
‘Hebben jullie ruzie met iemand?’ vraagt een brandweerman belangstellend. ‘Of vijanden?’  
‘Wie? Wij?’  
‘Er is namelijk sprake van brandstichting,’verklaart hij.
Brandstichting? Bij dat woord schieten rode vlekken in mijn nek.
‘Ja, de dader heeft het konijnenhok aangestoken.’
’Het konijnenhok…?’ Ik word overweldigd door een vreselijke woede. Over vijanden gesproken: als we er ooit achter komen wie dit gedaan heeft…

 

‘Wil je weer terug in dit huis of iets nieuws kopen?’ vraagt Lief. Ik snap wel waarom. Ik doe ’s nachts al geen oog dicht, als ik dan ook nog wakker ga liggen over een  eventuele volgende brand…Maar ik laat me door zo’n hufterige pyromaan mijn huis niet uitpesten. Of Man moet iets anders willen? ’Het is jouw huis,’ zegt ie. Klopt, maar over een maand trouwen we in consumptie van goederen, dus waar hebben we ’t dan over? Twee zielen, één gedachte: opknappen dan verbrande krot!

 

Terwijl wij een week op huwelijksreis naar Gozo gaan, wordt de  nieuwe pui getimmerd. Een geruststellende gedachte, zeker omdat de baas himself de maat opnam, “zodat het goed gebeurt.” Ja,ja, wat denk je…? Je mag noooit meer raden.  

 

De verzekeringsagent haalt het bloed onder onze uitstekend verzekerde nagels vandaan. Hij spreekt twaalf woorden die wij never zullen vergeten: ‘Je moet maar zo denken: van een brand word je niet slechter.’ Ik ontwikkel terplekke een onverzettelijkheid om koffie voor hem in te schenken, om over zoete koekjes maar te zwijgen.  

 

Was er dan werkelijk geen enkele reden voor optimisme? JA! Doordat ik slapeloos op de bank hing, hebben we elkaar nog. Alle foto’s waren tijdig veiliggesteld. En boven alles: in nood leer je je vrienden kennen. Wat waar woord! We bivakkeerden “zorgeloos” drie maanden bij mijn ouders op zolder; vrienden brachten ongevraagd logeerbedden;  Miepie doneerde spontaan haar cd-speler; Broea brandde onvermoeibaar cd’tjes; van collega’s kregen we een dinerbon; een lieve tante kocht speciaal voor ons het warenhuis tijdens drie dwaze dagen leeg; en behalve geestelijke bijstand hebben we massa’s kaarten en bloemen gehad.  

 

Van de dader ontbreekt elk spoor. Hopelijk ligt ie op het kerkhof.

 

Ons kanariepietje heeft de tweede ochtend na de brand niet gehaald. Van het ene op het andere moment viel hij van zijn stokje. Dood. En hij kon nog wel zijn eigen naam zeggen: Piet. 

Oma aan de top

Ze ziet zo wit, dat je niet ziet waar haar hoofd ophoudt en het kussen begint. Haar gezicht is getekend door zwarte randen onder haar ogen, en de kilo’s die ze thuis zo naarstig probeerde af te vallen, raakt ze in het ziekenhuis met het grootste gemak kwijt. Ze heeft out of bed hair, maar dan van heel de dag in bed liggen. Maar zodra ze Kind ziet, straalt ze. Kind geeft haar een dikke pakkerd en houdt haar hand vast. Ik omhels haar.

Dat Schoonmama me zo dierbaar is geworden na die moeizame beginjaren. Zij vond mij een spring-in-‘t-veld die drastisch gesnoeid en in een korset gehesen moest worden. Ik vond haar oerdegelijk saai. Alsof ik na 10 km hardlopen moest ademhalen door een rietje. Volgens haar was ik totaal ongeschikt voor haar Jongste, maar tegen liefde is geen kruid gewassen. Na de komst van Kind werd de sfeer luchtiger. Gelijk een koekoeksjong vrat ze Oma’s fruithapjes – nog niet gehinderd door een allergische aanval van zoveel verse vruchten – en Opa speelde Wildemannetje en Jan Huigen. Als dank kregen ze  harde boeren, spuitluiers en natte zoenen.

