Effe een paar bomen killen

Keek op de week (62)

Roos ging voor tentamen leren in UB (universiteitsbieb). Ook in weekend. Kind arriveerde 9.45 uur en zag lange rij wachtenden. Deuren gingen 10.00 uur open en studenten hólden naar binnen.
‘Wat mankeert die gasten?’ vroeg Roos aan medestudente.
‘Echt bizar! Het lijkt de Drie Dwaze Dagen wel. Ik heb het gefilmd.’
Kind droeg stippenshirt maar was allesbehalve in haar nopjes. Hield me via snapchat op hoogte van vorderingen/activiteiten:
#ff paar bomen killen (printen)
#echt lachen in die UB (gaap)
#recht is ruk
#en we zijn nog lang niet klaar, nog lange niet, nog lange niet…

Vond portemonnee in AH. Op rare plaats: vlak voor kassa. Was iemand boodschap van lijstje vergeten en teruggehold naar desbetreffende schap? Zag niemand terug komen rennen. Heb portemonnee in jaszak gestoken.

Lag wakker en had het koud. Half maart en nog kouder dan Kerst vorig jaar…
Moest denken aan Elfstedentocht van 1986.
Werkte bij Engelse bank en belde bedrag door naar Frieslandbank in Leeuwarden (start- en aankomstplaats schaatstocht, red.)
Stem aan andere kant vroeg: ‘Wat moet ik doen met deze informatie?’
‘Uw cliënt adviseren,’ zei ik.
‘Dat wordt morgen, hoor. Ik ben directeur en heb alle personeel ijsvrij gegeven.’

Is grap. Heb portemonnee afgegeven bij klantenservice.

Pok, pok, pok, tikte stok op smalle brug. Oude man die stok vasthoudt liep kromgebogen vooruit. In z’n hand riem waaraan hondje schuifelde. Man en dier hadden tempo aan elkaar aangepast.
Wachtte beleefd tot beide voorbij waren. Kon in tussentijd duikbrevet halen. Maande mezelf op te passen straks niet op hondje te trappen. Hield Rosa vast aan trektuig.
‘Doe maar aan de riem, want mijn hond is blind,’ zei oude man. Gevolgd door verwijtend: ‘Honden mogen hier niet loslopen.’
‘Weet ik, meneer.’
‘Waarom doet u het dan toch?’ vroeg hij met blik van boze bovenmeester.
‘Omdat dat wat niet mag leuk is,’ antwoordde ik.
Man snakte zowat naar adem. ‘Welja, straks bijt uw hond die van mij dood!’
‘Mijn hond doet niets, hoor.’
‘Zeggen ze allemaal maar honden zijn niet te vertrouwen. Die van u kijkt vals.’
Vond oude baas eerst zielig, maar nu irritant. Kreeg neiging mijn lippen op te trekken en te grommen. Maar kerel is bijna 100. Straks krijgt-ie hartaanval en is het mijn schuld.
‘U heeft geen weerwoord, hè?’ zei man net zo vals als zijn tanden.
‘Kan wel zeggen dat u hard van stapel loopt, maar u zult nooit meer hard zult lopen.’
Man snoof en sjokte verder.

Vertelde thuis voorval aan Roos.
‘Tsssk, achterlijke vent om te zeggen dat Rosa vals kijkt!’ riep Kind. ‘Hoe zou dat er uitzien?’ vroeg ze zich hardop af.
Ze riep Hond en die kwam. Roos trok hondenlip op. ‘Ik denk zo,’ zei ze.
Zien jullie ook een valse hond?

Het duivelsverbond

‘Je zal de mooiste romans schrijven en beroemd worden,’ belooft de onbekende haar.
Een halfuur geleden had hij naast Julia plaatsgenomen op het parkbankje. Ze had zitten dagdromen, haar gezicht naar de zon, een dichtgevallen boek op haar schoot.
‘Hoeveel kost dat?’ vraagt ze. De man heeft iets ondefinieerbaars. Een glad gezicht met oude wijze ogen, en een warme uitstraling die haar onderhuids doet rillen. Ze had zijn naam gevraagd maar daar had hij overheen gepraat.

‘Als tegenprestatie wil ik je gedachten lezen,’ antwoordt de vreemdeling.
Zoiets simpels? Julia had een gigantisch geldbedrag verwacht om haar vurigste wens in vervulling te laten gaan. Ze vindt het een vreemd voorstel; misschien moet ze er een nachtje over slapen…
De man staat op en zegt: ‘Ik moet gaan. Per dag kan ik een beperkte hoeveelheid wensen vervullen, begrijpt u?’

