De naaktloper

Plato’s schrijfuitdaging WE-300 voor de maand januari met als thema: waarnemen. Het woord mag niet in de tekst gebruikt worden.

Hildes hersenen willen het ontkennen, maar haar ogen zien het goed: voor haar loopt een naakte man. De man heeft niets anders bij zich dan zichzelf. Verward vraagt ze zich af of ze een nudistenbordje heeft gemist, maar ze loopt op een openbaar fietspad waar onmogelijk naakt gerecreeerd zal mogen worden.
Hilde krijgt er een onrustig gevoel van.

Er komt een specht aanvliegen. Zijn rode veren weerkaatsen een zonnestraal waardoor de vogel  opvlamt tegen de donkere achtergrond. Hij roffelt tegen een berk en verdwijnt door een gat naar binnen. Even is Hilde oprecht afgeleid. Dan herinnert ze zich de blote kerel weer en is de betovering van zojuist verbroken.

De afstand tussen haar en de man wordt kleiner.

Wat mankeert kerels om hun geslacht in het openbaar te vertonen? Zij heeft nog nooit gehoord dat vrouwen in evakostuum een dergelijke opwinding nastreven.
Hilde kijkt recht voor zich uit, de blik iets omhoog gericht. Het laatste wat ze wil is de indruk wekken dat ze naar zijn hamer en klokkenspel kijkt. Ze voelt zich steeds ongemakkelijker en bozer worden: hij loopt naakt en zij schaamt zich. ‘Smerige potloodventer,’ foetert ze nijdig voor zich uit.

De man komt steeds dichterbij. Nog even en dan zullen ze elkaar passeren.
Hilde weerstaat de aanvechting haar handen voor haar ogen te slaan. Eigenlijk zou ze iets tegen hem moeten zeggen waardoor hij even van zijn stuk is gebracht. Niet iets grofs, maar iets wat hem een licht gevoel van verwarring geeft.
Ze krijgt een inval, rommelt in haar tas tot ze vindt wat ze zoekt, en pakt het haastig in haar hand.

‘Goedendag, mevrouw.’
Welja, de ontklede aap wil nog beleefd zijn ook!
‘Dag meneer,’ zegt ze terug. Ze kijkt hem recht in het gezicht.
‘Heeft u misschien een vuurtje voor me?’

Pesten 2

Tijdelijk woon ik in het Sophia Kinderziekenhuis op de afdeling psychiatrie. Ik ben niet gek hoor, alleen een doetje dat zich weg heeft laten pesten van school. Toen ik het vertikte nog één dag naar school te gaan, wisten mijn ouders zich geen raad en volgden ze het advies van de huisarts op: het Sophia.

Ik ga dood van heimwee.
Telkens als ik het liedje “Don’t cry for me Argentina” op de radio hoor, word ik overspoeld door heimwee. Toen ik dat tegen mijn vader vertelde, zei hij: ‘Voortaan als wij dat liedje horen, denken wij aan jou.’

Over vijf dagen – op vrijdag – is er een belangrijke stafvergadering: mag ik naar huis of moet ik naar een pleeggezin.
Mijn ouders en ik willen hetzelfde: naar huis!
Al duizend keer hebben we dat tegen de betrokken artsen gezegd, maar die zwijgen als het graf. Dát is pas gek.
Ik ga niet naar een pleeggezin, hoor. Ik stop gewoon met eten. Als ik maar niet steeds datzelfde liedje hoorde…

Ik kan niet op de uitslag wachten, ik wil ‘m meteen weten. Desnoods moet ik ervoor inbreken.
En dat is nou precies wat ik ga doen!
Lisette helpt me. Zij kaapt na het avondeten de loper, en samen glippen we de afdeling af. We hollen de trap op naar het secretariaat, waar ik mezelf binnenlaat en Lisette de wacht houdt.

Als eerste zet ik het kopieerapparaat aan.
Daarna zoek ik het kastje met de laatjes met de namen van alle artsen. Het duurt even, maar ik vind de verslagen.
Het kopiëren gaat snel.

