Huishouden

Persoonlijke schrijfopdracht van Plato met als thema: huishouden.

Deskundig speurt hij met de Swiffer in zijn hand de woonkamer rond. Vanochtend heeft hij alles gezeemd, maar stof valt heel de dag door naar beneden. Dat zie je, zeker wanneer je zoals hij dagelijks de ramen zeemt en zonnestralen vrij naar binnen schijnen.

Hij kent mensen die boekenplanken hebben met een grijze waas eroverheen. Of die televisie kijken zoals ze vroeger in koude winters naar buiten probeerden te kijken: eerst tegen het glas blazen en  dan met je hand een opening in een ijsbloem poetsen. Of mensen bij wie je voeten vastplakken aan de keukenvloer. Zelf poetst hij alles tot het blinkt. Hij is trots dat zijn kookplaat zo glanst dat hij zijn spiegelbeeld erin kan zien.

Na de dood van zijn vrouw kreeg hij zo’n enorme dreun van eenzaamheid, dat hij bedacht ter afleiding de meest vlekkeloze schoonmaker ooit te willen worden. Niet dat hij er plezier aan beleeft. Na zichzelf een weekend lang grondig geobserveerd te hebben, was het tot hem doorgedrongen dat hij een slaaf van zichzelf geworden was. Dat hij geen leven meer had, zo ernstig zat hij bij zichzelf onder de plak.

Sinds hij in therapie is, gaat het gelukkig wat beter. Hij kan er al voorzichtig grapjes over maken: “Ik ben S en heb metvrees.” Dat was het begin van de stap vooruit.
De therapeut had gezegd dat hij niet mocht verwachten dat hij van de ene op de andere dag genezen zou zijn, maar dat het juist in kleine stapjes moest gaan. Daar is hij zich van bewust en daarom is hij ook zo tevreden over zichzelf. Twee vliegen in een klap, daar houdt hij van!
Glimlachend pakt hij de bloemenvaas. Hij gooit de bloemen weg, spoelt de vaas schoon en gooit er een tablet Steradent in, samen met zijn kunstgebit.

Vanillevla met mayonaise en zwarte spikkels

Tegenover ons tafeltje komt een stelletje zitten. Hij heeft korte, bruine krullen; zij een verpletterende schoonheid. Ze bestellen wat te drinken en bestuderen de menukaart. Het meisje knikt dat ze een besluit heeft genomen, en legt de kaart weg. De jongen staat op en zegt: ‘Bestel voor mij maar hetzelfde als voor jou. Ik ga even naar het toilet.’
Ze lacht koket en blaast hem een luchtkusje toe.

Nou, nou – denk ik – die heeft het goed te pakken.

Kind doet een spelletje, Lief zit te internetten op zijn aaifoon, en ik volg het gesprek bij de buren.
In afwachting van hun bestelling, kwebbelen ze er lustig op los. Zij buigt zich steeds verder over tafel. Nog even en de jongen kan via haar decolleté haar navel bestuderen.
Bij haar gebeurt alles aan de oppervlakte; hij doet iets afstandelijker. Misschien kan hij het nog niet bevatten dat deze blondine haar licht laat schijnen over hem.

‘Eigenlijk houd ik niet zo van knoflooksaus,’ bekent hij als hun Pizza Calzone geserveerd wordt. Zij neemt dat voor kennisgeving aan en begint verwoed te eten. Voor iemand die niet van knoflooksaus houdt, werkt hij de pizza met de berg saus in een sneltreinvaart weg.
‘Moet jij nou vanavond op de bank slapen?’ informeert hij langs zijn neus weg.
Aha, denk ik, nu komt de aap uit de mouw, ze is al voorzien! Geen wonder dat hij enigszins gereserveerd doet.
Haar houding verandert van het ene op het andere moment. In plaats van nog langer met hem te flirten, kijkt ze hem strak aan.
‘Ja, je woont samen of niet,’ doet hij er nog een schepje bovenop.
Na deze opmerking bekoelt de conversatie.
Hij stelt voor nog een ijsje te nemen.
Zij zegt snibbig dat ze een muntthee met honing wil.

Ons eten wordt gebracht. Eindelijk, ik lust wel een heel paard! Toch kan ik een rilling niet onderdrukken.
‘Heb je het koud?’ vraagt Joris, en vervolgt in één adem: ‘Wat is dit?’ Op één helft van zijn bord ligt een Pizza Calzone, de andere helft is bedekt met een witte brij: een kruising tussen vanillevla en mayonaise met zwarte spikkels.
Ik gruw ervan en zeg met een alwetende blik: ‘Dat is knoflooksaus.’
De hoeveelheid saus is zelfs Joris teveel. Hij wappert met zijn hand de lucht weg. Dat mislukt jammerlijk.
‘Vraag een schoon bord met minder saus,’ adviseer ik. Ook dat wuift hij weg.
Je hoeft niet te vragen wie erbij ons vannacht op de bank slaapt.