Julia’s ster is rijzende. Ze schrijft roman na roman, wordt uitgenodigd voor het Boekenbal en ontvangt onderscheidingen bij de vleet. Overdag lijkt haar leven een volmaakt vijfsterrenfeest.
’s Nachts echter lijdt ze ondraaglijke pijnen. Een niet te stuiten oorlog in haar hoofd.
‘Jij…jij…Creep! Je hebt tegen me gelogen!’ schreeuwt Julia wanhopig. Snikkend laat ze erop volgen: ‘Waarom doe je me dit aan?’
‘Jouw duisternis is mijn brandstof.’
‘Op het bankje kon je mijn gedachten ook al lezen, hè?’
Zijn voldane lach lijkt door Julia’s merg en botten te stromen.

Julia kan niet meer. Zittend op de houten vloer wiegt ze huilend heen en weer. Ze piekert in het donker. Ze is verdwaald in haar eigen leven. Hoe verslaat ze de duivel, want dat hij de duivel is weet ze inmiddels zeker. Als hij van duisternis leeft, moet ze hem bestrijden met licht…
Geniepig lacht de duivel: ‘Elke kaars en lucifer blaas ik uiuiuit!’

Midden in haar ellende herinnert Julia zich een uitspraak van haar oma: “Hoop is een lichtje in je hart.” Dát kan hij niet uitblazen! ‘Ik moet sterk zijn!’ roept Julia. Hardop spreekt ze zichzelf moed in: ‘Ik zal flink zijn! Ertegenin, ertegenaan!’
Ze staat op en holt naar de zolder. Daar pakt ze de oude stormlamp, en sleept trede voor trede een leeg aquarium achter haar aan naar beneden. In een kast rommelt ze tot ze een kaars gevonden heeft.

De volgende dag, wanneer de duivel nieuwe dagdromers ronselt, steekt Julia laat in de middag de kaars in de stormlamp aan en tilt het aquarium eroverheen.
Zodra de zon onder is, pakt ze een spa, graaft een gat in de tuin en begraaft symbolisch de duivel.
‘Ik leef nog!’ knarst hij.
‘Voor mij ben je dood!’ gilt Julia.

Ze loopt naar binnen, naar de stereo, en pakt een cd uit het rek. Zodra ze de eerste tonen hoort, zet ze het geluid harder, véél harder. Ze wil de bas in haar buik voelen bonken. Het is of de muziek speciaal voor deze situatie geschreven is. Theatraal. Majestueus. Zo hard ze kan zingt Julia mee:

‘Jouw hemel blauw met gouden hallen
Jouw wolkentorens, ijskristallen,
Kometen, manen en planeten, aah, alles draait om mij…’

Op de muren flakkert het lamplicht.
De stormlamp gaat bijna uit!
Julia knielt en tilt het aquarium een stukje op om er wat zuurstof in te laten. Op datzelfde moment ziet ze een dunne, stroperige sliert naar binnen bewegen. Van schrik laat ze de glazen bak los. Te laat: de duivel blaast haar kostbare lichtje uit.

Angstig deinst ze achteruit. Zullen de lamp en het aquarium exploderen? Ze wacht en wacht…
In de duisternis verliest ze ieder gevoel van tijd. Terwijl ze het steeds kouder krijgt, lijkt alles in haar langzaam lichter te worden. Julia moet er zelfs aan wennen dat het in haar anders zo drukke hoofd verbazingwekkend stil is…

Koninklijke ruis

Keek op de week (61)

Droomde dat ik met koning WA op slee zat. In plaats van achter, zaten we naast elkaar. Zoefden met bloedvaart berghelling af. WA – mét baard – zat rechts van me, en had stuurtouw in handen wat me allerminst beviel.
Praten die majesteit! Leek wel dolgedraaid Duracelkonijn. Kreeg er geen letter tussen en op tv leek hij me zo’n menselijke man. Koning of niet, zou me zijdelings van slee in sneeuw laten glijden om te ontkomen aan deze bron van vermoeienis.
Helaas verdwenen we op dat moment ondergronds de sneeuw in. Een soort overkapte bobsleebaan. Heb ik altijd gewild alleen niet met Wim-Lex. Keek opzij naar koning. Zijn bakkebaarden blowing in de wind. Vond het bespottelijk en dacht: kánnie waar zijn; dit is een droom. Zweepte mezelf op wakker te worden en aldus geschiedde. Precies op zelfde tijd als altijd: 02.23 uur. Wekkerradio kan er vijf minuten naast zitten, hoor.

Joris heeft aanrijding gehad. Zonder persoonlijke schade behoudens een enorm gebutst ego. Kreeg van herstelbedrijf leenauto. Een Maz.da. Nou en? Een blauwe!
Vroeg: ‘Schat, zullen we deez houden?’
Man kromp zowat in elkaar.
Na ophalen van herstelde heilige koe was Joris uitermate getergd: auto moet nog keer terug om sensoren erin te laten plaatsen. Moet door specialist gedaan worden, en niet wanneer het Man maar wanneer het specialist uitkomt. Mijn voorstel om sensorloos door leven te rijden werd gediskwalificeerd.