Dan slaat Lisette alarm door met het licht te knipperen.
Vlug frommel ik de kopieën tussen mijn ondergoed. In de haast om bij de deur te komen, gooi ik een plant om. Ik heb geen tijd om ‘m op te rapen.
Op hetzelfde moment dat ik de deur achter me op slot draai, gaat de liftdeur open. Het is iemand van de leiding. Ik geef haar de sleutel terug, en ze accepteert Lisettes smoesje dat we gewoon wat aan het dollen waren.

’s Avonds in bed lees ik de adviezen van de vier artsen: zodra ik op een “buitenschool” zit, mag ik naar huis!
Het eerste wat ik de volgende ochtend doe is mijn vader bellen. Stiekem, want naar buiten bellen gaat zomaar niet. Elk gesprek moet worden aangevraagd.
Tenzij je in de lift staat! Ik zei toch al dat ik niet gek was?
‘Ik mag naar huis!’ roep ik opgewonden. Van blijdschap krijg ik natte ogen.
‘Je zult het niet geloven,’ zegt mijn vader, ‘maar weet je welk liedje er nu op de radio is?’
Ik raad het in één keer.

Pesten

Gepest worden.
Ik weet er alles van: op mijn veertiende was ik het pispaaltje van de klas. Ze hebben me zo getreiterd, dat ik van school ben weggelopen om nooit meer terug te gaan.
Mijn ouders hadden ineens een probleem: waar moesten ze me laten? Ze werkten allebei en ik was leerplichtig.
De huisarts kwam met de oplossing: het Sophia Kinderziekenhuis.
De pestkoppen gingen vrijuit; ik kreeg twee jaar en twee maanden op de afdeling kinderpsychiatrie.

Enig idee hoe het is om in een gesticht te wonen waar om 17.00 uur alle deuren op slot gaan?
Waar je continu geobserveerd wordt?
Waar alles wat je zegt tegen je gebruikt wordt?
Waar je je ouders minimaal mag zien om over je broertje en hond maar te zwijgen?

Kilometers psychologische testen heb ik ingevuld, en gesprekken gevoerd met psychiaters, psychologen en therapeuten. Het probleem was dat ze geen probleem bij me konden vinden.
Door het pesten was ik wantrouwig geworden. Het Sophia deed daar nog een schepje bovenop. Ik leerde al snel: hoe minder ze van me wisten, hoe beter het voor me was. Ik heb een professionele hekel aan therapeuten ontwikkeld en een Chinese Muur om me heen gebouwd.
Om te overleven ging ik tegen de stroom in roeien. Ik pikte toetjes uit de etenskar. Klom over de tuinmuur om een zakje drop bij de sigarenboer te kopen. Belde mijn vader op zijn werk via de telefoon in de lift…

Maanden geleden vond ik het de hoogste tijd worden om de binnenkant van mijn vermoeide, chaotische hoofd op een rijtje te zetten.
Mijn therapeut zegt dat het Sophia je reinste kindermishandeling was. Ze hebben me daar geproblematiseerd en therapieresistent gemaakt. Dat laatste klopt, want ik weet precies hoe therapeuten werken: ze luisteren naar je en knikken ja, alsof ze het met je eens zijn. Als jij zwijgt, kijken ze je recht aan, zodat jij je ongemakkelijk voelt, en de stilte misschien verbreekt. Ik houd mijn mond en kijk gewoon terug.

Langzaam brokkelt mijn muur af, maar wantrouwen is niet zomaar weg.
Mijn 06-nummer? Geef ik zelden.
Facebook? Ik bewaak mijn persoonsgegevens als de Noord-Koreanen hun kernwapenprogramma.
Regels? Laat me niet lachen. Die zijn voor mensen zonder eigen mening.
Het woordje “nee” rolt vanzelf over mijn lippen, want in principe ben ik overal tegen.