 Ik kijk Schoonmama in de ogen en zie verdriet. Onpeilbaar verdriet. De kanker heeft zich een weg door haar lichaam gevreten, woekert rond in vitale organen en neemt pats! boem! heel de regie over.  Ze is flink. Als het haar tijd is, zegt ze, dan gaat ze, klaar. Daar doet zij niet moeilijk over en dat moeten wij ook niet doen. Ze is 81 en telt haar zegeningen: ze  heeft een lieve  man gehad, kreeg twee gezonde zoons en vier gezonde kleinkinderen, maar  wat zou ze graag terug willen naar haar huisje.

We proberen haar te verleiden met lekkers. Wat zullen we de volgende keer voor haar meenemen? Kaakjes, drop, chocola, kaasstengels, spritskoeken, appeltaart met slagroom, een glaasje boerenjongens…? Ze bedankt voor elke traktatie: niets smaakt haar meer.

Het bezoekuur is snel voorbij. Hier, zegt Oma tegen Kind, neem nog een handje drop mee voor onderweg, en niet op de verhoging van de pont gaan staan hè, want die is glad en dat met deze harde wind. We zeggen gedag, een laatste zoen. Zwaaien. Kind holt halverwege de gang nog terug voor het geven van een kushand. Kom, wenkt ze mij. Ik kom. Kijk, Oma heeft haar ogen al dicht. Ze is moe geworden van ons bezoekje. Mijn hart huilt.

Lief portret

‘Oh, wat is dat voor foto?’ vraagt Kind. Terwijl ze het zegt, grist ze ‘m van het kastje en bekijkt ‘m in haar handen. Ademloos bestudeert ze het portret. Is het een foto van een gestorven favoriet huisdier? Nee, ’t is een persoon. Een popidool dan? Zoiemand als Justin Puber? Niet helemaal.

‘Deez is al oud zeker,’ zegt ze.
‘Ja, 1600 Slag bij Nieuwpoort,’ zeg ik, ‘vèr voordat jij geboren werd. Om precies te zijn één jaar.’
Ze knikt. Tevreden met het antwoord zegt ze: ‘de foto is nu van mij. Ik zet ‘m op mijn kamer.’ Ze vraagt het niet, ze deelt het alleen mee. Ze draagt de persoon op de foto op handen naar haar kamer. Nu staat ie op haar bureau en ze is er als een kind zo blij mee.

Een foto van haar vader uit 1995.

Rocheljoch

 

Ziedend is ze. Van pure nijd praat ze met consumptie. ‘Wat een knul uit een andere klas geflikt heeft!’ Ze ritst haar jas open, smijt ‘m op de grond en geeft er nog net geen trap tegen. ‘Yak! Na schooltijd heeft ie zomaar op MIJN jas gerocheld! Ik weet niet hoe hij heet, maar daar kom ik dus nog wel achter.’ Nijdig balt ze haar vuisten. ‘En weet je wat die loser nog meer deed? Hij zong: ‘Ginger, er zit een vieze rochel op je jas, hihaho.’Lachen joh…hij en z’n vrienden.’ Dat “Ginger” interesseert Kind geen fluit; op school loopt er maar een met haar haarkleur rond, en dat vindt zij niet meer dan praktisch. Maar die rochel…Zij blaast nog stoom af en ik gooi haar jas in de automaat. Dat was dat.

Ja, dat had je gedacht! Okee, vergelijk het met het leed in de wereld en het spuugincident verdwijnt in het niets, maar moet je dan alles van die smerige keeshond maar pikken? Kind is nijdig tot in haar knieholten. ‘Als ik er niks van zeg, doet ie ’t de volgende keer weer.’ Maandag gaat zij het pesterijtje melden bij haar mentor.

Op school zal ze worden uitgenodigd voor een gesprek met de rochelaar, die we voor het gemak even Sander noemen. Kind moet Sander uitleggen wat ze vervelend vond aan dat spugen, en wat ze erbij voelde. Maandagavond  tijdens het diner (kuch) meldt Kind dat ze tegen dat gesprek op ziet. ‘Je zegt dat je het ongewoon smerig vond,’ adviseert Man, ‘en als ie ’t nog een tweede keer doet, zal ik hem het ziekenhuis in slaan.‘ Man en slaan…laat ik me daar nou niks bij voor kunnen stellen. ‘En daarna sleur ik ‘m door het slijk,’ doe ik een duit in het zakje (laat ik me daar nou wel iets bij voor kunnen stellen.) ‘Wat als Sander zegt dat ik een aansteller ben?’ ‘Dan vraag je hoe hij het zou vinden als jij op zijn jas rochelt.’ ‘Dan zegt hij, wat kan mij dat nou schelen?’ ‘Haal je jas maar even, zeg jij dan, dan spuug ik er een groene klodder op. ‘Ja, dát ga ik dus niet doen hè,  op iemands jas spugen,’ zegt Ginger verbolgen.