Dronken

Ik ben dronken maar niet van de drank. Jammer; had ik er ten minste nog lol van gehad. Door de verhoging van mijn medicijnen ben ik ongeschikt machines te bedienen en auto te rijden, dus moet ik voor de boodschappen op de fiets naar het dorp toe. Ik duim hartstochtelijk dat ik geen bekende tegenkom. In deze staat van ontwrichting kan ik dat er absoluut niet bij hebben.

Schichtig kijk ik de winkel rond. De kust is veilig. Mijn ogen zitten dicht van slaapgebrek. Op de tast pak ik levensmiddelen uit de schappen en kwak ze in het karretje. Sta ik bij het pasta-schap, gooit een winkelwagen van rechts zich voor het mijne.
‘Hé…Mirjam,’ roept een rood gestifte mond.
Oh nee, denk ik, niet zij, niet Emerenske, waar heb ik het aan verdiend? De grootste roddelnicht van het hele dorp. Ze ziet er altijd tiptop uit. Vergeleken met haar voel ik me een slons. Net wat ik gebruiken kan.
‘Zag ik jou nou laatst op de dijk fietsen…kan dat?’ vraagt ze, mij onderzoekend aankijkend.
Ik knik ja, want dat is het makkelijkst.
‘Ik zwaaide nog, maar jij zwaaide niet terug,’ zegt ze verongelijkt.
‘Sorry, ik zag te laat dat jij het was.’
‘Heb je last van je ogen?’
‘Ja, hooikoorts,’ lieg ik.
‘Ik wist niet dat dat kon in de herfst.’
‘Zolang het boven de tien graden is, groeit het gras, en heb je pollen.’ Ik sta versteld van de  onzin die ik uitkraam.

Daarna vallen haar woorden als een waterval. Emerenske oreert en ik luister. Iets terugzeggen is overbodig. Ze verteld wat ze heeft gekocht, waar en wat het wel niet kostte…over de bouw van hun tweede huis in Portugal…’

Ik wil weg, maar haar karretje blokkeert het pad. Alleen in z’n achteruit kan ik ontsnappen. Dat mens lult maar raak. Hoe kom ik in hemelsnaam onder haar uit? Ongelogen, op datzelfde moment hoor ik muziek en begint Frans Bauer te zingen. Dit is voor het eerst in mijn leven dat ik blij ben dat ik de man hoor, al klinkt het alsof hij met z’n hoofd in een emmer zit.
Emerenske pakt haar telefoon en maakt een verontschuldigend gebaar naar mij.
Geeft niets, mimiek ik, kan iedereen overkomen. Ik weet niet hoe snel ik mijn hielen moet lichten.

Buiten, naast de fiets, hoor ik een bekende stem mijn naam roepen. Alsjeblieft niet, straks vraagt ze of ik bij haar op de koffie kom. Of erger nog: zij bij mij! Flink zijn, meid, moedig ik mezelf aan, doe net of je gek bent, dat is je allerbeste eigenschap, en stap op die fiets. Met bovenmenselijke krachtsinspanning rijd ik slingerend en met gevaar voor eigen leven tussen de auto’s door richting huis.

Om de hoek komt een kennis te paard aanrijden. Een lieverd, maar oeverloos lang van stof. En ze wil almaar dat ik op de thee kom. Ik snap al die mensen niet, alsof ik zo’n leuk mens ben. Ik neem geen risico en verstop me achter de garagedeur.

Als de paardenbillen voorbij zijn, gooi ik de deur open en stap naar buiten. Samen met de boodschappentas, want ik was vergeten dat ik ‘m daar had neergezet. Ik val op straat en kijk de rode kool na die van de stoep naar het midden van de weg rolt. Als iemand vandaag een borrel verdiend heeft, ben ik het.

Van de leg

Ik was even een tijdje niet in Blogland. Ik hing thuis op de bank en wist amper nog dat ik bestond.
Vrijdagochtend was ik met beide benen tegelijk uit bed gestapt (dus vooral niet met het verkeerde) toen ik nattigheid voelde. Wat lag daar nou op mijn bed? Water? Maar Lief en ik hebben toch geen waterbed? Waar kwam de lekkage dan vandaan? Toen begreep ik het: het waren druppels. Ze rolden uit mijn ogen. Het kwam omdat het leven zo zwaar op me drukte.