Wat ik erg vind is dat ik levenslang veroordeeld ben tot labiel, psychiatrisch weekdier. Overal moet ik bewijzen dat er geen steekje aan me los zit.

Wat ik nog erger vind, is dat er in 38 jaar tijd niets is veranderd. Kinderen die gepest worden, hebben geen leven, en de pestkoppen gaan nog steeds vrijuit. Tenzij een slachtoffer door het lint gaat en het recht in eigen hand neemt.

Ik heb het enorm getroffen met mijn Lief. Met mijn ogen dicht laat ik me zo achterover vallen. Hij vangt me altijd op.
Mijn ouders neem ik niets kwalijk. Het is gegaan zoals het is gegaan.
Door mijn verleden sta ik wel tweehonderd procent achter mijn kind, want daar heeft ieder kind recht op.

 

Deze gelukstotem heeft mijn broer toentertijd voor me gemaakt.

Kopzorg

Overal waar ik kijk, zie ik sterretjes. Das niet omdat ik weer  gedronken heb, maar omdat ik de bezitter ben van een knetterende koppijn. Het licht doet pijn aan mijn ogen en mijn maag beweegt alsof ik een halfuur in het schip van de Efteling heb gezeten.
Mijn tas heb ik leeg gekieperd op het hotelbed. Fijne spullen liggen uitgestald op de sprei, maar geen paracetamol of een zakje wonderpoeder. Niets. Opgegeten. Hoe kan dat nou? Bergen pillen en poeiers zeul ik altijd met me mee. Niet alleen om mezelf een plezier te doen; vooral voor mijn medemensen.

Gedreven door een pneumatische drilboor loop ik naar de hotelbalie. Daarachter staat een vriendelijk ogende dame.
Ik vraag beleefd: ‘Heeft u voor mij alstublieft een paracetamol?’ Eentje is te weinig, maar om twee stuks vragen staat zo inhalig. Ik neem er eentje in, ff met de beentjes gestrekt op het hotelbed  en daarna in galop naar de plaatselijke drogist voor een groothandelsverpakking. Verwachtingsvol kijk ik de receptioniste aan.

Ze kijkt terug en zegt: ‘Nee mevrouw.’
Ik ben met stomheid geslagen. Zei ze nou nee?  Heeft zij ook geen pilletjes in haar eigen purse? Wij zusters moeten elkander toch helpen?
Op mijn zwijgen vervolgt ze: ‘Dat mag niet van de brandweer.’
De brandweer… Eerst denk ik dat ze een grapje maakt, maar het is haar ernst. Ik staar haar waarschijnlijk wezenloos aan, want ze herhaalt de mededeling. Normaal gesproken zou ik haar een diepte-interview afnemen, maar daar zie ik op dit pijnlijke moment vanaf.

Achter mijn rug beweegt iets fel roods, of verbeeld ik het me vanwege het woordje “brandweer”? Ik draai me om en kijk in het gelaat van een mevrouw die een rood gewaad draagt.
Ze lacht.
Ik lach terug, althans, ik doe een poging.

Ik kijk weer naar de receptioniste. Ze zendt me een blik van: waarom staat u hier nog? Gedesillusioneerd draai ik me om. Het leven heeft geen zin meer. Zie ik ergens een guillotine dan leg ik mijn hoofd eronder.

Onverwacht tikt iemand op mijn schouder. Het is de mevrouw in de rode sarong. Op haar voorhoofd prijkt een rode stip en ze heeft de mooiste groene ogen die ik ooit heb gezien. Weer die lach.
‘Mevrouw, ik heb paracetamol voor u,’ zegt ze zacht.
‘Echt waar?’ stamel ik, ‘oh mevrouw, daar word ik zo gelukkig van.’
‘Wilt u één of twee?’
Durf ik het te zeggen? Welja… ‘Twee alstublieft,’zeg ik gretig.
De vrouw met de stip drukt twee pillen uit een strip in mijn hand.
‘Dank u wel!’ zeg ik. Ik ben in staat haar te zoenen.
Had ik het maar gedaan.