KodW.142

De polder
Zijn naam is Oleg en hij komt uit Noorwegen.
Hij zag me bidon vullen bij Fort Everdingen en stopte. Een glimlach met pretogen en ongeschoren baard. Was op slag verliefd. Op zijn fiets: een knalblauwe Pinarello F5 105. Hij keek naar mijn eveneens Italiaanse racepaard, en zei: ‘We are family.’
Zo snel gaat dat niet, vriend.
Hij had afgelopen tien dagen 1400 km gefietst, maar “no hurry” en is onderweg naar Zuid-Frankrijk. Twee fietstassen achter (met tent, slaapzak en kookspullen.) Dat was alles. Mijdt steden en doorgaande wegen. Jaloersmakend.
‘No gps?’ vroeg ik hem.
‘You neither,’ lachte hij.
Zei dat ik daar te eigenwijs voor ben.
‘Me too. Planning is boring. I want to feel free.’
Een geestverwant!
Gesprek ging als pingpongballen alle kanten op. Fietsen, vakanties, allebei een dochter met rood haar, breedte fietsbanden, boeken, wel/geen schijfremmen, tandwielen, zelfde bouwjaar, muziek. Zijn moeder en grootouders waren Nederlands en “iek ken kienderliedjes.” Zo kwam het dat wij tijdens passeren van sluizen bij Hagestein ‘Er zaten zeven kikkertjes al in een boerensloot zongen.’ Eerst beschroomd, later uit volle borsten want wie deed ons wat?
Over de Viaanse brug aten we wat op bankje.
Wat ik onder mijn helm droeg?
‘Een boerenzakdoek.’
‘When i was a kid my granddad used to have one.’
Toverde schoon exemplaar uit zakje wielershirt en gaf het hem.
Helm af, boerenzakdoek om zijn hoofd. Helm op. Niets meer aan doen.
Toch een beetje familie.
Ging naar Erasmus voor longfunctieonderzoeken. Moest cowboylaarsjes uitdoen en op weegschaal gaan staan: 65 kg. Daarna langs meetlat: 181 cm. Stapte naar voren, riep: ‘Au!’ en bukte.
‘Heeft u zich pijn gedaan?’ informeerde verpleegkundige.
‘Ja, mijn sok,’ zei ik bloedserieus, en riep ontsteld: ‘Er zit een gat in mijn David Bowie-sok!’
Draag ze zelden want vind dat zonde en nu zit er een gat in. Had ik vanochtend nou maar paar van Joris’ sokken aangetrokken.
Heb sok gehecht maar blijft litteken.
Klant voor me deed diepgravend onderzoek. Helft van wijsvinger verdween in haar reukorgaan, waarna opbrengst met aandacht werd bekeken.
Drogistmedewerkster Corry wisselde blik van afgrijzen met mij. Ze herstelde zich snel. ‘Wilt u een tissue?’ vroeg ze aan klant en haalde doos onder toonbank vandaan.
‘Nee, ik wil pinnen,’ zei klant op zeurtoon.
Aldus geschiedde.
Simultaan keken wij klant na.
‘Wat een smeerkezerij! Mensen schamen zich tegenwoordig nergens meer voor,’ zei Corry rillend. ‘Ik heb niets aangeraakt maar neem toch een druppel. U ook?’ Ze pakte flacon desinfecterend middel, deelde druppel uit en wij wreven ons in de handen.
Corry kon de neuspeuterende klant niet verwerken.
‘Neem een Valdispert van jezelf,’ wees ik naar haar eigen voorraad. ‘Het is niet te hopen dat ze je met die vinger een kaartje stuurt als ze boven is.’
Corry – slap van de lach – hield zich met twee handen vast aan toonbank.
‘Zal ik je de rollator brengen (een show-model, red.) dan kun je er bij gaan zitten?’
‘Hoeft niet,’ schaterde ze, ‘lachen is het beste medicijn. En leve de uitvinder van het contactloos pinnen!’
Daar namen we nog een druppel op.
Joris heeft korte vakantie.
‘Ga je doen?’ informeerde ik.
‘Heel de dag achter mijn vrouw aanlopen.’
‘Koop dan maar een scooter, want ik ga fietsen.’

Erasmus MC