Ze heeft nog gelijk ook. Stiekem ben ik een beetje trots op haar. Kwaad met kwaad vergelden werkt niet. Ach, Man en ik lieten ons even meeslepen door het verhaal, zeg maar. ‘Zet je fiets op ‘t schoolplein goed in ’t zicht van de camera’s, zodat S. die  niet kan mollen, en blijf uit zijn buurt,’adviseert Man.

Twee dagen later vertelt ze triomfantelijk dat ‘t gesprek niet doorgaat. Sander heeft een zeurverhaal opgehangen dat hij niets gedaan heeft en dat zij – Kind – alles gelogen heeft. ‘Maar Suzanne, die bij dat spugen was, heeft een briefje geschreven dat ze alles gezien en gehoord heeft. Goed hè?’ Ze loopt bijna over van trots voor haar vriendin. ‘Pfff, uit welk ei komt die gozer?’ Opgelucht haalt ze adem. Achteloos zegt ze: ‘Nu wordt hij voor één dag geschorst.’ ‘Oh,’ begin ik sarcastisch, ‘mag meneer voor straf één dagje thuis blijven?’ ‘Nee…‘ zegt Kind, ‘hij moet voor straf in de lerarenkamer zitten. Aan een bureau. Met zijn gezicht naar de muur. Hij mag niks doen. Alleen maar met zijn armen over elkaar zitten.’

Ik stel me voor hoe de spuger daar zit. Continu leraren om hem heen die ‘m negeren. In plaats van zelfgenoegzaam wijdbeens en onderuit gezakt op een stoel hangen, moet hij strak rechtop zitten, waarbij zijn gezicht ongetwijfeld mateloze verveling uitstraalt. En dat een hele dag lang… Mijn mondhoeken krullen steeds verder omhoog: best een aangenaam vervelende straf. Al ken ik een betere: persoonlijk met paps of mams sorry komen zeggen. Dan beloof ik dat ik niet zal zeggen:‘Sorry…wat zei je?’

Prijs je rijk

Met twee,drie treden tegelijk rent Kind de trap op naar boven. “Even de lootjes pakken!”roept ze als ze mijn verbaasde blik ziet. Terwijl ik koffie zet, stuift zij de trap alweer af naar beneden en rent de kamer in. ‘Jaaa!’ gilt ze, ‘ik heb een prijs gewonnen!’ Wild danst ze door de kamer, maakt een pirouette en eindigt met een Aikidoschop.

‘Wij? Een prijs gewonnen?’vraag ik. Sjonge, dat mag in de krant! Oh… het stáát in de krant, want daarin zag Kind de uitslag van de trekking staan. ‘Maarreh…hoezo heb jij die prijs gewonnen?’ vraag ik link. ‘Wie heeft de voordeur opengedaan toen er gebeld werd en de lootjes gekocht?’ Nou en, zóó onbelangrijk vindt zij dat, wie de kaartjes heeft betaald, slechts een detail. Die prijs is gewoon voor haar. Klaar. Zij rekent zich rijk, want ja, het is een heuse geldprijs. Dromerig staart ze in de verte…

Hoeveel is het? Kunnen wij van de geldprijs een tweede huis kopen? Op cruise naar de Noordpoolcircel? Een camper uitzoeken? Kan ik een Colnago Ferrari met Dura-Ace en carbonwielen aanschaffen? Nou ja, bijna… Net niet helemaal. Want de prijs is… dertig euro.

‘Oké,’geef ik me gewonnen, ’jij mag de prijs hebben, máár… vijf euro gaat naar een goed doel,  en jij mag het doel kiezen.’ ‘YES, YES, de prijs is voor mij! En het doel weet ik al: the Sea Shepherd. Jieha! Lang leve de walvissen!’ Want dat er mensen zijn die harpoenen in dieren schieten…ze kan en wil het niet begrijpen.

De prijs geeft haar een goed gevoel. Dat zij daar met gemak wat van kan  missen, geeft mij weer een goed gevoel. Prijs je rijk!