Gepest worden.
Ik weet er alles van: op mijn veertiende was ik het pispaaltje van de klas. Ze hebben me zo getreiterd, dat ik van school ben weggelopen om nooit meer terug te gaan.
Mijn ouders hadden ineens een probleem: waar moesten ze me laten? Ze werkten allebei en ik was leerplichtig.
De huisarts kwam met de oplossing: het Sophia Kinderziekenhuis.
De pestkoppen gingen vrijuit; ik kreeg twee jaar en twee maanden op de afdeling kinderpsychiatrie.
Enig idee hoe het is om in een gesticht te wonen waar om 17.00 uur alle deuren op slot gaan?
Waar je continu geobserveerd wordt?
Waar alles wat je zegt tegen je gebruikt wordt?
Waar je je ouders minimaal mag zien om over je broertje en hond maar te zwijgen?
Kilometers psychologische testen heb ik ingevuld, en gesprekken gevoerd met psychiaters, psychologen en therapeuten. Het probleem was dat ze geen probleem bij me konden vinden.
Door het pesten was ik wantrouwig geworden. Het Sophia deed daar nog een schepje bovenop. Ik leerde al snel: hoe minder ze van me wisten, hoe beter het voor me was. Ik heb een professionele hekel aan therapeuten ontwikkeld en een Chinese Muur om me heen gebouwd.
Om te overleven ging ik tegen de stroom in roeien. Ik pikte toetjes uit de etenskar. Klom over de tuinmuur om een zakje drop bij de sigarenboer te kopen. Belde mijn vader op zijn werk via de telefoon in de lift…
Maanden geleden vond ik het de hoogste tijd worden om de binnenkant van mijn vermoeide, chaotische hoofd op een rijtje te zetten.
Mijn therapeut zegt dat het Sophia je reinste kindermishandeling was. Ze hebben me daar geproblematiseerd en therapieresistent gemaakt. Dat laatste klopt, want ik weet precies hoe therapeuten werken: ze luisteren naar je en knikken ja, alsof ze het met je eens zijn. Als jij zwijgt, kijken ze je recht aan, zodat jij je ongemakkelijk voelt, en de stilte misschien verbreekt. Ik houd mijn mond en kijk gewoon terug.
Langzaam brokkelt mijn muur af, maar wantrouwen is niet zomaar weg.
Mijn 06-nummer? Geef ik zelden.
Facebook? Ik bewaak mijn persoonsgegevens als de Noord-Koreanen hun kernwapenprogramma.
Regels? Laat me niet lachen. Die zijn voor mensen zonder eigen mening.
Het woordje “nee” rolt vanzelf over mijn lippen, want in principe ben ik overal tegen.
Wat ik erg vind is dat ik levenslang veroordeeld ben tot labiel, psychiatrisch weekdier. Overal moet ik bewijzen dat er geen steekje aan me los zit.
Wat ik nog erger vind, is dat er in 38 jaar tijd niets is veranderd. Kinderen die gepest worden, hebben geen leven, en de pestkoppen gaan nog steeds vrijuit. Tenzij een slachtoffer door het lint gaat en het recht in eigen hand neemt.
Ik heb het enorm getroffen met mijn Lief. Met mijn ogen dicht laat ik me zo achterover vallen. Hij vangt me altijd op.
Mijn ouders neem ik niets kwalijk. Het is gegaan zoals het is gegaan.
Door mijn verleden sta ik wel tweehonderd procent achter mijn kind, want daar heeft ieder kind recht op.
Deze gelukstotem heeft mijn broer toentertijd voor me gemaakt.