Verkiezingskrant gemeente viel op kokosmat. Bladerde blad geesteloos door. Oog bleef hangen op tekst van stichtelijke partij en wierp krant acuut op leesstapel in schijthuis. Aan politiek zit tenslotte ook luchtje.
Roos kwam thuis van uni en deed plas.
‘Mam!’ joelde ze, ‘dit is jouw partij!’ (Wij plassen altijd met deur op kier.) Roos las hardop:  “Wij willen dat prachtige buitengebieden worden behouden waaruit nieuwbouw geweerd wordt. Zijn tegen jacht en megastallen.’”
Hier met dat krantje! Sociale punten lazen ook voor vuist weg.
Ga voor eerst stemmen op plaatselijke partij.

Roos’ mobiel viel in emmer water. Onmiddellijk graaide ze ‘m eruit. Zonder te vloeken; het mag vermeld.
‘Mam, stop jij ‘m met onderkant naar beneden in rijst,’ instrueerde ze op toon van iemand die in tijdnood verkeerde.
Voldeed aan verzoek en propte rijskorrels in diverse openingen.
Kind verwijderde later kleffe rijstkorrels met satéprikker.
‘Hij doet het nog,’ zei ze met immense blijdschap. Zucht waarmee Kind zich op canapé liet zakken was niet in woorden uit te drukken.
‘O, niet tegen papa zeggen, hè?’
‘Tuurlijk niet, darling!’

Ontving blauwe Postcrosskaart van Angelica uit Germaniè. Zij is “blue lover too.” Haar favoriete voetbalploeg draagt blauw. Ze houdt van blauwe luchten, heeft (ook) blauwe fiets, (ook) blauwe auto en huis met blauwe luiken en deuren (zíj wel!)

Het diner

‘Voortaan gedraag je je, Elsemieke!’ moppert haar man wanneer ze in de auto stappen.
Ze had geweigerd tijdens het diner bij de ambassadeur een kreeft op haar bord met één vinger of stuk bestek aan te raken.
‘Marnix, je kent mijn principes,’ sprak ze kalm. ‘Voortaan stuur je ze maar een vel handgeschept papier met producten waar ik zogenaamd allergisch voor ben. Kreeft, slakken, mosselen – alles wat levend gekookt wordt. En verder: walvis, tonijn en kalfsvlees. O, en oesters, want die vind ik smerig. Zoek anders maar een gezelschapsdame die je begeleidt naar je chique diners.’
‘Dat kan ik toch niet maken!’
‘Dan weet je wat je te doen staat.’

Elsemieke prikt weer een vorkje weg. Dit keer bij de consul van Ghana. Van deze man druipt de ijdelheid af. Knap dat hij het met zichzelf uithoudt.
De gastheer klapt in zijn handen en roept trots: ‘Nu komt hét hoogtepunt van het diner! Het is een verboden delicatesse – dat zijn tevens de smakelijkste, kan ik u verzekeren– maar het is bovenal een goed bewaard geheim wát u eet en dat zal het helaas ook moeten blijven.’

De borden worden opgediend. Te midden van een saus in de kleuren van de Ghanese vlag ligt een stuk gebraden medaillon.
Elsemieke snijdt een stuk af en wacht zo onopvallend mogelijk op de reacties van haar disgenoten.
‘Heerlijk!’ roept een mannenstem.
Een vrouw zegt goedkeurend: ‘Zacht als kalfsvlees.’
De consul kijkt Elsemieke verwachtingsvol aan.

Beleefd stopt ze haar vork in haar mond. Voor het mooie net een iets te grote hap.
Ze kauwt en kauwt, en er trekt een huivering van haar hoofd via haar ruggenmerg naar haar stuitje. Zo snel mogelijk slikt ze alles door. Ze probeert naar de consul te glimlachen maar het lijkt of haar mond alleen nog maar uit tong bestaat. Haar keel zwelt op en slikken wordt moeilijk. O God, prevelt Elsemieke in stilte, wat heeft die griezel ons voorgeschoteld? Giftige slang? Van ellende duizelt het haar.

In paniek schuift ze haar stoel met een ruk naar achteren en komt met moeite overeind. Ze stamelt: ‘Ik…ik…voel me…niet goed.’
Het is haar aan te zien. Ze heeft een vale gelaatskleur, haar ogen fladderen in hun kassen en ze ademt gejaagd in en uit.
Een bediende kan haar nog net op tijd opvangen.

