Plato’s schrijfuitdaging WE-300 voor de maand januari met als thema: waarnemen. Het woord mag niet in de tekst gebruikt worden.
Hildes hersenen willen het ontkennen, maar haar ogen zien het goed: voor haar loopt een naakte man. De man heeft niets anders bij zich dan zichzelf. Verward vraagt ze zich af of ze een nudistenbordje heeft gemist, maar ze loopt op een openbaar fietspad waar onmogelijk naakt gerecreeerd zal mogen worden.
Hilde krijgt er een onrustig gevoel van.
Er komt een specht aanvliegen. Zijn rode veren weerkaatsen een zonnestraal waardoor de vogel opvlamt tegen de donkere achtergrond. Hij roffelt tegen een berk en verdwijnt door een gat naar binnen. Even is Hilde oprecht afgeleid. Dan herinnert ze zich de blote kerel weer en is de betovering van zojuist verbroken.
De afstand tussen haar en de man wordt kleiner.
Wat mankeert kerels om hun geslacht in het openbaar te vertonen? Zij heeft nog nooit gehoord dat vrouwen in evakostuum een dergelijke opwinding nastreven.
Hilde kijkt recht voor zich uit, de blik iets omhoog gericht. Het laatste wat ze wil is de indruk wekken dat ze naar zijn hamer en klokkenspel kijkt. Ze voelt zich steeds ongemakkelijker en bozer worden: hij loopt naakt en zij schaamt zich. ‘Smerige potloodventer,’ foetert ze nijdig voor zich uit.
De man komt steeds dichterbij. Nog even en dan zullen ze elkaar passeren.
Hilde weerstaat de aanvechting haar handen voor haar ogen te slaan. Eigenlijk zou ze iets tegen hem moeten zeggen waardoor hij even van zijn stuk is gebracht. Niet iets grofs, maar iets wat hem een licht gevoel van verwarring geeft.
Ze krijgt een inval, rommelt in haar tas tot ze vindt wat ze zoekt, en pakt het haastig in haar hand.
‘Goedendag, mevrouw.’
Welja, de ontklede aap wil nog beleefd zijn ook!
‘Dag meneer,’ zegt ze terug. Ze kijkt hem recht in het gezicht.
‘Heeft u misschien een vuurtje voor me?’