Keek op de week (34)
Heb me bedacht. Wanneer ik twintig miljoen win, rijd ik niet m’n blauwe doos op maar koop nieuwe. Mét airco!
Een vriendin kennis klaagde: ‘Mijn man werkt zóveel over. Doet die van jou dat ook?’
Schudde ontkennend.
Vroeg me onderweg naar huis af: wat doe ik verkeerd? Wil ook wel eens avond voor mezelf.
Zag in verte overbuurman aankomen. Vrijgezel, leuke man (geen bochel), immer verlegen om praatje, lang van stof en monotoon van stem. Ongeacht waar hij me ziet sjokken, ben ik de sigaar.
Hij stapte van fiets en begon gesprek.
Sociaal als ik ben, verleende ik een oor. Snifte met neus want rook ook kans. Joris had buurman beloofd ’s avonds eens naar zijn 8700 foto’s van georganiseerde trektocht op Malta te komen kijken. Of Joris nog kwam?
‘Reken maar!’ zei ik geestdriftig, ‘wat Joris belooft komt hij na. Ga hem aan afspraak herinneren!’
Al moet ik Lief persoonlijk naar voordeur van overbuurman begeleiden, hij zál die foto’s gaan zien!
Wilde met trein naar Breda.
Liep met air van: ik doe dit dagelijks, ik ben forens, naar incheckpoortjes op Rotterdam CS. Hield ov-kaart bij poortje. Poortje piepte: toegang geblokkeerd.
Ander poortje: toegang geblokkeerd.
Was dit oefening in geduld of iets persoonlijks tussen NS en mij?
Liep naar kaartautomaat. Toetste wat knoppen in. Ging grote gloeilamp boven m’n hoofd branden: of ik 1e of 2e klas wilde reizen. Logisch: poortje weet anders niet welk bedrag het van saldo moet afschrijven.
Was kort, krachtig en keilgezellig bezoek aan Breda.
Viel bijna van m’n stok: automobilisten stoppen nog voor voetgangers bij zebrapad.
‘Er is een gast die zich jou nog herinnert van peuterspeelzaal,’ vertelde Roos.
Kneep ogen tot spleetjes. Dacht diep, diep na.
‘Hij heet Jeffrey,’ gaf Kind als hint.
Had werkelijk geen idee.
‘Je hebt ‘m héél boos aangekeken en dat weet hij nu nog.’
Sakkerju, wist het opeens. ‘Is dat dat ventje dat jou met houten trein op je hoofd timmerde? Alsof jij kop van Jut was?’
Roos knikte.
‘Mijn gemeenste gezicht heeft indruk gemaakt, hè?’ gniffelde ik.
‘Waar is uw hond?’ flapte ik eruit.
Man aan wie ik vraag stelde bukte zich voorover en mompelde iets.
‘Wat zegt u?’
‘Ze is dood!’
‘Oh…oké,’ zei ik. Realiseerde me dat er weinig oké is aan dode hond. ‘Sorry,’ zei ik snel. ‘Is het al lang geleden?’
‘Elf dagen,’ antwoordde man. Hij ontweek m’n ogen, keek naar de grond, naar de lucht of over me heen.
Wist dat hij praatje waardeert want eens had deze dakloze dat in interview in Straatkrant gezegd. Samen op de foto met z’n onafscheidelijke hond van onbestemd merk. Hond had altijd genoeg eten. Mensen gaven man behalve geld ook blikken hondenvoer. Iemand een blikopener.
‘Wat zult u haar missen,’ zei ik. ‘Sterkte meneer.’
Dat was woensdag. Maak me nu nog zorgen om man.