Slapen is bij mij altijd een heikel punt, maar de afgelopen acht nachten samen had ik nog geen zes uur geslapen. Ik had het gevoel dat ik gek werd terwijl ik bij mijn volle verstand was.
Normaal gesproken kan ik mijn eigen gedachten nauwelijks bijhouden, nu hing er een dikke mist in mijn hoofd. Mijn gevoel voor humor lag permanent in mijn nachtkastje; ik gebruikte cocktailprikkers om mijn ogen open te houden en mijn wallen hingen ter hoogte van mijn knieschijven.
Het is waar wat de Engelsen zeggen, dacht ik: “Life suchs and then you die.” Ging ik maar “die,” dacht ik verder, dit is geen leven. Maar ja, Joris en Roos…ik wil zo graag bij ze blijven.

Zaterdag mailde ik dokter House dat ik niet kon slapen en dat dat volgens mij kwam omdat mijn medicijnen niet meer werkten. Ik had dezelfde klachten als in 2005. Destijds moest ik door een fout van de huisarts na vier slapeloze weken worden opgenomen, en dat wilde ik koste wat kost voorkomen.
Dokter House mailde terug of ik ‘m even wilde bellen.
Na een kort overleg mocht ik twee tabletjes extra innemen “en morgen terugbellen.”
Ik sliep niet.
Zondag mocht ik er nog een extra pil slikken en sindsdien slaap ik als Doornroozzzzje.

Langzaam kom ik bij mijn positieven.
Mijn geest blijkt flexibeler dan mijn lijf. Mijn gevoel voor humor heb ik terug; mijn lichaam voelt alsof er een trein overheen is gereden.
De afgelopen dagen ben ik in de watten gelegd door Man en Kind en bestookt met aanmoedigingen van lieve vriendinnen. Duizendmaal dank <3
Tot blogzzzz…

Spijbelen

‘Mama, zullen we samen paddenstoelen gaan kijken in het bos?’
‘We kunnen woensdagmiddag gaan,’ stel ik voor, ‘dan heb je geen school.’
Voor iemand die net zelfstandig veters kan strikken, schudt Roos met een ijzeren hardnekkigheid nee. Ze gebaart dat ik moet bukken en fluistert iets in mijn oor.
Ik ben verbluft. Waar moet dat heen met dat kind?
‘Dat kun jij foto’s maken,’ merkt ze nog geraffineerd op. Ik begin over regels en hoe het heurt, maar halverwege haper ik. Eigenlijk vind ik haar voorstel meer dan plezierig. Blinkt het leven niet genoeg uit in idiote regeltjes?

De volgende ochtend bel ik school dat Kind niet komt.
‘Ze is verkouden,’zeg ik. Zo jok ik zonder te liegen, want Roos heeft vannacht liggen blaffen als een zeehond.

Met een rugzak vol versnaperingen en papieren zakdoekjes, rijden we langs school het dorp uit. Roos ligt dubbelgevouwen tussen de voor- en achterbank, waar ze giechelt van pret, en bibbert van angst om ontdekt te worden.

Het Kralingse Bos is een explosie van herfstkleuren. Het belangrijkste bezoeken we het eerst en dat is het houten klimdorp, gevolgd door de kinderboerderij en het hertenkamp. We banjeren avontuurlijk door het bos en bewonderen heel wat paddenstoelen. Kind snottert en snuit, maar vindt het een feestje. Minstens tien keer zegt ze: ‘Gezellig hè?’

Aan het eind van de middag doet Kind een bijzondere ontdekking.
‘Mama, kom eens gauw! Hier liggen allemaal vingertjes…’ Zwijgend wijst ze naar een plekje op de grond te midden van een hoopje bladeren.
’Ohh…’ zeg ik aangenaam verrast, en maak foto na foto.

Dan is het tijd om naar huis te gaan. Op de terugweg rijden we opnieuw langs school, maar ditmaal hoeft Roosje-in-de-knop zich niet te verstoppen, want ze ligt afgepeigerd te ronken op de achterbank.
Als ik haar de volgende dag van school haal, wenkt de juf me.

‘Hebben jullie gisteren zo’n leuke dag gehad?’ informeert ze ondeugend. Ik geef het volmondig toe, want met deze mogelijkheid had ik al rekening gehouden.
‘Ze was er zo vol van, dat ze het niet voor zich kon houden,’ zegt juf op een toon alsof het haar spijt.
‘Maar hoe zit het nou met die vingers…?’ Aan jufs vieze gezicht te zien, heeft Kind gepassioneerd over haar ontdekking verteld.
Ik leg uit dat we een inktviszwam gezien hebben. Een paddenstoel met tentakels als een echte inktvis, maar die kind vingertjes blijft noemen.
Juf knikt opgelucht.
‘Ik zal jullie uitje niet doorvertellen aan m’n collega’s hoor,’ zegt ze, ‘kunnen jullie het nog een keertje overdoen.’