Marnix staat op en holt gealarmeerd naar zijn vrouw. Gesprekken verstommen en iedereen kijkt toe.
Een arts in het gezelschap staat op en stelt voor: ‘Met uw permissie, consul, stel ik voor mevrouw in de aangrenzende kamer op de sofa te leggen. Dan onderzoek ik haar daar.’ De gastheer knikt. ‘Waarde consul,’ vervolgt de arts, ‘ik moet u helaas verzoeken welke delicatesse u ons heeft aangeboden. In verband met de eventuele behandeling. Het geheim blijft uiteraard binnen deze kamer.’

Er valt een lange, akelige stilte.
Met leed overmande blikken kijkt iedereen naar Elsemieke die de kamer wordt uitgedragen.
De consul is finaal van de kaart. Hij veegt zijn mond af aan zijn servet. Het kost hem zichtbaar moeite zijn geheim te onthullen. Met een stem verstikt van spanning zegt hij uiteindelijk: ‘Het is…het is mensenvlees.’

IJsbloemen in je ogen

Keek op de week (60)

Dank aan ieder die petitie voor grote grazers in Oostvaardersplassen getekend hebben! Teller staat inmiddels op ruim 32.000 stemmen…

‘Koud buiten?’ vroeg ik maandag aan Joris toen hij 04.50 uur terugkwam van rondje Rosa.
‘Valt mee.
‘Je hebt onderweg wel je muts opgezet.’
‘Kou valt mee.’
‘Draag je ’s zomers ook weleens je muts dan?’
Man zuchtte diep en lang.

Onbekende man duwde met bouwvakkersdecolleté autodeur dicht. Sjokte naar voordeur met in iedere hand boodschappentas plus orchideeënplant in plastic. Smeet planten op grond en sleepte zichzelf en tassen naar binnen. Deed deur dicht.
Op terugweg stonden bloemetjes nog steeds buiten. Ik belde aan.
‘Alstublieft meneer, uw planten hebben het koud.’
Kerel keek me vinnig aan, rukte plastic zakken uit m’n hand en smeet pontificaal deur dicht.
Ik keek naar vitrage waarachter minstens tien gestorven orchideeën stonden. Logisch; bij zo’n stuk chagrijn is gevoelstemperatuur altijd -15. Sprak monter tegen dichte deur: ‘Graag gedaan,’ en keerde om.
Toevallig passerende vrouw schoot in lachstuip. ‘Daar woont zo’n gezellige man,’ schaterde ze. ‘Hij wordt door hele blok Boze Buurman genoemd.’
Dát hielp.

Leve ijspret!
Kind hield tijdens studie in universiteitsbieb Twitter van ijsbaan in dorp in de gaten. ‘Als-ie opengaat, ga ik vanavond niet naar koor!’
Geduld werd ernstig op proef gesteld want donderdagavond giet it pas on.
‘Kleed je goed aan, het is koud,’ adviseerde Joris.
‘Huh. Weet je hoe ze dit weer in Finland noemen?’ snoefde Roos.
‘Nou?’
‘Donderdag.’
Roos vertrok 19.00 uur en zou met Suus tot sluitingstijd (21.30 uur) blijven.
20.15 uur ging deurbel.
Donderdag stond op stoep. ‘Ik ben dood,’ rilde Roos. ‘IJsbloemen staan in m’n ogen. Heb nergens gevoel meer in.’
Leve warme douche!
Vrijdagavond gingen Roos en Suus weer. Volgende ochtend waren ze als eerste op schaatsbaan. Coole chicks!

Ik heb een man én een vriend, jaja! Kwam vriend vrijdag in polder tegen. Zo’n knappe verschijning. Zijn hond, hoor. Ook een choco-lab: Pu.ck.
Man moest drie keer kijken.
‘U herkent me niet, hè?’ schaterde ik. Keken elkaar aan en gierden het uit. Was werkelijk om te schreien. Gedeelte van onze gezichten dat bloot lag, zag rood van snerpende Oostenwind tegen. Ogen traanden, en druppels aan neus zouden weldra bevriezen.
Vertelde hikkend: ‘Vroor vanochtend zowat dood toen ik konijnen buiten eten gaf.’ (Geen paniek. Knaagdieren zitten er warmpjes bij, red.) ‘Heb Laplandmuts van m’n dochter opgezet. Keek snel in spiegel voor ik wegging. Je snapt niet waarom een mens dat zichzelf aandoet, hè?’
Hondenvriend sprak proestend: ‘Toen ik met pensioen ging, heb ik alle petten weggegooid. Hoefde toch nooit meer op de fiets naar m’n werk. Heb vanochtend muts uit kast geklauwd. Zie er zo vreselijk uit dat ik van ellende selfie heb gemaakt.’
Diep weggedoken in z’n capuchon zag ik stukje van gratis muts van foute frisdrankfabrikant.
‘Die honden hebben nergens last van, hè?’
Honden dolden inderdaad alsof het zomer was.
Eén verschil: Rosa’s tennisbal die ze vorige week verloor, ligt vastgevroren in sloot. Hond is finaal kluts kwijt.